Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Vierde Deel

Hoofdstuk VIII. Over de weldaden van het Verbond (vervolg)

Par. 49. Roeping en Wedergeboorte.

Voor de soteriologische onderwerpen in deze en de volgende paragrafen werd reeds literatuur opgegeven in par. 48, deel III 551 v. Speciaal zij hier nog genoemd: Can. Dordr. III IV en de oordelen van de afgevaardigden over het derde en vierde artikel van de Remonstranten. Gomarus, de gratia conversionis, Op I 85-126. Trigland, Antapol. c. 23-33. Voetius, de stato electorum ante conversionem, Disp. II 402-432; de regeneratione, ib 432-468; an Christus electis et salvandis specialem gratiam regenerationis et fidei sit meritus, ib. V 270-277. Spanhemius, Elenchus controv. de religione, Op. III 875 v.; disp. de quinquarticulanis controversiis, ib. 1167-1188. Hornbeek, Theol. Pract. I. VI. Ridderus. De mensche Godts (uittreksel uit de geschriften van W. Teellingh.) Hoorn 1658. C. Vieringa, Korte schets van de Christ. Zedenleere ofte van het geestelijk leven. Vierde druk. Amsterdam 1739. A. Driessen, Oude en nieuwe mensch. Gron. 1738. Boston, Des menschen natuur in deszelfs viervoudige staat. Leiden 1742. Owen. Pneumatologia, of ene verhandeling over den Heilige Geest. Rotterdam 1746. James Buchanan, The office and work of the Holy Spirit. Edinburgh 1842.

Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott, 5e u. 6e Aufl. Stuttgart. 1908. E. Wacker, Wiedergeburt und Bekehrung 1893. Gennrich, Die Lehre von der Wiedergeburt, die Christl. Zentrallehre in dogmengesch. u. religionsgesch. Beleuchtung. Leipzig 1907. Seeberg. art. Berufung in PRE3 II 657 v. Kirn, art. Wiedergeburt in PRE3 XXI 246 v. James, The varieties of religious experience, a study in human nature. Being the Gifford lectures in 1901-1902, 12th impr. New-York. Starbuck, The psychology of religion2. London 1901. G. A. Coe, The spiritual life 1903. Geelkerken. De empirische psychologie. Amsterdam 1909. A. Kuyper, Het werk van de Heilige Geest. Amsterdam 1888. A. Kuyper Jr., De Band des verbonds. Amsterdam 1906.

433. Door Woord en Geest brengt God de schepping, en ook de herschepping tot stand. Door te spreken, roept Hij alle dingen uit het niet te voorschijn, Gen. 1; Ps. 33:6; Joh. 1:3; Hebr. 1:3; 11:3; door het woord van zijn almacht richt Hij de gevallen wereld weer op. Hij roept Adam, Gen. 3:9, Abram, Gen. 12:1; Jes. 51:2, Israël, Jes. 41:9; 42:6; 43:1; 45:4; 49:1; Hos. 11:1; Jer. 31:3; Ezech. 16:6, en laat door zijn dienaren nodigen tot bekering en leven, Deut. 30; 2 Kon. 17:13; Jes. 1:16 v., Jer. 3; Ezech. 18; 33 enz., Rom. 8:28-29; 2 Cor. 5:20; 1 Thess. 2:12; 5:24, 2 Thess. 2:14; 1 Petr. 2:9; 5:10 enz. Omdat deze roeping van God in en door de Zoon tot de mensen komt en Christus de verwerver van de zaligheid is, wordt zij ook speciaal aan Hem toegeschreven; gelijk de Vader alle dingen door Hem schiep en Hij toch ook zelf de Schepper van alle dingen is, zo is Hij ook zelf de roepende, Matt. 11:28; Mr 1:15; 2:17 Luk. 5:32; 19:10, die arbeiders in zijn wijngaard uitstoot, Matt. 20:1-7, ter bruiloft nodigt, Matt. 22:2, de kinderen vergadert als een hen haar kuikens, Matt. 23:37, apostelen en leraars aanstelt, Matt. 10; 28:19; Luk. 10; Ef. 4:11, waarvan het geluid over de gehele aarde uitgegaan is, Rom. 10:18. Ofschoon de roeping dus wezenlijk van God of van Christus uitgaat, zo bedient Hij zich daarbij toch van mensen, niet alleen in de engere zin van profeten en apostelen, herders en leraars, maar ook in het algemeen van ouders en verwanten, van onderwijzers en vrienden.

Zelfs komt er een sprake tot ons uit al de werken van Gods handen, uit de gangen van de historie, uit de leidingen en ervaringen van ons leven. Alles spreekt de vrome van God. Al geschiedt de roeping in engere zin ook door het woord van het Evangelie, deze mag toch niet gescheiden worden van die, welke door natuur en geschiedenis tot ons komt. Het verbond van de genade wordt gedragen door het algemene verbond van de natuur. Christus, die de middelaar van het verbond is, is dezelfde, die als Logos alle dingen geschapen heeft, die als licht in de duisternis schijnt en verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld. God laat zich aan niemand onbetuigd, maar doet goed van de hemel en vervult ook de harten van de heidenen met spijs en vrolijkheid, Ps. 19:2-4 [Ps. 19:1-3]; Matt. 5:45; Joh. 1:5, 9-10; Rom. 1:19-21; 2:14-15; Hand. 14:16-17; 17:27.

Er is daarom allereerst een vocatio realis te onderscheiden, die niet zozeer in duidelijke woorden als wel in zaken (res), door natuur, geschiedenis, omgeving, leidingen en ervaringen tot de mens komt, die niet tot middel heeft het Evangelie maar de wet, en door die wet in gezin, maatschappij en staat, in religie en moraal, in hart en geweten de mens tot gehoorzaamheid roept en tot het doen van het goede verplicht1. Deze roeping is wel onvoldoende tot zaligheid, omdat zij van Christus en zijn genade niet weet en dus niemand kan leiden tot de Vader, Joh. 14:6; Hand. 4:12; Rom. 1:16; de wereld heeft met haar toch in haar dwaasheid en duisternis God niet gekend, Joh. 1:5, 10; Rom. 1:21v., 1 Cor. 1:21; Ef. 2:12. Maar zij is toch een rijke bemoeienis van God met zijn schepsel, een getuigenis van de Logos, een werking van de Geest van God, die voor de mensheid van grote betekenis is. Aan haar is te danken, dat de mensheid in weerwil van de zonde is kunnen blijven bestaan, dat zij zich in gezinnen, maatschappijen en staten heeft georganiseerd, dat er nog een besef van godsdienst en zedelijkheid in haar is overgebleven, en dat zij niet weggezonken is in bestialiteit. Alle dingen bestaan tezamen in Christus, die alles draagt door het woord van zijn kracht, Col. 1:16; Hebr. 1:3. Bepaaldelijk dient zij ook, om zowel in het leven van de volken als in dat van de bijzondere personen voor de hogere en betere roeping door het Evangelie de weg te banen. Christus bereidt als Logos door allerlei middelen en wegen zijn eigen werk van de genade voor. Hij trad daarom zelf eerst op in de volheid van de tijden. Toen de wereld God door haar wijsheid niet heeft gekend, heeft het God behaagd, door de dwaasheid van de prediking zalig te maken, die geloven, 1 Cor. 1:21. Het Evangelie komt niet in eens tot alle volken, maar zet in de weg van de historie zijn loop door de wereld voort; het komt ook bij de bijzondere personen in dat ogenblik, dat door God zelf in zijn voorzienigheid voorbereid en bepaald is.

Hoe belangrijk deze vocatio realis echter ook zij, hoger staat de vocatio verbalis, die niet alleen door de geopenbaarde wet, maar bepaald ook door het Evangelie tot de mensen komt. Deze roeping doet die door de natuur en geschiedenis niet te niet, maar neemt ze in zich op en bevestigt ze; alleen gaat zij er ver boven uit. Immers is zij een roeping, die niet van de Logos maar bepaaldelijk van Christus uitgaat; die niet zozeer van de wet als wel van het Evangelie als eigenlijk middel zich bedient; die niet tot gehoorzaamheid aan Gods wet maar tot geloof aan Gods genade uitnodigt; en die ook altijd gepaard gaat met zekere werking en getuigenis van die Geest, die Christus als zijn Geest in de gemeente uitgestort heeft, Joh. 16:8-11; Matt. 12:31; Hand. 5:3; 7:51; Hebr. 6:4. Deze roeping is niet universeel in de zin van de oude Luthersen, die met beroep op Matt. 28:10; Joh. 3:16; Rom. 10:18; Col. 1:23; 1 Tim. 2:4 beweerden, dat ten tijde van Adam, Noach en Christus het Evangelie feitelijk aan alle volken bekend was geweest en door eigen schuld weer verloren was gegaan,2 maar zij mag en moet toch gebracht worden tot alle mensen zonder onderscheid. De Schrift beveelt dit uitdrukkelijk, Matt. 28:19, en zegt bovendien, dat velen, die niet komen, toch geroepen waren, Matt. 22:14; Luk. 14:16-18 maar het Evangelie verwierpen, Joh. 3:36; Hand. 13:46; 2 Thess. 1:8, en daarom juist aan de verschrikkelijke zonde van het ongeloof schuldig staan, Matt. 10:15; 11:22, 24; Joh. 3:36; 16:8-9; 2 Thess. 1:8; 1 Joh. 5:10. De universalisten brengen echter tegen de Gereformeerden in, dat dezen op hun standpunt zulk een algemene roeping door het Evangelie niet kunnen aannemen; immers is Christus volgens hen niet voor allen doch slechts voor de uitverkorenen gestorven; en de prediking kan dus niet luiden: Christus heeft voor u voldaan, uw zonden zijn verzoend, geloof alleenlijk, maar kan voor onbekeerden alleen bevatten de eis van de wet; indien zij het algemeen aanbod van de genade handhaven, is dit toch van Gods zijde niet ernstig gemeend en bovendien onnut en ijdel3. Deze bedenkingen zijn ongetwijfeld van groot gewicht, en hebben van de zijde van de Gereformeerden verschilIende antwoorden uitgelokt. Sommigen kwamen er toe, om aan de zondaren alleen de wet te prediken en het Evangelie alleen aan te bieden aan hen, die reeds zichzelf hadden leren kennen en behoefte gevoelden aan verlossing; anderen handhaafden het algemene aanbod van de genade en rechtvaardigden het daarmee, dat Christus’ offerande genoegzaam voor allen was, of dat Christus toch ook vele en velerlei zegeningen verworven had voor hen, die niet in Hem zouden geloven, of dat het Evangelie hun alleen aangeboden werd op conditie van geloof en bekering; nog anderen naderden het universalisme en leerden, dat Christus volgens een eerste, algemeen besluit van God voor allen voldaan had, of dat Hij voor allen de wettelijke mogelijkheid, om zalig te worden, verworven en allen in een “salvable state” gebracht had, of ook zelfs, dat de verwerving van de zaligheid universeel en de toepassing particulier was4. Hoezeer het ook schijnen kon, dat de belijdenis van verkiezing en particuliere voldoening iets anders vorderde, toch hebben de Gereformeerden in de regel het algemene aanbod van de genade gehandhaafd.

1 Polyander, Syliopsis pur. theol. 30, 2. 3. Mastricht, Theol. VI 2, 15. Witsius, Oec. foed. III 5,7-15. Marck, Theol. 17, 10. De Moor, Comm. III 386, 387.

2 Form. Conc. bij J. T. Müller, Die symb. Bücher der ev. Luth. K. bl. 709. Gerhard, Loci Theol. VII c. 7. Quenstedt, Theol. III 465-476 enz. Verg. ook de Remonstranten en anderen bij M. Vitringa, Doctr. III 167.

3 Zie bijv. Arminius, Op. bl. 661v. Conf. en Apol. Conf. Rem. c. 7. Episcopius, Antidotum c. 9, Op. II 2 bl. 38. Limborch, Theol. Christ. IV 3, 12-18.

4 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 48 Het werk van Christus in Zijn verhoging; 405 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept