Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

493. Indien de kerk naar haar wezen een vergadering van ware Christgelovigen is en deze alleen bij God bekend zijn, wordt de vraag van gewicht, waaraan de kerk door ons kan worden gekend. De Roomse Christen heeft daarom vooral bezwaar tegen het reformatorisch kerkbegrip, omdat het de zekerheid van de kerk en dus van de zaligheid van zijn ziel ondermijnt en voor twijfel, verdeeldheid, onverschilligheid de deur opent. Bellarminus zegt het zo duidelijk mogelijk: necesse est, ut nobis certitudine infallibili constet, qui coetus hominum sit vera Christi ecclesia, nam cum Scripturae traditiones et omnia plane dogmata ex testimonio ecclesiae pendeant, nisi certissimi simus, quae sit vera ecclesia, incerta erunt prorsus omnia. Dit nu is onmogelijk, als het oprechte geloof iemand alleen waarlijk tot lid van de kerk maakt, want dit kan nooit door ons zeker worden gekend, en een cognitio conjecturalis is onvoldoende, wij hebben hier een certitudo infallibilis nodig1, want tenemur omnes sub periculo mortis aeternae verae ecclesiae nos adjungere et in illa perseverare2. De ware kerk moet daarom zo visibilis en palpabilis wezen, ut est coetus populi Romani, vel regnum Galliae aut respublica Venetorum3. Vandaar dat Bellarminus alle krachten inspant, om de waarheid van de Roomse kerk te bewijzen. Hij telt niet minder dan 15 notae op, nl. ipsum catholicae ecclesiae nomen, antiquitas, duratio diuturna, multitudo et varietas credentium, successio episcoporum, conspiratio in doctrina cum ecclesia antiqua, unio membrorum inter se et cum capite, sanctitas doctrinae, efficacia doctrinae, sanctitas vitae primorum patrum, gloria miraculornm, lumen propheticum, confessio adversariorum, infelix exitus eorum qui ecclesiam oppugnant, felicitas temporalis4. De Roomse theologen volgen dit voorbeeld, maar herleiden het vijftiental notae gewoonlijk tot de vier, welke in het symbolum Nic.-Const. worden benoemd, nl. de unitas, sanctitas, catholicitas en apostolicitas5. Daarbij verdient het nog de aandacht, dat Rome in eigenlijke zin geen notae of criteria heeft, waaraan de ware kerk kan gekend worden. Deze veronderstellen toch een maatstaf, die boven de kerk ligt en waarnaar zij door ieder beoordeeld mag worden. En zulk een maatstaf heeft Rome niet, want de Schrift is afhankelijk van de kerk, en de kerk is zelf de hoogste maatstaf voor leer en leven. Notae ecclesiae zijn bij Rome dus niets anders dan indicia, eigenschappen, waarin de kerk uitkomt en zich openbaart. Bewijzen voor de kerk zijn dezelfde als die voor het Christendom, want beide zijn bij Rome één. En deze bewijzen maken de stelling, dat de Roomse kerk de ware kerk is, wel niet evidenter veram maar toch evidenter credibilem6. Ook spreekt het Vaticaan: Deus per Filium suum unigenitum Ecclesiam instituit, suaeque institutionis manifestis notis instruxit, ut ea tamquam custos et magistra verbi revelati ab omnibus posset agnosci. Ad solam enim catholicam Ecclesiam ea pertinent omnia, quae ad evidentem fidei christianae credibilitatem tam multa et tam mira divinitus sunt disposita. Quin etiam Ecclesia per se ipsa, ob suam nempe admirabilem propagationem, eximiam sanctitatem et inexhaustam in omnibus bonis foecunditatem, ob catholicam unitatem invictamque stabilitatem, magnum quoddam et perpetuum est motivum credibilitatis et divinae suae legationis testimonium irrefragabile7. Absoluut bewijsbaar is dus de waarheid van de kerk voor een ieder niet; dan toch zou de kerk geen articulus fidei en het geloof niet vrij en verdienstelijk zijn. Er moet volgens het Vaticaan bij het getuigenis, dat van de kerk uitgaat, een efficax subsidium ex superna virtute bijkomen. Feitelijk neemt Rome daarmee hetzelfde subjectieve standpunt in als de Hervorming. De motieven, hoe sterk ook, kunnen niet metterdaad bewegen tot het geloof. Het is Gods Geest alleen, die iemand inwendig vast en zeker overtuigen kan van de waarheid van de Goddelijke openbaring. De diepste grond voor het geloof is ook bij Rome niet de Schrift of de kerk, maar het lumen interius. Rome heeft met zijn onfeilbare kerk en zijn onfeilbarn paus principieel niets vóór boven de kerken van de Hervorming, want kerk en paus zijn, hoe zichtbaar ook, toch articuli fidei8.

De kentekenen, die Rome voor de ware kerk opgeeft, zijn dan ook in geen enkel opzicht duidelijker en krachtiger dan de zuivere bediening van het woord, welke door de Hervorming als kenteken van de kerk werd erkend. Sommige van de kentekenen, door Bellarminus genoemd, zijn van zeer ondergeschikte waarde. De wondergave is volstrekt geen afdoend bewijs voor de waarheid van de leer, welke iemand verkondigt, Deut. 13:1-2; Mt. 7:22-23; 24:24 enz. 9; het ongelukkig uiteinde van de vijanden en vervolgers van de kerk is meestentijds slechts een legende, gelijk ook Roomsen nu erkennen10, en de aardse voorspoed van de kerk is altijd tijdelijk, wisselt met vervolging en onderdrukking af, en kan even goed als een bewijs tegen de waarheid van de kerk worden aangevoerd, Mt. 5:10; 16:24; Joh.16:33; Hd.14:22; 2 Tim. 3:12. Bij andere kenmerken hangt alles af van de zin, waarin zij worden verstaan; de naam katholiek wordt ook door Protestantse kerken aangenomen en is op zichzelf evenmin een bewijs voor de waarheid van de Roomse kerk, als de naam Christus, die de valse Christussen zich toeëigenen, Mt. 24:24, of de naam Israël of Abrahams zaad, waarop de Joden zich verhovaardigden, Joh. 8:33; Rom. 9:6; de oudheid, de historische continuïteit en de onafgebroken successie zijn niet alleen aan Rome, maar ook aan andere kerken, bijv. de Griekse eigen, en bewijzen op zichzelf evenmin iets voor de waarheid van de Roomse kerk als zij dat deden voor die van de Joodse gemeente in Jezus’ dagen; de eenheid en de katholiciteit zijn pretensies van Rome, welke het feit niet kunnen te niet doen, dat er miljoenen Christenen leven buiten haar; er is niet maar één kerk, er zijn vele kerken, en er is geen enkele, die alle gelovigen omvat. De overige kenmerken, overeenstemming met de leer van de apostelen, heiligheid van de leer, vernieuwende kracht, welke van haar uitgaat, heilig leven van veel van haar belijders, komen volstrekt niet alleen aan Rome, doch ook aan vele andere kerken toe, en zijn aan dezelfde bedenkingen onderhevig, als welke door de Roomsen tegen de Protestantse kentekenen worden ingebracht en straks besproken worden11.

De Roomse kerk verheugt zich daarbij wel in haar eenheid en wijst met zelfbehagen op de verdeeldheid van het Protestantisme. Maar zij betaalt deze vreugde met een dure prijs. Ten eerste is het gedwongen, om het wezen van de kerk hoe langer hoe meer van de vergadering van de gelovigen op het instituut van de hiërarchie, d.i. tenslotte op de paus, over te dragen. Met meer recht, dan Lodewijk XIV kon zeggen: l’état c’est moi, kan de paus verklaren: de kerk ben ik. Ubi papa, ibi ecclesia. Als dan ook bij de kerk, gelijk behoort, niet uitsluitend aan het instituut, maar tevens en in de eerste plaats aan de vergadering van de gelovigen gedacht wordt, is de verdeeldbeid in de Roomse kerk niet zo veel minder dan in de Protestantse kerken. Het verschil is alleen, dat Rome, in de coelibataire hiërarchie haar kracht zoekend, in de kerk alle richtingen en meningen stil naast elkaar laat bestaan en aan haar leden, zelfs de ongelovigste, de energie, de vrijheids- en de waarheidszin ontneemt, om met de kerk en hun eigen onware positie te breken. Ten tweede betaalt Rome die vreugde met de dure prijs van het extra ecclesiam nulla salus. De leer van de Schrift, dat de zaligheid gebonden is aan het geloof in Christus, werd spoedig tegenover schisma en heresie zo verstaan, dat ieder, die de zaligheid in Christus deelachtig wilde worden, verbonden moest zijn met de bisschop12. Wie behouden willen worden, moeten vluchten in de heilige kerken van God13. Sola catholica ecclesia est, quae verum cultum retinet. Hic est fons veritatis, hoc domicilium fidei, hoc templum Dei; quo si quis non intraverit vel aquo si quis exiverit, a spe vitae ac salutis aeternae alienus est14. Dikwijls gebruikten de kerkvaders voor de kerk het beeld van de ark, en inzonderheid Cyprianus bediende zich daarvan, om het extra ecclesiam nulla salus, boven alle twijfel te verheffen15. Augustinus had geen andere mening: manifestum est, eum qui non est in membris Christi, christianam salutem habere non posse16. Buiten de kerk kan iemand alles meenemen, sed nunquam nisi in ecclesia catholica salutem potest invenire17. Concilies en pausen hebben deze leer bekrachtigd. Het vierde Lateraan-concilie verklaarde in c.1, dat er één katholieke kerk van de gelovigen is, buiten welke volstrekt niemand zalig wordt. Trente getuigde in de vijfde zitting, dat het zonder het katholieke geloof onmogelijk is, Gode te behagen. Bonifacius VIII sprak uit, dat onderwerping aan de paus de necessitate salutis was. Eugenius IV leerde, dat niemand buiten de katholieke kerk het eeuwig leven deelachtig kan worden. En Pius IX verklaarde in de allocutie van 9 Dec. 1854: tenendum ex fide est, extra apostolicam Romanam ecclesiam salvum fieri neminem posse. Rome moet daarom intolerant zijn, zij kan geen kerken naast zich erkennen; zij is zelf de enige kerk, de bruid van Christus, de tempel van de Heilige Geest. Toch zijn de feiten ook Rome te machtig geworden. Duizenden en miljoenen hebben in de loop van de eeuwen de gemeenschap met de Roomse kerk verbroken, novatianen, Donatieten, Griekse Christenen, Arianen, Monofysieten, Monoteleten, vele secten in de Middeleeuwen en dan in de zestiende eeuw meer dan de helft van de Christenheid. En al heeft Rome door de contra-reformatie veel teruggewonnen, toch telt het nu van de 500 miljoen Christenen ternauwernood de helft en gaat in getalsterkte eerder achter- dan vooruit. Tegenover deze feiten is het niet vol te houden, dat er buiten de Roomse kerk geen zaligheid is. Het valt Roomsen zelf moeilijk, aan deze leer getrouw te blijven; velen zijn tot concessies geneigd. Zij maken onderscheid tussen hen, die bewust, opzettelijk, pertinaciter en daarom culpabiliter de kerk verlaten, en hen, die meegesleept en verleid worden, bona fide buiten de kerk zijn en voto, desiderio, animo nog tot de kerk, ad animam ecclesiae behoren. In diezelfde geest werd door de Roomse stoel de stelling van Bajus verworpen; infidelitas pure negativa in his, quibus Christus non est praedicatus, peccatum est, en sprak Pius IX in de allocutie van 9 Dec. 1854 uit: pro certo habendum esse, eos qui verae religionis ignorantia laborant, si ea invincibilis set, nulla posse huius rei culpa obstringi18.

1 Bellarminus, de eccl. mil. III 10.

2 t.a.p. III 12.

3 t.a.p. III 2.

4 t.a.p. IV c. 4-18.

5 Perrone, Prael. I 248. Liebermann, Instit. theol. I 255. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 372. Jansen, Prael. I 659. Hettinger, Apol. 7te Aufl. IV 411. V 106.

6 Bellarminus, de eccl. mil. IV c3.

7 Conc. Vatic. III c. 3.

8 Verg. Deel I; Hoofdstuk 3; Par. 17 De historisch- apologetische methode; 133 v. Deel I; Hoofdstuk 3; Par. 22 De Grond van het Geloof; 150 v.

9 Verg. Deel I; Hoofdstuk 3; Par. 17 De historisch- apologetische methode; 134 v.

10 Nik. Paulus, Luthers Lebensende. Freiburg 1898.

11 Beza, de eccl. cath. notis, Tract. theol. III 132. Polanus, Synt. bl. 532 v. Amesius, Bellarminus enervatus II 56-72. Maresius, Syst. theol. XVI 23 v. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 13. Mastricht, Theol. VII 1, 34 De Moor VI 50. M. Vitringa IX 1 bl. 98. Gerhard, Loc. XXII c. 10, II. Quenstedt, Theol. IV 503.

12 Ignatius, ad Eph. 4; 5; Phil. 3. Trall. 7.

13 Theophilus, ad Autol. II 14.

14 Lactantius, Inst. div. IV 30.

15 Cyprianus, de unit. eccl. 6. Ep. 69, 2, 74, 11.

16 Augustinus, de unit. eccl. 2.

17 Augustinus, Super gestis c. Emerito. Verg. C. Romeis, Das Heil des Christen ausserhalb der wahren Kirche nach der Lehre des h. Augustin. Freiburg 1909.

18 Bellarminus, de eccl. mil. III c. 3, 6. Perrone, Prael. I 331. Klee, Dogm. I 141. Jansen, Prael. I 344. Schanz, Apol. III 188. Dublanchy, De axiomate: extra ecclesiam nulla salus, dissertatio theologica. Bar-le-Duc, Contant-Laguerre 1895.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept