Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

495. Deze ontwikkeling van het kerkbegrip, die in de geschiedenis zelf valt waar te nemen, heeft haar onmiskenbare schaduwzijde; het denkbeeld van een enig, alle gelovigen omvattend kerkinstituut is er voorgoed door verstoord. Ook is het niet te ontkennen, dat de eindeloze gedeeldheid van de belijders van Christus aan de wereld een oorzaak biedt van vreugde en spot, en haar een reden geeft voor haar ongeloof aan de Gezondene van de Vader, omdat zij de eenheid van de gelovigen in Christus niet ziet, Joh.17:21. Wij kunnen ons als Christenen niet diep genoeg verootmoedigen over de scheuring en tweedracht, die alle eeuwen door in de kerk van Christus heeft bestaan; zij is een zonde tegen God, in strijd met de bede van Christus, en veroorzaakt door de duisternis van ons verstand en de liefdeloosheid van ons hart1. En het is te begrijpen, dat vele Christenen zich telkens weer hebben laten verleiden tot de poging, om die vurig begeerde eenheid van de kerk van Christus, hetzij door gewelddadige middelen, vooral door de sterke arm van de overheid, of op kunstmatige wijze, door syncretisme en fusie, tot stand te brengen of in stand te houden2. Maar aan de andere kant mogen wij toch ook niet vergeten, dat de mislukking van al deze pogingen ons iets te leren heeft. De historie is evenals de natuur een werk van God; zij gaat niet buiten zijn voorzienigheid om; Christus is door zijn opstanding en hemelvaart verheven tot Koning aan de rechterhand van de Vader en zal dat blijven, totdat al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd zijn. Hij regeert, ook over de verdeeldheden en scheuringen van zijn kerk op aarde. En zijn bede om haar eenheid is niet voortgevloeid uit onbekendheid met haar geschiedenis noch ook uit onmacht tot haar regering; in en door de verdeeldheid heen wordt zij dagelijks verhoord en haar volkomen vervulling tegemoet gevoerd. De diepe, geestelijke zin, waarin de eenheid van zijn discipelen door Jezus opgevat wordt, sluit juist alle gewelddadige of kunstmatige poging tot haar invoering uit. Christus, die er om bad, kan ook alleen haar tot stand brengen; zijn bede is waarborg, dat zij in Hem reeds bestaat en te zijner tijd uit Hem ook in alle gelovigen openbaar worden zal.

Daarom hebben wij tot recht verstand van de gedeeldheid van de kerk van Christus, het volgende te bedenken:

1. Alle scheiding en scheuring, die er nu in de kerk van Christus bestaat, dagtekent principiëel reeds uit de apostolische tijd. In weerwil dat de kerken om allerlei redenen toen zich veel meer geestelijk één gevoelden, dan nu zelfs tussen kerken van dezelfde belijdenis het geval is, waren zij in velerlei opzicht onderscheiden. De apostelen te Jeruzalem en Paulus, de gemeenten uit de Joden en uit de Heidenen, gingen op vele en zelfs belangrijke punten uiteen; het kwam tussen Petrus en Paulus, Gal. 2:11, tussen Paulus en Barnabas, Hd.15:39, tot een ernstig verschil; ketterijen en scheuringen van allerlei aard kwamen ook toen reeds voor, 1 Cor.1:10; 11:18-19 enz.; de gemeente van Corinthe was in partijen verdeeld, zag het schandelijk leven van een van de broeders stilzwijgend aan, en geloofde voor een deel zelfs niet aan een zo betekenisvol feit, als de lichamelijke opstanding van Christus en de gelovigen; en de gemeenten van Klein-Azië waren enkele tientallen van jaren, nadat zij door Paulus gesticht werden, ver gezonken beneden het eerst door haar in leer en leven ingenomen standpunt.

2. Deze scheidingen en scheuringen in de apostolische tijd maken daarom nog niet zo diepe indruk, omdat wij het in het Nieuwe Testament altijd in de eerste plaats te doen hebben met plaatselijke kerken. Er was nog niet anders dan een geestelijke band, die alle gemeenten verbond. Maar toen in de kerk van Christus de hiërarchie zich ontwikkelde en deze zichzelf voor het wezen van de kerk hield, toen is het deze valse, onchristelijke kerkidee geweest, die alle eeuwen door de scheuringen en ketterijen uitgelokt en vele ware gelovigen van zich vervreemd heeft. Overal waar en in dezelfde mate als de hiërarchie zich ontwikkeld heeft, in de Roomse, de Griekse, de Anglikaanse kerk, daar zijn telkens weer de sekten opgestaan en hebben, indien zij niet gewelddadig onderdrukt en uitgeroeid werden, de officiële kerk teruggedrongen en zijn haar menigmaal boven het hoofd gegroeid. De hierarchische kerkidee, die allereerst op de eenheid van de Christenheid bedacht is, heeft juist alle eeuwen door de verdeeldheid bevorderd en scheuring veroorzaakt. En het Protestantisme verloochent zijn beginsel, indien het de eenheid van de Christenheid zoekt te handhaven door enige hierarchische dwang.

3. Juist omdat het woord het kenteken van de kerk is en er geen onfeilbare uitlegging van dat woord bestaat, is aan ieder mens door Christus zelf de vrijheid gegeven, om dat woord voor zichzelf te verstaan, gelijk hij het inziet. Zedelijk is hij daarbij natuurlijk wel aan Christus gebonden, en ieder zal voor zichzelf moeten verantwoorden, hoe hij het woord van Christus verstaan en beoefend heeft. Maar tegenover zijn medemensen en medechristenen staat hij volkomen vrij. Rome vreest deze vrijheid, en werpt aan het Protestantisme zijn individualisme, subjectivisme en sectarisme voor de voet. Maar wat de zwakheid van Rome is, omdat het zichzelf door hierarchische middelen in stand houden moet, dat is de kracht van het Protestantisme, omdat geen schepsel, maar Christus zelf zijn kerk regeert. Het is volkomen waar, dat, indien het woord kenteken van de kerk is en alle mensen in handen gegeven wordt, ieder daarmee het recht ontvangt, om over de kerk te oordelen en, indien hij het goedvindt, van haar te scheiden, maar deze vrijheid is volkomen te eerbiedigen en door geen staat of kerk te belemmeren. Zelfs het verschrikkelijke misbruik, dat er van gemaakt kan worden en gemaakt is, mag geen ogenblik tot afschaffing van het gebruik verleiden. De gedeeldheid van de kerk van Christus heeft

4. zonder twijfel in de zonde haar oorzaak; in de hemel is er geen plaats meer voor. Toch is daarmee niet alles gezegd. God heeft in de eenheid de verscheidenheid lief. Verscheidenheid was er onder alle schepselen, ook toen er nog geen zonde was. Door de zonde is zij ontaard en verbasterd, maar in zichzelf is zij goed en ook voor de kerk van Christus van betekenis. Verschil van geslacht en leeftijd, van karakter en aanleg, van verstand en hart, van gaven en goederen, van plaats en van eeuw komt ook aan de waarheid, die in Christus is, ten goede. Hij neemt ze alle in zijn dienst en siert er zijn kerk mee. Ja, al heeft de gedeeldheid van de mensen in volken en talen in de zonde haar aanleiding gehad, zij bevat iets goeds, dat in de gemeente ingedragen en zo voor de eeuwigheid bewaard wordt. Uit vele geslachten en talen en volken en natiën vergadert Christus zijn kerk op aarde.

5. Indien wij daarom weer naar het Nieuwtestamentische spraakgebruik onder kerken de plaatselijke kerken in de hele Christenheid verstaan, dan zijn er geen ware en geen valse kerken in volstrekte zin. Een kerk is een vergadering van ware Christgelovigen op een bepaalde plaats. Indien ergens geen enkel gelovige meer is, noch actu noch potentia, dan is er ook het woord van God onbekend, en is er geen kerk meer. En omgekeerd, indien het woord van God op een bepaalde plaats nog enigermate bekend is, zal het zeker zijn werking doen en is er een kerk van Christus, hoe onzuiver en vermengd dan ook. Daarmee wordt geen indifferentisme en syncretisme bedoeld. Onverschillig is er niets, allerminst in de waarheid, die naar de godzaligheid is. Het staat niet zo, dat wij gerust de zogenaamde articuli non fundamentales kunnen prijsgeven en loochenen, indien wij de articuli fundamentales maar aannemen. Terwijl wij echter in betrekking tot anderen het woord van Jezus in toepassing hebben te brengen: wie niet tegen mij is, die is voor mij, behoren wij ons voor onszef te houden aan dat andere woord: wie niet voor mij is, die is tegen mij. Er is groot verschil in de zuiverheid van de belijdenissen en de kerken. En naar de zuiverste hebben wij te staan en te streven. Wie daarom tot de overtuiging komt, dat de Protestantse kerk beter is dan de Roomse, en de Gereformeerde zuiverder is dan de Lutherse of Remonstrantsche of Doopsgezinde, heeft, zonder daarmee zijn kerk als een valse te oordelen, deze te verlaten en bij de andere zich aan te sluiten. En in de eigen kerk te blijven, in weerwil van veel onzuiverheid in leer en leven, is zolang verplicht, als zij ons niet verhindert, om naar de eigen belijdenis getrouw te zijn en zij het ook indirect, ons niet dwingt, om de mensen meer te gehoorzamen dan God. Want een kerk, die haar leden daartoe dwingt, zou zich in datzelfde ogenblik aan de consciëntie van haar leden, in zoverre als zij dat deed, als een valse openbaren, die zichzelf en haar ordinantiën meer macht en autoriteit toeschrijft dan het woord van God. Met de namen schisma en heresie behoort men daarom

6. voorzichtig te zijn. Zonder twijfel zijn dit beide grote zonden; aan schisma maken zij zich schuldig, die, ofschoon het fundament van de leer intact latende, toch om ondergeschikte punten van eredienst of kerkregering zich van de kerk scheiden; haeretici zijn zij, die dwalen in de substantie van de waarheid; genen verbreken de gemeenschap van de kerk, dezen de gemeenschap van de leer. Toch is het moeilijk, in de praktijk de grens aan te wijzen, die wettige en plichtmatige verbreking van de gemeenschap met enige kerk of leer van ongeoorloofde breuk scheidt. Voor Rome is dit wel gemakkelijk, omdat het maar één kerk en één belijdenis erkent en over alwat daarbuiten is het anathema uitspreekt. Maar het Protestantisme kan hoogstens enige algemene regels aangeven en moet de toepassing daarvan in ieder concreet geval aan de consciën ie van de gelovigen overlaten. Het begrip van heresie en schisma heeft daardoor een rekbaarheid verkregen, welke in het gebruik tot voorzichtigheid maant. Sedert de Reformatie is de kerk overgegaan in de periode van de pluriformiteit; en dit feit dwingt ons, om de eenheid van de kerk veelmeer in de geestelijke band van het geloof dan in de uitwendige vorm van de regering te zoeken3.

1 Gunning, De eenheid van de kerk 1896. Hoger dan de kerk 1897. Rekenschap 1898.

2 Verg. bijv. H. C. Rogge, Hugo de Groots denkbeelden over de hereeniging der kerken, Teylers Theol. T. 1904 bl. 1-52. F. X. Kieft, Der Friedensplan des Leibniz zur Wiedervereinigung der getrennten christl. Kirchen. Paderborn Schoningh 1904. K. Brauer, Die Unionstbätigkeit John Duries unter dem Protektorat Cromwells. Marburg Elwert 1907. J. von Döllinger, Ueber die Wiedervereinigung der christl. Kirchen. Leipzig 1896. Joseph Moog, Die Wiedervereinigung der christl. Konfessionen. Bonn 1909. In Engeland, Schotland, Amerika, Australië is er een krachtige drang naar eenheid; de zendingsconferentie te Edinburgh legde daarvan een sterk getuigenis af, en velen streven ernaar, om, zoals Principal Forsyth het onlangs uitdrukte, “the United States of the Church” tot stand te brengen. En in Duitsland, waar de confessies op gespannen voet staan, gaat menigmaal een stem op, die voor confessionele vrede pleit, bijv. L. K. Goetz, Ein Wort zum konfess. Frieden. Bonn 1906. P. Tschackert, Modus vivendi. München 1908. R. Schmölder, Zum Frieden unter den Konfessionen. Bonn 1910 enz.

3 Gladstone, The place of heresy and schism in the modern Christian Church. Nineteenth Century Aug. 1894 bl. 157-194. Hinschius, art. Häresie in PRE3 VII 319-321 en Schisma, ib XVII 575-580. Over de pluriformiteit van kerk en theologie, Kuyper, Encyl. II2 614 v. en daartegen Th. F. Bensdorp, Pluriformiteit. Een fundamentele mievatting van Dr. A. Kuyper of een hopeloos pleidooi. Amsterdam G. Borg 1901.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept