Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

520. Het eerste en voornaamste middel van de genade is het woord van God. Luthersen en Gereformeerden stemmen hierin met elkaar overeen. Toch brengen de laatsten het woord van God niet onder de media gratiae ter sprake, omdat zij gewoonlijk daarover in de dogmatiek reeds vroeger hebben gehandeld, in een afzonderlijk hoofdstuk1, of ook over de wet bij het werk-, en over het Evangelie bij het genadeverbond2. Deze eigenaardige methode van behandeling geeft geen recht tot de bewering, dat de Gereformeerden het woord van God niet als middel van de genade hebben erkend, want telkens spreken zij het tegendeel uit3. Maar wel mag men eruit afleiden, dat het woord van God voor de Gereformeerden nog een veel rijkere betekenis had dan dat het alleen in de engere zin van het woord als genademiddel dienst deed. Het woord van God is mede daarin van het sacrament onderscheiden, dat dit laatste alleen dienst doet tot versterking van het geloof en dus alleen een plaats heeft in het midden van de gemeente. Maar het woord van God, beide als wet en als Evangelie, is openbaring van de wil van God, is de promulgatie van werk- en genadeverbond, gaat alle mensen en schepselen aan, en heeft een universele betekenis. Het sacrament kan alleen bediend worden door de wettig geroepen dienaar in de vergadering van de gelovigen, maar het woord van God heeft ook daarbuiten nog een bestaan en plaats, en oefent ook daar zijn menigvuldige werkingen uit. Als middel van de genade in eigenlijke zin naast het sacrament komt het woord van God alleen ter sprake, voorzover het openlijk door de leraar gepredikt wordt; op het in Gods naam en krachtens zijn zending gepredikte woord valt dan al de nadruk4. Maar in de regel zijn de mensen reeds lang in het gezin, op de school, door toespraak of lectuur met dat woord in aanraking gekomen, voordat zij het openlijk in de gemeente horen verkondigen. De openbare bediening van het woord omvat dus lang niet al de kracht, die van het woord uitgaat; zij dient ook wel, om het geloof, bij wie het nog ontberen, te werken, maar toch veelmeer om het bij de gelovigen in hun vergadering te versterken. In een Christelijke maatschappij komt het woord van God tot de mens op allerlei manieren, in allerlei vormen, van allerlei kanten, en het komt tot hem van zijn prilste jeugd af aan. Ja God brengt dat woord in de inwendige roeping dikwijls, reeds voordat het bewustzijn ontwaakt is, tot de harten van de kinderen, om hen te wederbaren en te heiligen, evenals Hij in ieder mens van zijn eerste bestaan af het werk van de wet in zijn hart schrijft en het semen religionis in hem inplant. Daarom is hier tussen woord van God en Schrift wel te onderscheiden. Niet in die zin, alsof het woord van God slechts in de Schrift te vinden en niet de Schrift zelf was; maar in deze andere zin, dat het woord van God lang niet altijd en zelfs niet in de meeste gevallen als Schrift, in de vorm van de Schrift tot ons komt, maar zó dat het, uit de Schrift in het bewustzijn van de gemeente opgenomen, van daaruit weer in de vorm van vermaning en toespraak, opvoeding en onderwijs, boek en geschrift, tractaat en vertoog tot de verschillendste mensen uitgaat en zijn werking doet. En altijd staat God achter dat woord; Hij is het, die het in die onderscheiden vormen tot de mensen doet uitgaan en ze zo roept tot bekering en leven. In de Schrift is dan ook de uitdrukking woord van God nooit met de Schrift identiek, al mag de Schrift door ons zonder twijfel Gods woord worden genoemd. Een enkele plaats mag zich laten aanwijzen, waar de uitdrukking woord van God op een gedeelte van de Heilige Schrift, bijv. op de geschreven wet wordt toegepast. Maar overigens is woord van God in de Schrift nooit hetzelfde als de Schrift, wat ook daarom reeds onmogelijk is, omdat de Schrift toen nog niet compleet was. De uitdrukking woord van God heeft in de Schrift velerlei betekenissen en kan aanduiden de kracht van God, waardoor Hij de wereld schept en onderhoudt, of zijn openbaring aan de profeten, of de inhoud van de openbaring of het Evangelie, dat door de apostelen verkondigd werd5. Maar altijd is het een woord van God, d.i. nooit een klank alleen maar een kracht, geen loutere bekendmaking maar tevens een volbrenging van zijn wil, Jes. 55:11. Door het woord schept en onderhoudt God de wereld, Gen. 1:3; Ps. 33:6; 148:5; Jes. 48:13; Rom. 4:17; 2 Cor. 4:6; Hebr.1:3; 11:3, stilt Jezus de zee, Mk. 4:39, geneest de kranken, Mt. 8:16, werpt de duivelen uit, Mt. 9:6, wekt de doden op, Luk. 7:14; 8:54; Joh. 5:25, 28; 11:43 enz.. Door het woord werkt Hij ook op zedelijk en geestelijk gebied.

Het woord, dat God bezigt om op zedelijk en geestelijk gebied zijn wil bekend te maken en te volbrengen, is in wet en Evangelie te onderscheiden. Als Jezus op aarde verschijnt, om de komst van het in het Oude Testament beloofde koninkrijk aan te kondigen, Mk. 1:16, om aan tollenaren en zondaren, aan armen en gevangenen het Evangelie van de vergeving en van de zaligheid te brengen, Mt. 5:1v; Mt. 11:6, 28-30; Luk. 4:18-19; 19:10 enz., komt Hij vanzelf in strijd met de farizese, nomistische opvatting van de religie, die er in zijn tijd heerste. Toch, al verwerpt Hij de menselijke inzettingen van de ouden, Mt. 5:21 v., Mt. 15:9, en al heeft Hij een andere opvatting van doodslag, Mt. 6:16, overspel, Mt. 5:27, eed, Mt. 5:33, vasten, Mt. 6:16 echtscheiding Mt. 19:9, sabbat, Mk. 2:27; Hij handhaaft de hele, wet, ook in haar ceremoniële bestanddelen, Mt. 5:23-24; 17:24-27; 23:2, 3, 23; Mk. 1:44; 11:16; Hij verklaart haar in haar geestelijke zin, Mt. 5-7, legt op haar ethische inhoud de nadruk, beschouwt de liefde tot God en de naaste als haar hoofdsom, Mt. 7:12; 9:13; 12:7; Mk. 7:15; 12:28-34, en verlangt een andere, overvloediger gerechtigheid dan die van de Farizeën, Mt. 5:20. Zelf heeft Hij, ofschoon meer dan de tempel, Mt.12:6 zich dan ook onder de wet gesteld, Mt 3:15, en is gekomen, om de wet en de profeten te vervullen, Mt. 5:17. En daarom weet Hij, dat, al dringt Hij nooit op afschaffing van de wet aan, zijn jongeren innerlijk vrij zijn van de wet, Mt. 17:26, dat zijn gemeente niet op de wet, maar op de belijdenis van zijn Messianiteit gegrond is, Mt. 16:18, dat in zijn bloed een nieuw verbond wordt gesticht, Mt. 26:28, dat in één woord de nieuwe wijn ook nieuwe lederzakken eist, Mt. 9:17, en de dagen van tempel en volk en wet zijn geteld, Mk. 13:2. Jezus wil geen revolutionaire omverwerping van de wettische bedeling van het Oude Verbond, maar een hervorming en vernieuwing, welke uit haar volkomen vervulling vanzelf geboren wordt6.

En zo is het ook feitelijk toegegaan. De gemeente te Jeruzalem hield zich in de eerste tijd nog aan tempel en wet, Hd. 2:46; 3:1; 10:14; 21:20; 22:12. Maar een nieuwe opvatting bereidde zich voor. Met de bekering van de Heidenen kwam de vraag aan de orde naar de betekenis van de Mozaïsche wet. En Paulus was de eerste die ten volle begreep, dat in de dood van Christus het handschrift van de wet was uitgewist, Col. 2:14. Paulus verstaat onder nomov, tenzij een nadere bepaling anders aanwijst, bijv. Rom. 3:27; Gal. 6:2, altijd de Mozaïsche wet, de hele thora, inbegrepen ook de ceremoniële geboden, Rom. 9:4; Gal. 2:12; 4:10; 5:3; Phil. 3:5-6. En hij beschouwt die wet niet, gelijk de brief aan de Hebreën, als onvolkomen, voorbereidende, Oudtestamentische bedeling van het genadeverbond, die verdwijnt, als de hogepriester en borg van het betere verbond gekomen is, maar als de openbaring van Gods wil, als religieus-ethische eis en vordering, als door God gewilde regeling van de verhouding tussen Hem en de mens. En van deze wet, zo opgevat, leert Paulus nu, dat ze wel heilig en goed is, en door God geschonken, Rom. 2:18; 7:22, 25; 9:4; 2 Cor. 3:3, 7, maar in plaats van, zoals de Farizeën beweerden, gerechtigheid te kunnen schenken, is ze krachteloos door het vlees, Rom. 8:3, prikkelt de begeerte, Rom. 7:7-8, vermeerdert de overtreding, Rom. 5:20; Gal. 3:19, bewerkt toorn, vloek en dood, Rom. 4:15; 2 Cor. 3:6; Gal. 3:10, en is slechts voor een tijd, om pedagogische redenen, tussen beide ingekomen, Rom. 5:20; Gal. 3:19, 24; 4:2-3. Daarom heeft dan nu ook die wet in Christus, het zaad van de belofte, haar einde bereikt, Rom. 10:4; de gelovige is vrij van de wet, Gal. 4:26v., Gal. 5:1, omdat Hij door Christus van de vloek van de wet verlost, Gal. 3:13; 4:5, en de Geest van het kindschap, de Geest van de vrijheid deelachtig is, Rom. 8:15; 2 Cor. 3:16-17; Gal. 5:18. Deze vrijheid van het geloof heft echter de wet niet op, maar bevestigt haar, Rom. 3:31, omdat haar recht juist in degenen, die wandelen naar de Geest, vervuld wordt, 8:4. Die Geest toch vernieuwt de gelovigen, zodat zij een lust hebben in Gods wet naar de inwendige mens en onderzoeken wat Gods heilige wil is, Rom. 7:22; 12:2; Ef. 5:10; Phil. 1:10, terwijl zij door allerlei drangredenen, de grote barmhartigheid van God, het voorbeeld van Christus, de dure prijs, waarvoor zij gekocht zijn, de gemeenschap van de Heilige Geest enz. tot het doen van Gods wil worden aangespoord7.

1 Calvijn, Inst. II 7-9 ev. Musculus, Loci Comm. par. 11.20. Junius, Theses Theol. par. 23. 24. Synopsis pur. theol. disp. 18. 22. 23,

2 Marck, Med. Theol. c, 11, 17 en vele anderen.

3 Verg. bijv. Conf. Belg. 24. Beid. Catech. vr. 65.

4 Heid. Catech. vr. 65. Verg. Luther bij Grützmacher t.a.p. bl. 26: non enim tantum nocet aut prodest scriptura quantum eloquium, cum vox est anima verbi.

5 Verg. Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 14 De Theopneustie van de Schrift; 108.

6 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 45 Het Verbond der Genade; 348.

7 Verg. over de wet in het N. T. o.a. Holtzmann, Neut. Theol. I 1 30 v., 22 v.. L. Jacob, Jesu Stellung zum mos. Gesetz. Gött. 1893. Grafe, Die Paulin. Lehre v. Gesetz2. Leipzig Mohr. 1893. Zehnpfund, Das Gesetz in den paulin. Briefen, Neue. Kirchl. Zeits. 1897 bl. 384-419. Art. nomov bij Cremer enz. Art. Law in Hastings DB en DOG. enz. Met deze houding, welke het Nieuwe Testament tegenover de wet aanneemt, staat de Christelijke vrijheid in verband, verg. Calvijn, Inst. III 19. Rivetus, Synopis pur. theol. disp. 35. De Moor, Comm. V 214-217. Joh. Weiss, Die Christl. Freiheit nach der Verkündigung des Ap. Paulus. Göttingen 1902. H. H. Kuyper, De Christelijke vrijheid. Kampen 1898.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept