Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

565. Reeds in het Oude Testament zijn er vele aan wijzingen voor een andere en betere verklaring, dan het Chiliasme van de profetische verwachtingen biedt. Zelfs de moderne geschiedbeschouwing van Israël erkent, dat het Jahvisme van de profeten door zijn zedelijk karakter zich onderscheidt van de natuurgodsdiensten en allengs aan de godsdienstige wetten en gebruiken onder Israël een geestelijke betekenis heeft geschonken. De ware besnijdenis is die van het hart, Deut.10:16; 30:6; Jer. 4:4; de offeranden, die Gode aangenaam zijn, zijn een gebroken hart en een verslagen geest, 1 Sam. 16:22; Ps. 40:7 [Ps. 40:6]; 50:8v., Ps. 51:19 [Ps. 51:17]; Hos. 6:6; Am. 5:21v., Mich. 6:6v., Jes. 1:11v., Jer. 6:20; 7:21v. enz.; het ware vasten is het losmaken van de strikken van de goddeloosheid, Jes. 58:3v., Jer.14:12; voor een groot deel is de strijd van de profeten tegen de uitwendige, eigengerechtigde cultus van het volk gericht. Het wezen van de bedeling van de toekomst bestaat dan ook daarin, dat de Heere een nieuw verbond met zijn volk zal oprichten, dat Hij hun een nieuw hart zal schenken en daarin zijn wet zal schrijven en dat Hij op allen zijn Geest zal uitstorten, zodat zij Hem liefhebben met hun hele hart en in zijn wegen wandelen, Deut. 30:6; Jer. 31:32; 32:38v., Ezech. 11:19; 36:26; Joël 2:28; Zach. 12:10. En wel wordt nu die toekomst geschilderd in beelden, aan de historische omstandigheden ontleend, zodat Zion en Jeruzalem, tempel en altaar, offerande en priesterschap daarin een grote plaats blijven innemen. Maar 1. bedenke men, dat ook wij hetzelfde doen en van God en Goddelijke zaken, van geestelijke en hemelse dingen niet anders kunnen spreken dan in aardse, zinnelijke vormen. De Oudtestamentische eredienst is door God ook daartoe ingesteld, opdat wij niet in eigengemaakte, maar in door Hemzelf ons gegeven, juiste beelden van de hemelse dingen naar waarheid zouden kunnen spreken. Het Nieuwe Testament neemt daarom ook dit spraakgebruik over en gewaagt in het toekomstige Godsrijk van Zion en Jeruzalem, van tempel en altaar, van profeten en priesters; het aardse is een beeld van het hemelse. Alles Vergängliche ist nur ein Gleichniss. Men vergete 2. niet, dat alle profetie poëzie is, die naar haar eigen natuur verklaard moet worden. De fout van de vroegere heersende exegese bestond niet in haar vergeestelijking zonder meer, maar wel daarin, dat zij alle tot illustratie dienende details in een geestelijke zin wilde omzetten en daarbij, evenals bij de gelijkenissen van Jezus, de hoofdgedachte dikwijls uit het oog verloor. Als er bijv. gezegd wordt, dat de Heere een rijsje verwekken zal uit de afgehouwen tronk van Isaï, dat Hij de berg Zions verheffen zal op de top van de bergen, dat Hij van de verbannenen één uit een stad en twee uit een geslacht zal wederbrengen, dat Hij rein water op allen sprengen en hen van hun zonden reinigen zal, dat Hij de bergen van zoete wijn zal doen druipen en de heuvelen zal doen vlieten van melk enz., dan voelt elk, dat hij hierin met een poëtische beschrijving te doen heeft, die niet letterlijk kan of mag worden opgevat. De realistische verklaring komt hier met zichzelf in strijd en miskent het karakter van de profetie. Ook is het 3. onjuist, dat de profeten zelf het onderscheid van zaak en beeld zich volstrekt niet bewust zouden geweest zijn. Niet alleen zijn de bovengenoemde poëtische omschrijvingen zonder twijfel door de profeten als beeld opgevat, maar met de namen voor Sodom, Gomorra, Edom, Moab, Filistea, Egypte, Assur, Babel duiden zij meermalen de macht van de Heidenwereld aan, die eens aan Israël onderworpen zal worden en in zijn zegeningen zal delen, Ob. 16-17; Jes. 34:5; Ezech. 16:46v., Dan. 2:7v., Zach.14:21. Zion is dikwijls de naam voor het volk, voor de gemeente Gods, Jes. 49:14; 50:1; 51:3; 52:1; 54:1. En al kan de Oudtestamentische profetie zich het toekomstige Godsrijk niet voorstellen zonder tempel en offerande, toch gaat zij telkens boven alle nationale en aardse verhoudingen uit en verkondigt zij, dat er geen ark van het verbond meer wezen zal, omdat heel Jeruzalem Gods troon is, Jer. 3:16-17, dat het rijk van de Messias eeuwig zal zijn en de hele wereld omvatten, Ps. 2:8; 72:8, 17, Dan. 2:44, dat alle inwoners profeten en priesters zullen zijn, Jes. 54:13; 61:6; Jer. 31:31, dat alle onreinheid en zonde, alle ziekte en dood er gebannen zal zijn, Jes. 25:8; 33:24; 52:1, 11; Zach. 14:20-21; Ps. 104:35, dat het gesticht zal worden in een nieuwe hemel en op een nieuwe aarde, en geen zon of maan meer nodig zal hebben, Jes. 60:19-20; 65:17; 66:22. Zelfs het realistische toekomstbeeld van Ezechiël bevat elementen, die een symbolische verklaring noodzakelijk maken; de gelijke delen, die aan alle stammen, schoon zeer onderscheiden in getalsterkte, worden toegewezen; de afgepaste stroken, die voor priesters, Levieten en vorst bestemd zijn; de scheiding van tempel en stad, de hoge ligging van de tempel op een berg en de beek, die van onder de dorpel van de oostelijke tempeldeur naar de dode zee stroomt; en tenslotte de kunstmatige ineenzetting en de praktische onuitvoerbaarheid, zij verzetten zich tegen een zogenaamd realistische uitlegging. Eindelijk 4. is het bij de exegese van het Oude Testament de vraag niet, of de profeten zich geheel of ten dele bewust waren van het symbolisch karakter van hun voorspellingen, want zelfs in het woord van klassieke schrijvers ligt meer, dan zijzelf erbij gedacht of ermee bedoeld hebben. Maar wel is het de vraag, wat de Geest van Christus, die in hen was, ermee betuigen en openbaren wilde. Dat nu wordt uitgemaakt door het Nieuwe Testament, dat de voltooiing, de vervulling en daarom de verklaring van het Oude is, want in de vrucht wordt de natuur van de boom openbaar. Zelfs de moderne kritiek erkent, dat niet het Jodendom, maar het Christendom de volle verwezenlijking is van de religie van de profeten.

Hierover kan toch geen twijfel bestaan, dat het Nieuwe Testament zichzelf beschouwt als de geestelijke en dus als de volkomen en waarachtige vervulling van het Oude Testament. Het vergeestelijken van het Oude Testament, mits in goede zin verstaan, is niet een uitvindsel van de Christelijke theologie, maar heeft in het Nieuwe Testament zelf een aanvang genomen. Het vergeestelijkte Oude Testament, dat is, het Oude Testament van zijn tijdelijke, zinnelijke vorm ontdaan, is het Nieuwe Testament. De eigenaardigheid van de oude bedeling was juist, dat het verbond van de genade onder aanschouwelijke beelden voorgesteld en in nationale, zinnelijke vormen ingekleed werd. Zonde werd gesymboliseerd in de levietische onreinheid. Verzoening kwam tot stand door de offerande van een geslacht dier. Reiniging werd afgeschaduwd in lichamelijke wassingen. Gemeenschap met God was gebonden aan het opgaan naar Jeruzalem. Behoefte aan Gods gunst en nabijheid uitte zich in een verlangen naar zijn voorhoven. Het eeuwige leven werd gedacht als een lang leven op aarde enz. Al het geestelijke, hemelse en eeuwige werd overeenkomstig de vatbaarheid van Israël, dat als kind onder de tucht van de wet was gesteld, in aardse schaduwen gehuld. Ofschoon de grote massa van het volk dikwijls bij die uitwendige vormen staan bleef, evenals vele Christenen in het sacrament aan het teken blijven hangen, drongen de vrome Israëlieten met hun harten wel tot de geestelijke kern door, die in de schaal verborgen was, maar toch zagen ook zij dat geestelijke niet anders dan in schaduw en beeld. Daarom zegt het Nieuwe Testament, dat het Oude was skia twn mellontwn, to de swma cristou, Col. 2:17, upodeigma kai skia twv epouraniwn, Hebr. 8:5. De schaduw is het lichaam niet, maar wijst toch heen naar het lichaam, en valt weg, als dit zelf gekomen is. Het Nieuwe Testament is de waarheid, het wezen, de kern, de eigenlijke inhoud van het Oude Testament; Vetus Test. in Novo patet, Novum Testament in Vetere latet. Daarom is er in het Nieuwe Testament zo telkens van de waarheid sprake. Tegenover de wet, die door Mozes is gegeven, staat de waarheid, die in Jezus Christus geworden is, Job. 1:14, 17. Hij is de waarheid, Joh. 14:6; de Geest, die Hij uitzond, is de Geest van de waarheid, Joh. 16:13; 1 Joh. 5:6; het woord van God, dat Hij predikte, is het woord der waarheid, Joh. 17:17; het onder het Oude Testament beloofde en afgeschaduwde heilgoed is in Christus als eeuwige, waarachtige realiteit voor allen openbaar geworden; alle beloften Gods zijn in Hem ja en amen, 2 Cor. 1:20; het Oude Testament is niet afgeschaft, maar is in de nieuwe bedeling tot zijn vervulling gekomen en komt daarin nog altijd door tot vervulling, tot op de parousie van Christus toe. Christus is daarom de ware profeet, priester en koning; de echte knecht des Heeren, het ware zoenoffer, Rom. 3:25, de ware besnijdenis, Col. 2:11, het ware pascha, 1 Cor. 5:7, de waarachtige offerande, Ef. 5:2, en zijn gemeente is het ware zaad van Abraham, het ware Israël, het ware volk van God, Mt. 1:21; Luk. 1:17; Rom. 9:25-26; 2 Cor. 6:16-18; Gal. 3:29; Tit. 2:14; Hebr. 8:8-10; Jak. 1:1, 18; 1 Petr. 2:9; Op. 21:3, 12, de ware tempel van God, 1 Cor. 3:16; 2 Cor. 6:16, Ef. 2:22; 2 Thess. 2:4; Hebr. 8:2, het ware Zion en Jeruzalem, Gal. 4:26; Hebr. 12:22; Op. 3:12; 21:2, 10; haar geestelijke offerande is de ware godsdienst, Joh. 4:24; Rom. 12:1; Phil. 3:3; 4:181. Alle begrippen van het Oude Testament leggen hun uitwendige, nationaal-israëlitische betekenis af en worden in hun geestelijke, eeuwige zin openbaar; het Semietische behoeft niet meer door ons, gelijk Bunsen wilde, in het Japhetische te worden overgezet; het Nieuwe Testament zelf heeft aan de particularistische ideeën van het Oude Testament een universalistische, kosmische betekenis gegeven. Geheel verkeerd is dus de beschouwing van het Chiliasme, volgens welke het Nieuwe Testament met de gemeente uit de Heidenen een intermezzo is, een zijweg, die door God is ingeslagen, omdat Israël zijn Messias verwierp, zodat de eigenlijke voortzetting en vervulling van het Oude Testament eerst bij de tweede komst van Christus een aanvang zou nemen. Veeleer is het omgekeerde waar. Niet het Nieuwe, maar het Oude Testament is een tusschenbedrijf. Het verbond met Israël is tijdelijk, de wet is tussen de belofte aan Abraham en haar vervulling in Christus ingeschoven, opdat zij de misdaad vermeerderen en als een tuchtmeester tot Christus opleiden zou, Rom. 5:20; Gal. 3:19. Daarom gaat Paulus altijd tot Abraham terug, Rom. 4:11v., Gal. 3:6v., en knoopt aan de belofte, die tot hem is geschied, zijn Evangelie vast. Abraham is de vader van de gelovigen, van alle gelovigen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de Heidenen, Rom. 4:11; de kinderen van de belofte zijn zijn zaad, Rom. 2:6-8; de zegening van Abraham komt in Christus tot de Heidenen, Gal. 3:14; wie van Christus zijn, zijn Abrahams zaad en naar de beloftenis erfgenamen, Gal. 3:29. Het volk van Israël is in de dagen van het Oude Testament tijdelijk verkoren, opdat het heil straks in de volheid van de tijd aanheel de wereld ten goede zou komen. Israël is niet verkoren tot schade, maar ten bate van de volken. De belofte aan Adam en Noach had van haar eerste begin af een universalistische strekking en heeft deze, na haar tijdelijke, wettische gedaante onder Israël te hebben afgelegd, in Christus ten volle voor alle natiën geopenbaard. Het voorhangsel is gescheurd, de scheidsmuur is gevallen, het handschrift van de wet is aan het kruis genageld; en nu zijn de gelovigen uit de Heidenen met die uit de Joden medeërfgenamen, medeburgers en heiligen, huisgenoten van God, nabij geworden in Christus, en op hetzelfde fundament van apostelen en profeten gebouwd, Ef. 1:9-11, 2:11-22. Het Nieuwe Testament is daarom geen intermezzo of tussenbedrijf, geen zijweg en afbuiging van de lijn van het Oude Verbond, maar het lang te voren beoogde doel, de directe voortzetting, de waarachtige vervulling van het Oude Testament. Het Chiliasme, anders oordelende, komt met het Christendom zelf in conflict. Principiëel beschouwd, is het met het Judaisme één en moet er toe komen, om aan het Christendom, aan de historische persoon van Christus, aan zijn lijden en sterven, een tijdelijke, voorbijgaande waarde toe te kennen en de eigenlijke zaligheid eerst te verwachten van Christus’ tweede komst, van zijn verschijning in heerlijkheid. Evenals het Judaïsme, maakt het het geestelijke aan het stoffelijke, het ethische aan het fysieke ondergeschikt, stijft de Joden in hun vleselijke gezindheid, verontschuldigt hun verwerping van de Messias, verzwaart het deksel, dat op hun aangezicht ligt bij het lezen van het Oude Testament, en bevordert de inbeelding, dat de vleselijke afstammeling van Abraham nog als zodanig een prerogatief zal hebben in het koninkrijk van de hemelen. De Schrift echter zegt, dat de ware lezing en verklaring van het Oude Testament te vinden is bij hem, die tot de Heere Christus is bekeerd, 2 Cor. 3:14-16, dat die een Jood is, die het in het verborgene is en de besnijdenis van het hart deelachtig, Rom. 2:29, dat er in Christus geen man of vrouw, geen Jood of Griek is, maar dat zij allen één zijn in Christus Jezus, 1 Cor.12:13; Gal. 3:28; Col. 3:11. De Jood, die Christen wordt, was niet maar werd door zijn geloof een kind van Abraham, Gal. 3:292.

1 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 46 De Persoon van Christus; 360.

2 Verg. tegen het Chiliasme o.a. Augustinus, de civ. Dei XX c. 6-9. Luther bij Köstlin II 564 v. Gerhard, Loc. XXIX c. 7. Quenstedt, Theol. IV 649. Calvijn, Inst. III 25, 5. Walaeus, Op. I 537-554. Voetius, Disp. II 1248-1272. Turretinus, Theol. El. XX qu. 3. De Moor, Comm. VI 149-162. Hengstenberg in zijn comm. op de Openb: v. Joh. Keil op Ezechiël 1868 bl. 495 v. Kliefoth, Eschatologie 1886 bl. 147 v. Philippi, Kirchl. Gl. VI 214 v. Hodge, Syst. Theol. III 805-812. 861-866. Warfield, The Millennium and the Apocalypse, The Princeton Theol. Rev. Oct. 1904 bl. 599-617. G. Vos, The Pauline Eschatology and Chiliasm. ib. Jan. 1911 bl. 26-60. Kuyper, Heraut 981-1003, H. Hoekstra, Het Chiliasme. Kampen 1903.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept