Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 62. De Voleinding van de Eeuwen.

Voor de literatuur zij verwezen naar de beide vorige paragrafen en naar de speciale onderwerpen: opstanding, gericht enz. in deze paragraaf.

572. Met de verschijning van Christus op de wolken begint de hwhy Mwy, h hmera tou kuriou hmwn ihsou ceistou, Mt. 24:36v., Luk. 17:24v., Luk. 21:34, Hd.17:30, 1 Cor.1:8; 5:5 enz. De Schrift wil daarmee geenszins te kennen geven, dat al wat tot de laatste dingen behoort, wederkomst, opstanding, gericht enz., in een tijdruimte van twaalf of vierentwintig uren afloopt. Onder het Oude Testament was de dag des Heeren die tijd, waarin God op wonderbaar heerlijke wijze als koning tot zijn volk zou komen, om het van al zijn vijanden te verlossen en het bij zich in Jeruzalem in vrede en veiligheid te doen wonen. Met dat komen van God trad het grote keerpunt in, waarbij de oude tijd in de nieuwe overging en alle toestanden en verhoudingen in natuur en mensenwereld geheel en al veranderen zouden. Later werd dit door de Joden zo voorgesteld, dat met de dag des Heeren de tegenwoordige wereldtijd, hzh Mlwe, overging in de toekomstige, abh Mlwe, die dan dikwijls nog weer nader in de drie geslachten of in de 40 of 100 of 600 of 1000 of 2000 of 7000 jaren durende dagen van de Messias, xyvmh twmy, en de daarna intredende eeuwigheid, abh Mlwe of abh dwte onderscheiden werd1. Volgens het Nieuwe Testament heeft met de eerste komst van Christus het laatste gedeelte van de aiwn outov een aanvang genomen, zodat wij nu leven in de laatste dagen of in de laatste ure, 1 Cor.10:11; Hebr. 1:1; 9:26; Joh. 2:18 en treedt met zijn tweede komst de aiwn mellwn in, Mt.19:28; Mk. 10:30; Luk. 18:30; 20:35; 1 Cor.15:23; Hebr. 2:5 enz. En deze aiwn mellwn begint met de hmera tou kuriou, dat is de tijd, waarin Christus verschijnt, de doden opwekt, het oordeel velt en de wereld vernieuwt. Deze tijd wordt in het Nieuwe Testament nergens voorgesteld als lang te zullen duren; Paulus zegt 1 Cor. 15:52, dat de verandering van de levend overgeblevenen en de opstanding van de gestorven gelovigen in een punt des tijds, in een ogenblik plaats hebben zal, cf. 1 Thess. 4:15-17; opstanding en laatste oordeel worden ten nauwste, als tot één akte, verbonden, Luk. 14:14; 2 Cor. 4:14; Op. 20:11-13; en het oordeel wordt op een dag, Mt. 10:16; 11:22 enz., ja zelfs op een ure gesteld, Op. 14:7. Maar deze laatste bepaling bewijst, dat de Schrift er niet aan denkt, om al de gebeurtenissen in de parousie van Christus, precies binnen een ruimte van vierentwintig uren of van zestig minuten te beperken; wra, oorspr. jaargetijde, duidt dikwijls een veel langere tijd dan een uur van zestig minuten aan, Mt. 26:46; Joh. 4:21; 5:25; 16:2, 32; Rom. 13:11; 1 Joh. 2:18, De gebeurtenissent welke in de parousie van Christus moeten plaatsgrijpen, zijn ook zo omvangrijk, dat zij zeker een geruime tijd in beslag nemen. De uitvindingen van deze eeuw hebben voor het onderling verkeer, voor de oefening van gemeenschap, voor het horen en zien van wat in grote verte geschiedt, de afstanden tot een minimum doen inkrimpen; en ze zijn waarschijnlijk nog maar aanvang en profetie van wat in volgende eeuwen ontdekt worden zal. Maar hoezeer met dit alles ook bij de leer van de laatste dingen rekening behoort gehouden te worden; toch zijn verschijning van Christus, zodat allen Hem zien, opstanding van alle doden en verandering van de levend overgeblevenen, oordeelvelling over alle mensen naar al hun werken, verbranding en vernieuwing van de wereld zulke ontzettende gebeurtenissen, dat zij niet anders dan in zeker tijdsverloop plaats kunnen hebben.

De eerste gebeurtenis, die op de verschijning van Christus volgt, is de opstanding van de doden. Deze is niet het resultaat van een ontwikkeling van de lichamen in het algemeen, of in het bijzonder van het in de gelovigen door wedergeboorte en sacrament ingeplante opstandingslichaam, maar de uitwerking van een almachtige, scheppende daad van God, Mt. 22:29; 1 Cor. 6:14; 15:38; 2 Cor. 1:9. Bepaaldelijk oefent de Vader dit werk uit door de Zoont aan wie Hij gegeven heeft het leven te hebben in zichzelf, Joh. 5:28; 6:29, 40, 44; 1 Cor. 6:14; 2 Cor. 4:14; 1 Thess. 4:14, die de opstanding en het leven, de eerstgeborene uit de doden is, Joh. 11:25; Hd. 16:23; 1 Cor. 15:20; Col. 1:18; Op. 1:5, en daarom de opstanding van de zijnen noodzakelijk tot stand moet doen komen, Joh. 6:39-40; 1 Cor.15:20-23, 47-49. De Schrift leert zonder twijfel een algemene opstanding, een opstanding van gelovigen niet alleen maar ook van ongelovigen en van alle mensen, Dan.12:2; Mt. 5:29-30; 10:28; Joh. 5:29; Hd. 24: 15; Op. 20:12-13, en zij schrijft ook deze aan Christus toe, Joh. 5:29. Maar zij spreekt over deze algemene opstanding toch zeer zelden, omdat zij tot Christus in een heel ander verband staat dan de opstanding van de gelovigen. De opstanding van de doden in het algemeen is toch niet dan zijdelings een vrucht van het werk van Christus; zij is alleen noodzakelijk geworden, omdat de tijdelijke dood is ingetreden; en deze is van de eeuwige dood gescheiden geworden, omdat God met zijn genade tussenbeide kwam. De straf op de zonde was oorspronkelijk de dood, de dood in zijn volle omgang en zwaarte. Maar omdat God uit het gevallen menselijk geslacht zich een gemeente ten eeuwige leven verkoren had, stelde hij terstond bij Adam en Eva de tijdelijke dood reeds uit, liet Hij hen zich voortplanten van geslacht tot geslacht en verwijst eerst aan het einde van de eeuwen hen, die zijn wet en Evangelie ongehoorzaam zijn, naar het eeuwig verderf. De algemene opstanding dient dus alleen, om de ter wille van de genade in Christus tussen beide gekomen, tijdelijke verbreking van de band tussen ziel en lichaam bij alle mensen te herstellen en hen allen als mensen, naar ziel en lichaam samen, voor Gods rechterstoel te plaatsen en hen uit zijn mond het oordeel te doen vernemen. Ook deze algemene opstanding brengt de Vader door Christus tot stand, omdat Hij niet alleen het leven maar ook het oordeel aan de Zoon heeft gegeven en dit oordeel de hele mens moet treffen, naar ziel en lichaam beide, Joh. 5:27-29. De opstanding van de doden in het algemeen is dus in de eerste plaats een richterlijke daad van God. Maar deze daad is voor de gelovigen vol van rijke vertroosting. En daarom staat in de Schrift de opstanding van de gemeente allerwege op de voorgrond, zozeer zelfs, dat de opstanding van alle mensen soms geheel ter zijde gelaten en verzwegen wordt, Job 19:25-27; Ps. 73:23-26; Hos. 6:2; 13:14; Jes. 26:19-20; Ezech. 37; Mk. 12:25; 1 Cor. 15; 1 Thess. 4:16; Phil. 3:11. Deze opstanding is de eigenlijke, ware opstanding en is rechtstreeks door Christus verworven, want zij is niet maar een hereniging van ziel en lichaam, maar een levendmaking, een vernieuwing, een terstond naar ziel en lichaam beide in gemeenschap treden met Christus, een herschapen worden naar Gods evenbeeld, Rom. 8:11, 29; Phil. 3:21. Daarom laat Paulus de opstanding van de gelovigen samenvallen met de verandering van de levend overgeblevenen; de laatsten hebben bij de eersten niets voor, want het opstaan gaat aan het veranderd worden vooraf, en samen worden zij dan de Heere tegemoet gevoerd in de lucht, 1 Cor. 15:51-52; 2 Cor. 5:2,4; 1 Thess. 4:15-17.

Bij deze opstanding blijft de identiteit van het opstandingslichaam met het gestorven lichaam bewaard. Bij de opwekkingen, die in Oude en Nieuwe Testament plaats vinden, wordt het gestorven lichaam met nieuw leven bezield. Jezus staat op met datzelfde lichaam, waarin Hij geleden heeft aan het kruis en dat neergelegd was in het graf van Jozef van Arimathea. Toen Jezus stierf, werden vele lichamen van de heiligen opgewekt en gingen uit hun graven, Mt. 27:52. In de opstanding ten jongste dage zullen allen, die in de graven zijn, Jezus’ stem horen en uitgaan, Joh. 5:28-29; uit de graven, uit de zee, uit de dood en de hades keren de doden naar de aarde terug, Op. 20:13. En Paulus leert, dat het opstandingslichaam voortkomt uit het lichaam, dat gestorven is, gelijk God uit het gezaaide graan een ander verwekt, 1 Cor. 15:36v. Deze identiteit van het opstandingslichaam met het lichaam, dat bij de dood werd afgelegd, is in de Christelijke religie van grote betekenis. Want ten eerste staat zij daarmee lijnrecht tegenover alle dualistische leer, volgens welke het lichaam slechts een toevallige woonplaats of zelfs een kerker van de ziel is. Het wezen van de mens bestaat juist in de allernauwste vereniging van ziel en lichaam tot één persoonlijkheid. De ziel behoort van nature bij het lichaam en het lichaam bij de ziel; zelfs heeft elke ziel, ofschoon zij zich niet zelf het lichaam schept, toch haar eigen lichaam. In de identiteit van het lichaam wordt evengoed als in die van de ziel de continuïteit van het individuele, menselijke wezen gehandhaafd. En ten andere is de verlossing door Christus geen tweede, nieuwe schepping maar een herschepping. Veel eenvoudiger was het geweest, als God heel de gevallen wereld vernietigd en door een heel nieuwe vervangen had. Maar het was zijn welbehagen, om de gevallen wereld weer op te richten, en dezelfde mensheid, die gezondigd had, van de zonde te bevrijden. Deze bevrijding bestaat daarin, dat Christus zijn gemeente van alle zonde en van alle gevolgen van de zonde verlost, en dus ook volkomen doet triomferen over de dood. Dat is de laatste vijand, die teniet gedaan moet worden. En daarin komt de macht van Christus uit, dat Hij niet alleen aan de zijnen het eeuwige leven geeft, maar hen dientengevolge ook opwekt ten uiterste dage. De wedergeboorte uit water en Geest voltooit zich in de wedergeboorte van alle dingen, Mt. 19:28. De geestelijke verlossing van de zonde wordt eerst voleindigd in de lichamelijke verlossing aan het einde van de dagen. Christus is een volkomen Zaligmaker; zoals Hij eerst verscheen, om het koninkrijk van de hemelen op te richten in de harten van de gelovigen, zo komt Hij eenmaal weer, om het een zichtbare gedaante te geven en zijn absolute macht over zonde en dood onwedersprekelijk voor het oog van alle schepselen tot openbaring en erkenning te brengen. Leiblichkeit ist das Ende der Wege Gottes. De zorg voor de doden staat hiermee in rechtstreeks verband. Lijkenverbranding is niet daarom te verwerpen, omdat zij aan Gods almacht paal en perk zou stellen en de opstanding onmogelijk zou maken. Maar zij is toch van heidense oorsprong, was onder Israël en bij de Christenvolken nooit in gebruik en strijdt met de Christelijke zede. Daarentegen is begraven veel meer in overeenstemming met Schrift en belijdenis, historie en liturgie, met de leer van het beeld van God, dat ook in het lichaam uitkomt, en van de dood als een straf van de zonde, met de aan de doden verschuldigden eerbied en de opstanding ten jongste dage. De Christen conserveert de lijken niet kunstmatig, zoals de Egyptenaren; hij vernielt ze ook niet mechanisch, zoals thans velen begeren, maar hij vertrouwt ze aan de schoot van de aarde toe, en laat ze rusten tot de opstandingsdag2.

De Christelijke kerk en theologie hield dan ook de identiteit van het opstandingslichaam met het gestorven lichaam ten strengste vast. Zelfs sloeg zij dikwijls tot een ander uiterste over en beleed niet alleen een opstanding van het vlees, maar leerde soms, dat de totalitas materiae, welke bij een lichaam behoord had, in de opstanding door God uit alle hoeken van de aarde samenvergaderd en in dezelfde wijze en mate als weleer tot de verschillende delen van het lichaam teruggeleid werd3. Maar deze voorstelling stuit op onoverkomelijke bezwaren. Want 1. leidt zij tot allerlei spitsvondige en curieuse onderzoekingen, die voor de leer van de opstanding van geen waarde zijn. De vraag wordt dan, of haren en nagels, bloed en gal, semen en urina, intestina en genitalia zullen opstaan en uit dezelfde, in getal en soort gelijke, atomen zullen gevormd worden als waaruit zij hier in de lichamen bestonden. Met gebrekkige mensen, die een of meer ledematen misten, en met kinderen, die jong en soms al vóór de geboorte stierven, kwam men door deze voorstelling in niet geringe verlegenheid; men moest toch, of men wilde of niet, in al deze en soortgelijke gevallen tot de veronderstelling de toevlucht nemen, dat de opstandingslichamen aangevuld werden door bestanddelen, die er vroeger niet toe behoorden. De opstanding kan zo niet bestaan in terugkeer en levendmaking van de totalitas materiae. 2. De fysiologie leert, dat het menselijk lichaam evenals alle organismen aan voortdurende stofwisseling onderhevig is, zodat na zeven jaren geen enkel stofdeeltje meer aanwezig is van die, welke vóór die tijd de substantie van het lichaam vormden. De stoffen, waaruit onze lichamen bestaan, zoals zuur-, water-, stikstof enz., zijn dezelfde in soort, als die in andere schepselen rondom ons voorkomen, maar zij wisselen onophoudelijk; en deze wisseling bewijst afdoende, dat de identiteit van de lichamen niet daarin gelegen kan zijn, dat zij steeds uit dezelfde stoffen in getal bestaan. Het is genoeg, dat zij bestaan uit dezelfde stoffen in soort. 3. Dit wordt versterkt door de velerlei metamorfosen, welke de natuur in al haar rijken te aanschouwen geeft. Door inwerking van lucht, water enz. gaan planten over in turf en steenkool, koolstof in diamant, klei in kleisteen en gesteente in vruchtbare aarde. In planten- en dierenrijk is er binnen de grenzen van de soorten een eindeloze variëteit. En elk organisme ondergaat in de tijd van zijn bestaan een reeks van veranderingen; de made wordt een vlieg, elke larve gaat uit de onontwikkelde toestand in een meer ontwikkelde over, het embryo doorloopt verschillende fasen en komt dan tot een exuterinaal bestaan, de rups wordt een pop en daarna een vlinder enz. Wat onder al deze gedaanteverwisselingen hetzelfde blijft, weten wij niet. Stof en vorm veranderen, er schijnt in heel het organisme niets stabiels te zijn; en toch blijft de identiteit gehandhaafd, die daarom van de grove stofmassa, van haar wisseling en kwantiteit onafhankelijk is.

1 Weber, Syst. 354.

2 Kuyper, Ons Program bl. 802 v. Sartorius, Die Leichenverbrennung innerhalb der Christl. Kirche. Basel 1886. Groenen, Lijkverbranding. Utrecht 1910.

3 Irenaeus, adv. haer. V 12, 13. Augustinus, Enchir. 26. de civ. XX 4. 13 v. Thomas, s. Theol. III qu. 75-86 enz.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept