Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

574. Na de opstanding volgt het gericht, dat in het Oude Testament voorgesteld wordt als een overwinning door de Messias van alle vijanden van Israël, maar in het Nieuwe Testament meer geestelijk beschreven wordt als een richterlijk werk van Christus, waarbij Hij alle mensen oordeelt en vonnist overeenkomstig de wet, door God hun gegeven. Jezus toch is de eerste maal op aarde gekomen, niet om de wereld te veroordelen maar om haar te behouden, Joh. 3:17; 12:47; maar toch heeft Hij terstond bij zijn verschijning een krisiv in het leven geroepen, die tot gevolg en tot doel heeft, dat degenen, die niet zien, zien mogen en die zien, blind worden, Joh. 3:19-20; 9:39. Jezus houdt voortdurend als Zoon des mensen gericht, als Hij aan degenen, die geloven, reeds hier op aarde het eeuwige leven schenkt en op hen, die niet geloven, de toorn van God laat rusten, Joh. 3:36; 5:32-27. Er is dus ongetwijfeld een inwendig, geestelijk oordeel; een crisis, die zich voltrekt van geslacht tot geslacht; een immanent, diesseitig gericht, dat in de gewetens van de mensen gespannen wordt. Geloof en ongeloof brengen reeds hier op aarde hun vrucht en hun loon mee; zoals het geloof gevolgd wordt door rechtvaardigmaking en vrede bij God, zo leidt het ongeloof tot voortgaande verduistering en verharding en tot overgave aan allerlei ongerechtigheid. Ja zelfs buiten de tegenstelling van geloof en ongeloof dragen deugd en ondeugd elk haar eigen vruchten; het goede en het kwade heeft ook in het natuurlijk leven zijn eigen loon, niet alleen in de ontschuldiging of beschuldiging van het geweten, maar ook in de uitwendigen voor- of tegenspoed, die er dikwijls mee verbonden zijn. Schrift en geschiedenis leren het bovendien als om strijd, dat zegen en vloek, ontferming en toorn, gunstbewijzen en gerichten elkaar afwisselen in het leven van de mensen en van de volken. Er ligt een grote waarheid in het woord van de dichter: die Weltgeschichte is das Weltgericht.

Maar toch is in deze spreuk de waarheid met de leugen vermengd. Zij is niet theïstisch maar pantheïstisch gedacht, en ondermijnt alle gericht, in plaats dat zij het bevestigt en hoog houdt. Immers, indien de wereldgeschiedenis het wereldgericht is, houdt zij ten enemale op een gericht te zijn en wordt zij een natuurproces, dat om de ontzaglijke tegenstelling van goed en kwaad in het geheel zich niet bekommert en deze tot de verborgen schuilhoek van het geweten, en ook daar nog maar voor een tijd, terugdringt. Er is dan immers geen God meer, die de natuurorde aan de zedelijke orde dienstbaar kan maken, maar er is niets anders dan een natuurmacht, die heel de fysieke wereld beheerst en straks ook dat beperkte terrein, dat aanvankelijk voor de zedelijke heerschappij van het goede nog werd ingeruimd, inkrimpt en verdwijnen doet. Want het goede is geen macht, die tegen de natuur bestand is, indien het zijn steun niet heeft in een almachtig God, die Schepper is van natuur en zedelijke orde beide. Wel brengt het pantheïsme hiertegen altijd weer in, dat het goede toch om zichzelf en niet uit hoop op loon of uit vrees voor straf gedaan moet worden. Maar het verlangen van de ziel naar de triomf van het goede, naar de zegepraal van het recht, heeft hoegenaamd niets gemeen met de zelfzuchtige wens naar aards geluk en zinnelijke bevrediging. Integendeel, hoezeer de Schrift ermee rekent, dat de mens een zinnelijk wezen is, en hem een loon voorspiegelt, groot in de hemelen; dat loon is altijd aan de eer van Gods naam ondergeschikt en met de goede werken, waarin de gelovigen wandelen, door Christus verworven. Het zijn juist de vromen, die reikhalzend naar die dag uitzien, waarin God zijn naam voor het oog van alle schepselen verheerlijkt en in hun zaak de zijne over allen tegenstand doet triomferen. En dit verlangen wordt des te sterker, naarmate het bloed, dat om wraak roept, in breder en dieper stroom over de aarde vloeit, naarmate het onrecht zegeviert, de goddeloosheid toeneemt, de leugen triomfeert en Satans rijk zich uitbreidt en tegen het rijk van de gerechtigheid zich verheft. Heel de geschiedenis roept om een wereldgericht; het hele schepsel zucht er naar; alle volken getuigen ervan; de martelaren in de hemel roepen erom met grote stem; de gemeente bidt om de komst van Christus; en Christus zelf, die de Alfa en de Omega is, zegt: Zie, Ik kom haastelijk en mijn loon is met mij, om een iegelijk te vergelden naar zijn werk. Hoezeer de Schrift dus, vooral in het Evangelie van Johannes, een geestelijk, in de geschiedenis doorlopend gericht erkent, zij spreekt toch allerwege ook van een eindgericht, dat het rijk van Christus triomferen doet over alle ongerechtigheid. De wereldgeschiedenis mag een wereldgericht zijn; het wereldgericht heeft plaats aan het einde van de dagen, als Christus komt om te oordelen de levenden en de doden.

Meermalen schrijft de Heilige Schrift daarbij aan de Vader het oordeel toe, Mt.18:35; 2 Thess. 1:5; Hebr.11:6; Jak. 4:12; 1 Petr. 1:17; 2:23; Op. 20:11-12; maar Hij oefent dit werk toch uit door Christus, aan wie Hij al het oordeel gegeven, die Hij tot Rechter aangesteld heeft, Joh. 5:22, 27; Hd. 10:42; 17:31; Rom. 14:9, en die daarom eenmaal alle mensen voor zijn rechterstoel dagen en naar hun werken oordelen zal, Mt. 25:32; Rom. 14:9-13; 2 Cor. 5:10; 2 Tim. 4:1,8; 1 Petr. 4:5; Op. 19:11-21. Christus is immers de Zoon des mensen, die door zijn verschijning reeds een crisis teweegbracht, die haar voortzet in de geschiedenis en aan het einde der dagen voltooit. De verhouding tot Hem bepaalt het eeuwig wel of wee van de mens; in het gericht over levenden en doden viert Hij zijn hoogsten triomf en bereikt Hij de voleinding van zijn rijk en de volkomen onderwerping van al zijn vijanden. Daarom is de hoofdvraag bij het laatste oordeel ook die naar geloof of ongeloof. Geloof in Christus is toch het werk van God bij uitnemendheid, Joh. 6:29; 1 Joh. 3:23. Wie gelooft, komt niet in het gericht, Joh. 5:24, en wie niet gelooft, is alreeds geoordeeld en blijft onder Gods toorn, Joh. 3:18, 36. Maatstaf in het eindgericht is dus in de eerste plaats het Evangelie, Joh.12:48. Maar dat Evangelie staat niet tegenover en is zelfs niet los te denken van de wet; de eis tot geloof is immers zelf reeds in de wet gegrond, en het Evangelie is de herstelling en vervulling van de wet. Daarom komen bij het eindgericht ook al de werken in aanmerking, welke door de mensen volbracht en in de boeken voor Gods aangezicht opgetekend zijn, Pred. 12:14; 2 Cor. 5:10; Ef. 6:8; 1 Petr. 1:17; Op. 20:12; 22:12. Die werken toch zijn uitingen en vruchten van het levensbeginsel, dat binnen in het hart woont, Mt. 7:17; 12:33; Luk. 6:44, en omvatten alles wat door de mens, niet in de tussentoestand, maar in zijn lichaam geschied is, niet alleen de daden, Mt. 25:35v, Mk. 9:41-42; Luk. 6:35; 14:13-14; 1 Cor. 3:8; 1 Thess. 4:6 enz., maar ook de woorden, Mt. 12:36, en de verborgen raadslagen van het hart, Rom. 2:16; 1 Cor. 4:5, want er blijft niets verborgen en alles wordt openbaar, Mt. 6:4, 6, 18; 10:26; Ef. 5:11-14; 1 Tim. 5:24-25. Norma is dus in het eindgericht het hele woord van God, naar zijn beide delen: wet en Evangelie. Maar daarbij zegt de Schrift toch duidelijk, dat rekening gehouden zal worden met de mate van de openbaring, welke iemand ten deel is gevallen. Die de wil van de Heere kenden en niet deden, zullen met dubbele slagen geslagen worden, Luk. 12:47. Het zal Tyrus en Sidon in de dag van het oordeel verdragelijker zijn dan Jeruzalem en Kapernaüm, Mt. 10:15; 11:22, 24; Mk. 6:11; Luk. 10:12, 14; Hebr. 2:3. Wie het Evangelie niet hoorden, worden ook niet naar het Evangelie maar naar de wet geoordeeld; en de Heidenen, die de Mozaïsche wet niet kenden maar zondigden tegen de wet, die hun van nature bekend is, komen ook om zonder die Mozaïsche wet, terwijl de Joden juist door deze geoordeeld worden, Rom. 2:12. Hoewel de Schrift het oordeel laat gaan over alle mensen zonder uitzondering, Mt. 25:32; Hd. 17:31; Rom. 2:6; 14:10; 2 Cor. 5:10; 2 Tim. 4:1; Op. 20:12, maakt zij daarbij toch onderscheid tussen die naties, welke het Evangelie gekend en tenslotte het anti-christendom hebben voortgebracht, en die andere volken, welke nooit van Christus hebben gehoord en daarom voor de eerste maal bij zijn parousie van Hem vernemen, terwijl zij voorts nog bijzonder spreekt van het oordeel over de kwade engelen, en van de plaats, welke de goede engelen en de gelovigen in het eindgericht innemen.

Zeker kost het moeite, om van dat gericht zich enige heldere voorstelling te vormen. Het draagt zonder twijfel niet uitsluitend een inwendig en geestelijk karakter, zodat het alleen zou plaats hebben in het geweten van de mens; maar het is bepaald een gericht, dat ook uitwendig ten aanschouwen van alle schepselen voltrokken wordt. Beeld en zaak mogen nog zo ineenvloeien, de verschijning van Christus, de opstanding en ook al wat van het gericht wordt verhaald, is te realistisch getekend, dan dat het vrij zou staan, om alles te vergeestelijken. Maar dan is voor het houden van dit gericht ook een plaats en enige ruimte van tijd nodig. En de Schrift geeft ons aanleiding om te denken, dat het een successief verloop heeft. De engelen vergezellen Christus bij zijn komst op de wolken, om hem in de uitvoering van het vonnis behulpzaam te zijn; zij vergaderen de rechtvaardigen, scheiden de bozen van hen af en drijven hen van voor zijn aangezicht weg, Mt.13:30, 49; 24:31. Bovendien is Hij omringd door de gezaligden, 1 Thess. 3:13; 4:16; 2 Thess.1:10; Jud. 14; Op.17:14; 19:14. Nadat dan de opstanding van de gestorven en de verandering van de levend overgebleven gelovigen heeft plaats gehad, worden dezen samen opgenomen in de wolken, de Heere tegemoet, in de lucht, 1 Thess. 4:17. Niet onmogelijk is het, dat, evenals bij Christus opstanding en hemelvaart uiteenvielen en zelfs door veertig dagen van elkaar gescheiden waren, zo ook de opstanding of verandering van de gelovigen aan het einde van de dagen nog niet in eens die volle heerlijkheid hun toevoegt, welke na de wereldvernieuwing in de nieuwe hemel of op de nieuwe aarde hun deel zal zijn. Maar hoe dit zij, de opstanding of verandering sluit voor de gelovigen, evenals voor Christus, de rechtvaardiging in. Wel zegt de Schrift, dat alle mensen zonder onderscheid, dus ook de gelovigen, voor de rechterstoel van Christus moeten verschijnen. Maar zij getuigt tevens, dat wie gelooft niet geoordeeld wordt en niet in het gericht komt, want hij heeft reeds het eeuwige leven, Joh. 3:18; 5:24; dat de gestorven gelovigen reeds in de hemel bij Christus zijn en met lange, witte klederen zijn gekleed, 2 Cor. 5:8; Phil.1:23; Op. 6:11; 7:9, 14; en dat Christus komt, om verheerlijkt te worden in zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die geloven, 2 Thess.1:10. Voordat Christus het vonnis uitspreekt over de kwade engelen, over de antichristelijke wereld en over de cultuurloze volken, heeft Hij de schapen reeds aan zijn rechterhand gesteld en is Hij door zijn engelen en zijn heiligen omstuwd. Dit blijkt ook uit 1 Cor. 6:2,4, waar Paulus uitdrukkelijk zegt, dat de heiligen de wereld en de engelen zullen oordelen. Want deze uitspraak mag niet verzwakt worden tot een goedkeuren door de gelovigen van het oordeel, dat Christus over wereld en engelen velt, maar duidt bepaald blijkens het verband aan, dat de heiligen deel zullen nemen aan het oordeel over de wereld en engelen. Trouwens beloofde Jezus reeds aan zijn twaalf discipelen, dat zij met Hem zitten zouden op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls, Mt. 19:28; Luk 22:30, en Johannes zag rondom de troon van God tronen in de hemel, bezet door de ouderlingen van de gemeente, Op. 4:4; 11:16; 20:4, 6. Christus toch en zijn gemeente zijn één; wat wereld en engelen tegen haar hebben misdaan, dat rekent Hij, als ware het tegen Hem geschied, Mt. 25:40, 45; Mk. 9:41-42. Zelfs tot de goede engelen breidt dit oordeel van Christus en zijn gemeente zich uit, 1 Cor. 6:4, want de engelen zijn gedienstige geesten, die tot de dienst uitgezonden worden omwille van degenen, die de zaligheid beërven zullen en daarom in het toekomstig Godsrijk een plaats krijgen naar de dienst, welke zij in betrekking tot Christus en zijn gemeente hebben verricht. In het visioen van Johannes trekt daarom Christus, door zijn heirlegers omringd, de antichristelijke macht tegemoet, Op 19:11-21; de triomferende kerk heeft deel aan zijn koninklijke heerschappij, Op. 20:4-6, en maakt tenslotte met Christus aan alle tegenstand een einde, als Hij de volken oordeelt, die in de vier hoeken van de aarde wonen, Op. 20:7-101.

1 Verg. over het laatste oordeel: Lombardus, Sent. 43 v. Thomas, Suppl. qu. 88-90. Oswald, Eschat. 334 v. Atzberger, Die christl. Eschat. 356-370. Gerhard, Loc. XXVIII. Quenstedt, Theol. IV 605-634. Polanus, Synt. VI c. 69. Synopsis pur. theol., disp. 51. Mastricht, Theol. VIII 4, 7. Turretinus, Theol. XX qu 6. Marck, Exspect. J. C. I. III c. 1-18. De Moor, VI 706-718. Kliefoth, Eschat. 236 V 275 v. Art. Gericht in PRE3 enz.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept