Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

171 Daarmee is echter slechts de éne zijde der waarheid getoond. Er is nog een keerzijde, die van niet minder belang is. Het valt immers niet te loochenen, dat gelijk objectief het licht der zon, zo ook subjectief het oog nodig is om te zien. Dat de mensen feitelijk leren, en kennis opdoen uit hun omgeving, staat vast; maar het veronderstelt, dat zij een vermogen, een geschiktheid en geneigdheid tot leren meebrengen. De taal wordt ons geleerd door het volk, waaronder wij geboren zijn, maar zij onderstelt bij ieder mens een dispositie en een neiging om te spreken. Zo is het op alle terrein, in religie, kunst, moraal, recht, wetenschap enz. De semina scientiarum liggen van nature in de mens. Alle wetenschap gaat uit van algemene principes, die door zichzelf en vanzelf vaststaan. Alle kennis rust in geloof. Alle bewijs onderstelt ten slotte een arch apodeixewv. Er zijn logische, mathematische, filosofische, ethische en zo ook religieuze en theologische principes, die wel zeer algemeen en abstract zijn, maar die toch door alle mensen en in alle eeuwen worden aangenomen en die een karakter van natuurlijkheid en noodzakelijkheid dragen. De wetten van het denken zijn voor allen gelijk; de leer der getallen is overal dezelfde; het onderscheid van goed en kwaad is allen bekend; er is geen volk zonder religie en kennis van God. Dit is niet anders te verklaren dan door het aannemen van principia per se nota, koinai ennoiai, veritates aeternae, welke de menselijke geest van nature zijn ingeprent. Bij de religie moet men, of men wil of niet, altijd weer teruggaan tot een semen religionis, een sensus divinitatis, een instinctus divinus, een cognitio insita. De Schrift zelf gaat ons daarin voor. Zij bindt de mens zo sterk mogelijk aan de objectieve openbaring in natuur en genade, maar zij erkent tegelijkertijd, dat de mens Gods Beeld en geslacht is, dat hij in de nouv een vermogen bezit, om God in Zijn werken te zien, en dat hij het werk der wet geschreven draagt in zijn hart, Gen. 1:26; Hand. 17:27; Rom. 1:19; 2:15

Daarbij komt er nu alles op aan, om deze oorspronkelijkheid van de koinai ennoiai goed te verstaan. Men heeft ze op verschillende wijze aangeduid en gesproken van emfutov, ingenitus, insculptus, insitus, aangeboren, ingeschapen, ingeplant enz. En niemand bezigt die woorden in letterlijke zin; zodra deze uitdrukkingen worden ingedacht, haasten zich bijna allen om te verklaren, dat zij niet bedoelen, dat deze ideae innatae terstond met de geboorte fix und fertig worden meegebracht en als species impressae in het bewustzijn aanwezig zijn. In die zin zijn er dan ook geen aangeboren begrippen. God laat de mens in geen enkel opzicht volwassen in de wereld komen, maar laat hem geboren worden als een hulpeloos en hulpbehoevend kind. En dat kind zou omkomen, indien het niet gevoed en verzorgd werd door zijn omgeving. Toch schuilt in het kind reeds de toekomstige man. En zo is het op intellectueel, ethisch en religieus terrein. Cognitio Dei insita wil niet zeggen, dat de mens onmiddellijk, door God Zelf, met een genoegzame kennis is toegerust en aan de openbaring geen behoefte meer heeft. Zij geeft niet te kennen, dat hij alleen op zichzelf in staat is, om enige bewuste, klare en ware kennis van God uit zijn eigen geest af te leiden. Maar ze duidt aan, dat de mens beide de potentia (aptitudo, vis, facultas) en de inclinatio (habitus, dispositio) bezit, om in de normale ontwikkelingsgang en in het midden van de omgeving, waarin God hem het leven schonk, vanzelf en zonder dwang, zonder wetenschappelijke redenering en bewijsvoering, emfutwv kai adidaktwv, tot enige vaste, zekere, ontwijfelbare kennis Gods te komen. De woorden emfutov, ingenitus, aangeboren enz. bedoelen dus niet datgene uit te drukken, waarmee een mens geboren wordt, maar ze willen slechts te kennen geven, dat de kennis Gods langs natuurlijke weg, zonder wetenschappelijke redenering, uit de mens zelf geboren wordt. Zij zijn niet op te vatten als opposita van de leer, dat de mens als tabula rasa, zonder bepaalde, materiële inhoud in zijn bewustzijn geboren wordt; maar ze zijn tegengesteld aan de mening, dat de mens eerst uitwendig, door een bepaalde openbaring, door wetenschappelijk bewijs, als het ware kunstmatig en door dwang tot kennis Gods werd gebracht. Zo zijn die uitdrukkingen altijd in de Christelijke theologie bedoeld. Zij wisselden daarom af met adidaktwv, fusei, vi insita, sine praevio studio, sine discursu operoso enz. Dei cognitio nobis innata dicitur esse, in quantum per principia nobis innata de facili percipere possumus Deum esse1. Daarom is de opmerking van Locke ook onjuist, dat, indien onder ideae innatae alleen het vermogen van de kennis werd verstaan, dan alle kennis aangeboren kon heten. Want de cognitio Dei heet daarom insita of innata, omdat ieder mens bij normale ontwikkeling daartoe komen moet. Gelijk een mens, de ogen opend, vanzelf de zon en bij haar licht de voorwerpen aanschouwt, zo moet de mens krachtens zijn natuur, zodra hij hoort dat er een God is, dat er onderscheid is van goed en kwaad enz., daaraan zijn toestemming geven. Hij kan daar niet buiten. Hij neemt die waarheden vanzelf, zonder dwang of bewijs aan, omdat ze door zichzelf vaststaan. Daarom heet de kennis Gods aangeboren, en was de uitdrukking van een aangeboren potentie of faculteit onbevredigend. Er wordt enerzijds tegenover de leer van de ideae innatae door uitgedrukt, dat de kennis van God niet klaar en gereed door de mens wordt meegebracht maar middellijk, door inwerking van de openbaring, in zijn bewustzijn tot stand komt; en anderzijds wordt er tegenover het empirisme door aangeduid, dat die openbaring Gods zo luid en krachtig spreekt en zo diep weerklank vindt in ieders gemoed, dat ze de mens als van nature eigen en ingeschapen kan heten. En hiermede heeft de theologie niet alleen aan de Schrift, maar ook aan psychologie en historie volle recht laten wedervaren. Openbaring is er van God in al Zijn werken, niet alleen buiten maar vooral ook in de mens. Van de natuur, waaruit God wordt gekend, maakt de mens zelf het voornaamste deel uit. En uit die ganse natuur, beide buiten en in hem, ontvangt de mens indrukken en gewaarwordingen, die in zijn bewustzijn voor alle redenering en bewijs het besef kweken van een Hoogste Wezen. Het is God zelf, die aan geen mens zich onbetuigd laat.

1 Thomas bij Kleutgen, Phil. der Vorzeit I 348.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept