Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 26. De Namen Gods

Schultz, Altt. Theol. 4 bl. 513 v. Ochler, Theol. des A.T. par 56. Smend, Lehrbuch d. altt. Rel. 281 v. Davidson, Theol. of the Old Test. 36 v. Orelli, rt. Name in PRE3. Cremer, Wört. s. v. onoma. Damascenus, de fide orthod. I c. 4. Lombardus, Sent. I dist. 22. Thomas, S. Theol. I qu. 13. C. Gent. I c. 28-36. Petavius, de Deo I c. 5-13. Scheeben, Dogm. I 478 v. Heinrich, Dogm. Theol. III 289 v. Gerhard, Loci Theol. II c. 8 sect. 1. Calovius, Isag. ad theol. 1652 bl. 25 v. Calvijn, Inst. I 5. Ursinus, Tract. theol. 49. Polanus, Synt. Theol. 192 v. Zanchius, Op. II 23,24. Junius, de theologia, Op. I 1378 v. Gomarus, Disp. theol. I. Alsted, Theol. Schol. 104 v. Bretschneider, Dogm. I 477. Id. Syst. Entw. 365 v. Hengstenberg, Auth. des Pent. II 445 v. Philippi, Kirchl. Gl. II 27 v. Lange, Dogm. II 32 v. Kahnis, Dogm. I 337. Beck, Vorles. II 3 v. Von Oettingen, Luth. Dogm. I 54 v. Graue, Zur Verständigung über den anal. Charakter der Gotteserkenntnis, Jahrb. f. prot. Theol. Oct. 1888 bl. 481-503. M. Reischle, Erkennen wir die Tiefen Gottes? Zeits. f. Th. u. K. 1891 bl. 297 v. Niebergall, Die religiöse Phantasie und die Verkündigung an unsere Zeit 1906 bl. 251 v.

178. Al wat van God in Zijn openbaring voor ons kenbaar wordt, wordt in de Heilige Schrift aangeduid met de Naam Gods. De oorspronkelijke betekenis van het woord Mv is waarschijnlijk die van teken, kenteken, shma, signum, evenals het Gr. onoma en het Lat. nomen van de stam gno zijn afgeleid en dus aanduiden datgene, waaraan iets gekend wordt, kenteken. Een naam is een teken van diegene, die hem draagt, een benoeming naar een of andere eigenschap, waarin hij zich openbaart en kenbaar wordt. Er is verband tussen de naam en zijn drager, en dat verband is niet willekeurig maar in de drager zelf gegrond. Zelfs bij ons, en thans, nu de namen meest tot klanken geworden zijn zonder zin, wordt dat verband nog gevoeld. Een naam is iets persoonlijks en geheel iets anders dan een nummer of een exemplaar van zijn soort. Het doet altijd min of meer onaangenaam aan, als onze naam verkeerd geschreven of gebruikt wordt. Aan de naam hangt onze eer, onze waarde, onze persoon en individualiteit. Maar veel sterker was dat verband in vroegere tijd, toen de namen nog een doorzichtige betekenis hadden en een openbaring waren van de persoon of de zaak, die hem ontving. Zo is het ook in de Schrift. Adam moest de dieren namen geven naar hun aard, Gen. 2:19-20. Van vele namen in de Schrift wordt de betekenis aangegeven en tevens de reden, waarom ze gegeven worden, b.v. Eva, Gen. 3:20, Kaïn, Gen 4:1, Seth, Gen. 4:25, Noach, Gen. 5:29, Babel, Gen. 11:9, Ismaël, Gen. 16:11, Ezau en Jakob, Gen. 25:25, Mozes, Ex. 2:10, Jezus, Mt. 1:21 enz. Meermalen wordt een naam veranderd of een bijnaam toegevoegd, wanneer een persoon optreedt in een andere kwaliteit, Abraham, Gen. 17:5, Sara, Gen. 17:15, Israël, Gen. 32:28, Jozua, Num. 13:16, Jedidjah, 2 Sam. 12:25, Mara, Ruth 1:20, Petrus, Mark. 3:16, enz. Na Zijn hemelvaart heeft Christus een Naam ontvangen boven alle Naam, Phil. 2:9, Hebr. 1:4, en aan de gelovigen wordt in het nieuwe Jeruzalem een nieuwe naam gegeven, Op. 2:17; 3:12; 22:4.

Ditzelfde geldt van de Naam van God. Er is een innig verband tussen God en Zijn naam. Ook dit verband is naar de Schrift niet toevallig of willekeurig, maar door God Zelf gelegd. Mensen benoemen Hem niet: Hij geeft Zichzelf een Naam. Op de voorgrond staat dus de Naam als openbaring van Gods zijde, in actieve en objectieve zin, als nomen editum. Dan is de Naam Gods identifikatie met de deugden of volmaaktheden, welke Hij naar buiten openbaart, met Zijn heerlijkheid, Ps. 8:2 [Ps. 8:1], 72:19, Zijn eer, Lev. 18:21, Ps. 86:11, 102:16, Zijn verlossende macht, Ex. 15:3, Jes. 47:4, Zijn dienst, Jes. 56:6, Jer. 23:27, Zijn heiligheid, 1 Kron. 18:10, Ps. 105:3, enz. De Naam is God Zelf, gelijk Hij Zich in de een of andere relatie openbaart, Lev. 24:11,16. Die Naam als openbaring Gods, is daarom groot, Ezech. 36:23, heilig, Ezech. 36:20, vreselijk, Ps. 111:9, een hoog vertrek, Ps. 20:2 [Ps. 20:1], een sterke toren, Spr. 18:10. Met eigen namen, bepaaldelijk met de naam Jahweh, heeft God zich aan Israël bekend gemaakt. Door de Malak, in wiens binnenste Zijn Naam is, Ex. 23:20, heeft Hij Zich aan Israël geopenbaard. En door Hem heeft Hij Zijn Naam op de kinderen Israëls gelegd, Num. 6:27, de gedachtenis van Zijn Naam onder hen gesticht, Ex. 20:24, Zijn Naam onder hen gezet en doen wonen, Deut. 11:14, 12:5, bijzonderlijk in de tempel, die voor Zijn Naam is gebouwd, 2 Sam. 7:13. In die tempel woont nu Zijn Naam, 2 Kron. 20:9, 33:4. Door die Naam verlost Hij, Ps. 54:3, en om Die Naam kan Hij Israël niet verlaten, 1 Sam. 12:22, Jes. 48:9,11, Ps. 31:4 [Ps. 31:3], 23:3, 143:11 . Maar Israël mag Die Naam dan ook niet lasteren, ontheiligen of ijdel gebruiken, Ex. 20:7, Lev. 18:21, 19:12, 24:11. Integendeel, die Naam moet aangeroepen, verteld, grootgemaakt, gekend, beleden, gevreesd, verhoogd, verwacht, gezocht, geheiligd worden, Gen. 4:26, 12:2, Ex. 9:16, Deut. 28:58, 1 Kon. 8:33, Ps. 5:12 [Ps. 5:11], 34:4 [Ps. 34:3], 83:17 [Ps. 83:16], 122:4, Jes. 26:8, Mt. 6:9, Joh. 12:28 enz.

Rijker en dieper betekenis ontvangt de Naam van God in het Nieuwe Testament. Want de Logos, die in de beginne bij God en in de schoot des Vaders was, heeft ons de Vader verklaard, Joh. 1:18, en Zijn Naam ons geopenbaard, Joh. 17:6, 26. Omdat niemand de Vader kent dan de Zoon, kan alleen diegene kennis van God verkrijgen, wien de Zoon de Vader openbaart, Mt. 11:27. Wie de Zoon belijdt, heeft de Vader, 1 Joh. 2:23, wie Hem gezien heeft, heeft de Vader gezien, Joh. 14:9. De naam van Jezus Christus is dus de waarborg voor onze ware kennis van God en voor al de daarmede verbonden weldaden. Hij heet Jezus, omdat Hij Zijn volk zaligmaakt, Mt. 1:21, en is de Enige Naam, onder de hemel gegeven, door Welke wij moeten zalig worden, Hand. 4:12. Door Zijn Naam geschieden wonderen, Hand. 4:7, ontvangen wij vergeving, Hand. 2:38, het kindschap, Joh. 1:12, en het eeuwige leven, 1 Joh. 5:13. Waar twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn, is Hij in het midden, Mt. 18:20; wie in Zijn Naam bidt, wordt verhoord, Joh. 14:13; wie de Naam des Heren aanroept, wordt zalig, Hand. 2:21. In de Naam van de Vader, van de Zoon en de Heilige Geest ligt alle heil voor de mens besloten; het gedoopt worden in Die Naam is een teken en zegel van de gemeenschap met God. En nog rijker openbaring hebben de gelovigen te wachten in het nieuwe Jeruzalem, Openb. 3:12, als Gods Naam op aller voorhoofd zal zijn, Openb. 22:4.

De Naam van God is in de Heilige Schrift de aanduiding, niet van God, gelijk Hij in Zichzelf bestaat, maar van God in Zijn openbaring, in Zijn velerlei relaties tot de schepselen. Deze naam is echter niet willekeurig, maar God openbaart Zich zo en op die wijze, omdat Hij is, die Hij is. Aan Zijn Naam hangt daarom Zijn eer, Zijn roem, al Zijn deugden, heel Zijn openbaring, Zijn eigen Goddelijk Wezen. Maar Die Naam schenkt daarom aan hem, wie hij geopenbaard wordt; bijzondere voorrechten en legt hem tevens eigenaardige verplichtingen op. De Naam van God sluit in, dat Hij, daarin Zich openbarende, nu ook door schepselen daarnaar genoemd wordt. Het nomen editum gaat over in het nomen inditum. Het einai en kaleisyai zijn in de Heilige Schrift twee kanten van dezelfde zaak. God is die Hij heet, en Hij heet die Hij is. Wat Hij van Zichzelf openbaart, wordt in bepaalde namen uitgedrukt en weergegeven. Hij schenkt aan Zijn schepselen het voorrecht, om op grond van en in overeenstemming met Zijn openbaring Hem te noemen en aan te spreken. De éne naam Gods, met inbegrip van Zijn gehele openbaring beide in natuur en genade, valt voor ons in vele, vele namen uiteen. Alleen op die wijze krijgen wij een overzicht van de rijkdom van Zijn openbaring en de diepe betekenis van Zijn naam. Wij noemen Hem en mogen Hem noemen naar al wat van Zijn Wezen in schepping en herschepping openbaar wordt. Maar al die namen, als benoemingen Gods, leggen ons de verplichting op, om ze te heiligen en te verheerlijken. Het is de éne Naam, de volle openbaring, en in zover het eigen Wezen Gods Zelf, waarmede wij in al die namen te doen hebben. God stelt Zich door Zijn Naam in een bepaalde relatie tot ons; daaraan behoren wij in onze relatie tot Hem te beantwoorden.

De namen, waarmede God door ons genoemd en aangesproken wordt, zijn daarom niet willekeurig; ze zijn niet door ons naar ons goedvinden uitgedacht. Het is God Zelf, die in natuur en genade bewust en vrij Zich openbaart, die ons recht schenkt om op grond van deze openbaring Hem te noemen, ja die in Zijn Woord Zijn eigen namen op grond van Zijn openbaring ons heeft bekend gemaakt. Al deze namen dragen nu zonder onderscheid dit karakter, dat zij aan de openbaring zijn ontleend. Er is geen enkele naam, die Gods Wezen an sich aanduidt. Het nomen editum is de grondslag van alle nomina indita. En omdat de openbaring van God in natuur en Schrift bepaaldelijk aan mensen is gericht, daarom is het een menselijke taal, waarin God van Zichzelf tot ons spreekt; daarom zijn het menselijke woorden, waarvan Hij Zich bedient; daarom zijn het menselijke gedaanten, waaronder Hij verschijnt. In de Schrift komen dus niet hier en daar enkele antropomorfismen voor; de gehele Schrift is antropomorfistisch. Van de eerste tot de laatste bladzijde getuigt zij van een komen Gods tot en een zoeken van de mens. De gehele openbaring Gods concentreert zich in de Logos, die sarx is geworden, en is als het ware één vermenselijking, één menswording Gods. Als God tot ons sprak op Goddelijke wijze, geen schepsel zou Hem verstaan; maar dit is Zijn genade, welke reeds met de schepping een aanvang nam, dat Hij tot Zijn schepselen zich neerbuigt en tot hen spreekt en aan hen verschijnt op menselijke wijze. Daarom zijn al de namen, waarmede God Zichzelf noemt en door ons noemen laat, aan aardse en menselijke verhoudingen ontleend. Zo heet Hij in de Schrift El, de Sterke, El Chaddai, de Machtige, Jahweh, de Zijnde, voorts Vader, Zoon, Geest, goed, barmhartig, genadig, rechtvaardig, heilig enz., allemaal begrippen, die eerst van schepselen gelden en dan in eminente zin op God worden overgedragen. Zelfs de zogenaamde onmededeelbare eigenschappen, zoals onveranderlijkheid, onafhankelijkheid, eenvoudigheid, eeuwigheid, alomtegenwoordigheid, worden in de Schrift voorgesteld in vormen en uitdrukkingen, aan het eindige ontleend en daarom ook in negatieve zin; de eeuwigheid kan niet voorgesteld worden dan als een negatie van de tijd. De Schrift wendt zelfs geen enkele poging aan, om deze volmaaktheden Gods positief, naar haar eigen wezen, afgedacht van haar relatie tot het eindige, te omschrijven.

Maar het antropomorfisme gaat in de Schrift nog veel verder. Al wat aan mensen en zelfs aan schepselen eigen is, wordt ook aan God toegeschreven, in het bijzonder partes hominis, membra corporis, sensus, affectus, actiones, subjecta en adjuncta humana. God heeft een ziel, Lev. 26:11, Mt. 12:28, en een Geest, Gen. 1:2 enz.. Van een lichaam Gods is nooit sprake, ofschoon God in Christus ook een waarachtig lichaam aannam, Joh. 1:4, Col. 2:17, en de gemeente Christus’ lichaam heet, Ef. 1:22. Maar alle lichamelijke organen worden toch aan God toegekend. Er wordt gesproken van Zijn aangezicht, Ex. 33:20,23, Jes. 63:9, Ps. 16:11, Mt. 18:10, Op. 22:4, van Zijn ogen, Ps. 11:4, Hebr. 4:13, van Zijn oogleden, Ps. 11:4, van Zijn oogappel, Deut. 32:10, Ps. 17:8, Zach. 2:3, van Zijn oren, Ps. 55:2 [Ps. 55:1], van Zijn neus, Deut. 33:10, van Zijn mond, Deut. 8:3, van Zijn lippen, Job 11:5, van Zijn tong, Jes. 30:27, van Zijn nek, Jer. 18:17, van Zijn arm, Ex. 15:16, van Zijn hand, Num. 11:23, van Zijn rechterhand, Ex. 15:12, van Zijn vinger, Ex. 8:19, van Zijn hart, Gen. 6:6, van Zijn ingewanden, Jes. 63:15, Jer. 31:20, Luk. 1:78, van Zijn boezem, Ps. 7:4, van Zijn schoot, Joh. 1:28, van Zijn voet, Jes. 66:1. Vervolgens is er geen menselijke aandoening of ze is ook in God aanwezig, zoals vrolijkheid, Jes. 62:5, blijdschap, Jes. 65:19, smart, Ps. 78:40, Jes. 63:10, verdriet, Ps. 95:10, Jer. 7:18-19, vrees, Deut. 32:27, liefde met al de wijzigingen daarvan zoals barmhartigheid, ontferming, genade, lankmoedigheid enz., voorts ijver en jaloersheid, Deut. 32:21, berouw, Gen. 6:6, haat, Deut. 16:22, toorn, Ps. 2:5, wraak, Deut. 32:35.

Verder worden ook alle menselijke handelingen op God overgedragen, zoals kennis nemen, Gen. 18:21, onderzoeken, Ps. 7:10 [Ps. 7:9], weten, Gen. 3:5, denken, Gen. 50:20, vergeten, 1 Sam. 1:11, zich herinneren, Gen. 8:1, Ex. 2:24, spreken, Gen. 2:16, roepen, Rom. 4:17, gebieden, Jes. 5:6, schelden (=bestraffen, berispen), Ps. 18:16 [Ps. 18:15], 104:7, antwoorden, Ps. 3:5 [Ps. 3:4], getuigen, Mal. 2:14; rusten, Gen. 2:2, werken, Joh. 5:17; zien, Gen. 1:10, horen, Ex. 2:24, ruiken, Gen. 8:21, proeven, Ps. 11:4,5; zitten, Ps. 9:8 [Ps. 9:7], opstaan, Ps. 68:2 [Ps. 68:1], gaan, Ex. 34:9, komen, Ex. 25:22, wandelen, Lev. 26:12, nederdalen, Gen. 11:5, ontmoeten, Ex. 3:18, bezoeken, Gen. 21:1, voorbijgaan, Ex. 12:13, verlaten, Richt. 6:13; schrijven, Ex. 34:1, verzegelen, Joh. 6:27, graveren, Jes. 49:16; slaan, Jes. 11:4, kastijden, Deut. 8:5, straffen, Job 5:17, verbinden, Ps. 147:3, genezen, Ps. 103:3, helen, Deut. 32:39, doden en levend maken, Deut. 32:39; afwissen, Jes. 25:8, uitwissen, 2 Kon. 21:13, wassen, Ps. 51:4 [Ps. 51:2], reinigen, Ps. 51:4 [Ps. 51:2], zalven, Ps. 2:6, versieren, Ezech. 16:11, bekleden, Ps. 132:16, kronen, Ps. 8:6 [Ps. 8:5], omgorden, Ps. 18:33 [Ps. 18:32]; verdelgen, Gen. 6:7, verwoesten, Lev. 26:31, doden, Gen. 38:7, plagen, Gen. 12:17, richten, Ps. 58:11 [Ps. 58:10], verdoemen, Job 10:2 enz.. Voorts wordt God ook zeer dikwijls aangeduid met namen, die een zeker beroep, ambt, betrekking, verhouding onder mensen te kennen geven. Hij is een Bruidegom, Jes. 61:10, een Man, Jes. 54:5, een Vader, Deut. 32:6, een Richter, Koning, Wetgever, Jes. 33:22, een Krijgsman, Ex. 15:3, een Held, Ps. 78:65, Zef. 3:17, een Kunstenaar en Bouwmeester, Hebr. 11:10, een Landman, Joh. 15:1, een Herder, Ps. 23:1, een Heelmeester, Ex. 15:26 enz.; terwijl dan in deze hoedanigheden weer sprake is van Zijn zetel, troon, voetbank, roede, schepter, wapens, boog, pijl, zwaard, schild, wagen, banier, boek, zegel, schat, erfenis enz. Ja zelfs worden, om uit te drukken wat God voor de Zijnen is, allerlei beelden aan de bezielde en onbezielde schepping ontleend. Hij wordt vergeleken met een leeuw, Jes. 31:4, een arend, Deut. 32:11, een Lam, Jes. 53:7, een hen, Mt. 23:37, met de zon, Ps. 84:12 [Ps. 84:11], de Morgenster, Op. 22:16, met een licht, Ps. 27:1, een kaars, Op. 21:23, een vuur, Hebr. 12:29, een bron of fontein, Ps. 36:10 [Ps. 36:9], een sprengader, Jer. 2:13, met spijze, brood, drank, water, zalf, Jes. 55:1, Joh. 4:10; 6:35,55, met een rotssteen, Deut. 32:4, een schuilplaats, Ps. 119:114, een toren, Spr. 18:10, een hoog vertrek, Ps. 9:10 [Ps. 9:9], een schaduw, Ps. 91:1, 121:5, een schild, Ps. 84:12 [Ps. 84:11], een weg, Joh. 14:6, een tempel, Op. 21:22 enz. ).1.

1 Verg. ook Glassius, Philol. Sacra 1691 bl. 1116-1181.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept