Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

196. De laatste der onmededeelbare eigenschappen is de unitas, onderscheiden in de unitas singularitatis en de unitas simplicitatis. De eerste houdt in, dat er maar één Goddelijk Wezen is, dat God krachtens dat Wezen niet meer dan één kan zijn, en dat dus al wat overigens nog het aan zijn ontvangen heeft, slechts uit en door en tot Hem bestaat. Deze eigenschap leert dus de absolute Eenheid van God, de unicitas, de exclusieve, numerieke Eenheid, in onderscheiding van de simplicitas, welke de innerlijke, de kwalitatieve Eenheid van het Goddelijk Wezen uitspreekt. In de Heilige Schrift wordt deze eigenschap telkens nadrukkelijk gepredikt en tegenover alle polytheïsme gehandhaafd. Voor de latere geschriften van het Oude Testament, en voor het Nieuwe Testament wordt dit door allen erkend. Daarentegen zijn vele critici van mening, dat het monotheïsme in de oudere bestanddelen van het Oude Testament nog niet voorkomt, en dat het zich langzamerhand, vooral door het getuigenis en de werkzaamheid der profeten, uit het vroegere ook in Israël algemeen heersende polytheïsme ontwikkeld heeft. Maar tegen deze voorstelling rijzen zoveel bezwaren, dat haar onhoudbaarheid hoe langer hoe duidelijker aan het licht treedt. De profeten zijn zich hoegenaamd niet bewust, een nieuwe godsdienst in de vorm van een ethisch monotheïsme aan hun volk te brengen, maar staan met dat volk op dezelfde grondslag van Jahwehs verkiezing en verbond, beschouwen de afgoderij als afval, ontrouwe bondsbreuk, en roepen het volk tot de moedwillig verlaten dienst van Jahweh terug. Wat de eigenlijke godsdienst van Israël was, voordat het ethisch monotheïsme der profeten ingang vond, weet niemand ons te zeggen; men spreekt van animisme, fetischisme, totemisme, voorvader verering, polydemonisme en is vooral met het karakter van Jaweh verlegen. Volgens de een was Hij een vuurgod, aan Moloch verwant, volgens de ander een stormgod van de Sinaï, volgens een derde een stamgod, wie reeds enige ethische trekken eigen waren. En de vraag naar Zijn oorsprong wordt nog meer verschillend beantwoord; beurtelings hebben Kanaän en Phoenicië, Arabië en Syrië, Babel en Egypte daarvoor dienst gedaan. Maar afgezien van dit uiteenlopend oordeel over Israëls vroegere godsdienstige toestand, indien het polytheïsme zich bij de profeten tot een ethisch monotheïsme ontwikkeld heeft, dan dient dit toch enigszins duidelijk gemaakt te worden. Hier doet zich echter een nieuwe moeilijkheid voor. Het evolutionistisch standpunt, waarop men zich plaatst, laat natuurlijk niet toe, om het ethisch monotheïsme als iets volstrekt nieuws, als een schepping der profeten, te laten optreden. Het beginsel, waarvan men uitgaat, eist, dat het ethisch monotheïsme der profeten al lang te voren werd voorbereid en, althans in beginsel en kiem, reeds lang te voren bestond. Een van beide dus: men ziet van verdere verklaring af, blijft voor het ethisch monotheïsme der profeten als voor een raadsel staan, verschuilt zich achter het tegenwoordig opgeld doende “Geheimnis der Persönlichkeit,” en zegt met Wellhausen: ook als wij de ontwikkeling van Israëls godsdienst nauwkeuriger konden volgen, zou daardoor in de grond slechts weinig verklaard zijn. Warum wurde z. B. nicht Kamos von Moab zum Gott der Gerechtigkeit und zum Schöpfer des Himmels und der Erde? Eine genügende Antwort kann man darauf nicht geben1. Dat was anders vroeger wel meermalen beloofd en als een resultaat der nieuwe kritische methode in uitzicht gesteld. Velen willen daarin dan ook niet berusten en gaan van de profeten naar het verleden terug, menen dat het monotheïsme reeds veel vroeger, bij Mozes en in de tijd van Abraham bestond, en verklaren het dan uit de invloed der Israël omringende godsdiensten, uit de “monarchische Zuspitzungen der Gotterwelt,” die zich reeds in Syrië, Palestina en Kanaän althans onder “die Wissenden” laten aanwijzen, uit de “monotheïsirende Ideen,” die uit Babylonië en misschien ook uit Egypte in Kanaän binnendrongen2. Zo komt langs religionsgeschichtlichen weg de theorie in ere, dat aan het polytheïsme eigenlijk reeds van oudsher een min of meer bewust monotheïsme ten grondslag ligt, ongeveer op dezelfde wijze als volgens Haeckel de oorsprong van het leven geen verklaring behoeft, omdat het niets nieuws is maar reeds in het anorganische en eigenlijk in alle atomen in beginsel inzit.

Zo slaat men van de ene eenzijdigheid in de andere over. Maar de laatste voorstelling heeft toch boven de eerste voor, dat zij niet meer door het principe, door een vooropgezet denkbeeld van ontwikkeling, gedwongen wordt, om het monotheïsme in de oudere bestanddelen des Oude Testament te ontkennen of deze om die reden naar een veel later tijd te verplaatsen. Inderdaad is de Schrift niet alleen in haar latere, maar ook in haar vroegere bestanddelen monotheïstisch. In weerwil, dat het verkeer van Jahweh met de mensen zeer levendig, plastisch, antropomorfistisch voorgesteld wordt, Jahweh is toch de Schepper van hemel en aarde, de Formeerder van de mens, de Rechter der ganse aarde. Hij verdelgt het menselijk geslacht in de zondvloed, is tegenwoordig en werkzaam in alle landen, verdeelt de mensheid over de aarde, en bereidt Zijn verkiezing van Israël in de roeping van Abraham voor3. Al is er zeer zeker voortgang in de openbaring, en ontwikkeling in haar gedachten, heel het Oude Testament met zijn leer over de eenheid der wereld en de eenheid van het menselijk geslacht, over de verkiezing van en het verbond met Israël, over de in de wet omschreven religie en moraal enz. is van de beginne aan op de Eenheid Gods gebouwd. Jahweh is de Schepper der wereld, Gen. 1 en 2, de Bezitter en Rechter der ganse aarde, Gen. 14:19,22; 18:25, een enig Heer, Deut. 6:4, die geen andere goden voor Zijn Aangezicht duldt, Ex. 20:3. Er is geen andere god buiten Hem, Deut. 4:35, 32:39, Ps. 18:32 [Ps. 18:31], 83:18 [Ps. 83:17], Jes. 43:10, 44:6, 45:5 enz., en de goden der Heidenen zijn afgoden, niet-goden, dode goden, leugen en bedrog, geen Elohim maar elilim, Deut. 32:21, Ps. 96:5, Jes. 41:29; 44:9,20; Jer. 2:5,11; 10:15; 16:19; 51:17-18, Dan. 5:23, Hab. 2:19 enz., en, in zover in de afgoderij reëele machten vereerd worden, demonisch van aard, Ps. 106:37, 1Cor. 10:20. In het Nieuwe Testament wordt deze Eenheid Gods dan nog duidelijker in de Persoon van Christus openbaar, Joh. 17:3, Hand. 17:24, Rom. 3:30, 1Cor. 8:5, 6, Ef. 4:5,6, 1Tim. 2:5.

Met deze belijdenis van de enig waarachtige God trad de Christelijke gemeente in de Heidense wereld op. De officiële godsdienst was daar voor de ontwikkelden menigmaal tot een bespotting geworden, maar desalniettemin was het polytheïsme in staats- en volksleven nog een enorme macht, en bleef dit ook in de wereldbeschouwing bij hen, die op wijsgerig standpunt zich plaatsten of in een religieus syncretisme boven de godsdienst van het volk zich trachtten te verheffen. Daarom zag zich de Christelijke kerk van aanvang af in een ernstige strijd gewikkeld, en hun woordvoerders gingen daarbij niet alleen verdedigend maar ook aanvallend te werk. Zij voelden zich sterk in hun belijdenis en bewezen de eenheid van God niet alleen met een beroep op de Schrift, maar ontleenden aan de ganse wereld bewijzen voor de waarheid, die zij verkondigden. Zij beriepen zich op het getuigenis der menselijke ziel, op uitspraken van vele heidense wijsgeren en dichters, op de eenheid der wereld en van het menselijk geslacht, op de eenheid der waarheid en der zedenwet, op het Wezen en de natuur Gods, die geen gelijke naast Zich toelaat. En tegelijk met het polytheïsme vielen zij alles aan, wat daar rechtstreeks of zijdelings mee in verband stond, het demonisme en de superstitie, de mantiek en de magie, de mensvergoding en de keizercultus, de theaters en de spelen4. In deze machtige en eeuwenlange strijd is toen het polytheïsme ontstaan, en religieus en wetenschappelijk beide van al zijn macht beroofd. Maar dat neemt toch niet weg, dat polytheïstische gedachten en praktijken in verschillende vormen zijn blijven voortleven, telkens opnieuw ingang hebben gevonden, en vooral in de nieuwere tijd met kracht zich laten gelden. Als de belijdenis van de Enige Waarachtige God verzwakt en verloochend wordt en de in het pantheïsme gezochte eenheid op de duur noch het verstand noch het gemoed bevredigt, dan is de eenheid van wereld en mensheid, van godsdienst, zedelijkheid en waarheid ook niet meer te handhaven, valt natuur en geschiedenis in brokstukken uiteen, en keert met de bewust of onbewust gekoesterde polytheïstische neigingen ook iedere vorm van bijgeloof en afgoderij weer terug. De nieuwe tijd levert hiervoor overvloedige bewijzen en daarom is de belijdenis van de Eenheid Gods thans weer meer dan vroeger van zeer grote betekenis5.

1 Wellhausen, Isr.-Jüd. Religion in: Die Kultur der Gegenwart I Abt. IV Lief. 1 bl. 15. Verg. ook Nöldeke, die liever wilde erkennen, Israël sei ihm ein Ratsel, als dass er sich diese Erscheinung durch Annahme einer Offenbarung erklare, bij H.H. Kuyper, Evolutie of Revelatie bl. 67.

2 Vergelijk Fr. Delitzsch in zijn eerste voordracht over Babel und Bibel bl. 44 v., en Baentsch, Altorientalischer und Israelitischer Monotheismus, Tübingen 1906, o.a. besproken door Nowack, Theol. Rundschau, Dez. 1906 bl. 449-459.

3 Verg. reeds boven bl. 4 v. en voorts o.a. James Orr, The problem of the Old Test. bl. 40 v. 123 v.

4 Schwane, D. G. I 67 v. Harnack, Mission und Ausbreitung des Christ. in de ersten drei Jahrh./2 Leipzig 1906 II bl. 21 v. 108 v. 242 v. 265.

5 Verg. over de unitas Dei: Thomas, S. Theol. I qu. 11. c. Gent. I c. 42. Petavius, de Deo I c. 3. 4. II c. 8. Scheeben, Dogm. I 576 v. Heinrich, Dogm. III 269 v. Gerhard, Loci II c. 6. Turretinus, Theol. El. III qu. 3. Zöckler, art. Polyth. in PRE/2 XV 538 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept