Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

204.

C. Zedelijke Eigenschappen.

Onder de ethische deugden komt de eerste plaats toe aan de goedheid van God. Ook uit de natuur is deze bekend. Bij Plato was de idee van het goede met de Godheid één. Maar het woord goed heeft verschillende betekenis. De oorspronkelijke en eerste betekenis van goed schijnt geen innerlijke kwaliteit, maar een relatie tot iets anders aan te duiden. Bij Socrates was het goede identiek met het nuttige, met wat goed, bruikbaar, nuttig was voor een ander1; een absoluut goed is er dus niet, er is alleen een relatief goed; nut en schade zijn de maatstaf van goed en kwaad. De Griekse ethiek bleef in het algemeen op dit standpunt staan; de vraag naar het hoogste goed valt samen met die naar het geluk; goed is dat, wat allen begeren2. Vandaar de gewone definitie: bonum est id quod omnia appetunt3. De utilistische en eudemonistische moraal houdt zich aan deze betekenis van het woord goed, en zoekt de maatstaf van het goede in de bevordering van het welzijn van de enkele of van de maatschappij4. Ook Nietzsche ging bij zijn “Umwertung aller Werte” van deze betekenis van het goede uit; goed was oorspronkelijk zoveel als voornaam, sterk, machtig, schoon, en slecht was de benaming van de schlechten, gemeinen Mann5. Nu heeft het woord goed inderdaad dikwijls deze betekenis, als wij spreken van een goed huis, een goede vriend enz., en daarmee aanduiden, dat een persoon of zaak zekere eigenschappen bezit en ergens voor deugt. Goed heeft dan geen eigen zelfstandige, positieve inhoud, maar ontvangt die van het doel, waartoe iemand of iets dienen moet, en wisselt daarom bij de verschillende volken in betekenis. De Griek denkt er bij aan schoonheid, kalokagayia, de Romein aan voorname geboorte en rijkdom, de Germaan aan wat passend en tüchtig is; en daarmee in verband verschilt ook de betekenis van areth, virtus, deugd. Dit goede in algemene zin bevat onder zich het nuttige, het aangename, het esthetisch en het ethisch goede, bonum utile, bonum delectabile en bonum honestum6. In al deze betekenissen is goed nog een relatief begrip en duidt aan id quod omnia appetunt. Maar toch gaat het woord in deze betekenis niet op. Wij spreken ook van een bonum in se. De betekenis van goed als bonum morale of honestum vormt daartoe de overgang. Het zedelijk goede is op zichzelf goed, afgedacht van alle voor of nadelige gevolgen; het heeft absolute waarde.

Volgens de Schrift is God het inbegrip van alle volmaaktheden (bonitas metafysica). Alle deugden zijn in absolute zin in Hem aanwezig. De Schrift noemt Hem slechts enkele malen goed in absolute zin, oideiv agayov ei mh eiv o yeov, Mr. 10:18, Luk. 18:19; Hij is teleiov, Mt. 5:48. Maar welke deugd zij God ook toeschrijft, zij gaat altijd van de onderstelling uit, dat deze Hem toekomt in volstrekte zin. Kennis, wijsheid, macht, liefde, gerechtigheid enz. komen Hem toe op geheel enige, d.i. Goddelijke wijze. Deze Zijn goedheid is dus één met Zijn absolute volmaaktheid. In Hem is idee en realiteit één. Hij is louter eidov, actus purissimus. Hij behoeft niets te worden, maar is wat Hij is, eeuwig. Hij heeft geen doel buiten Zich, maar is zelfgenoegzaam, ezarkhv, panarkhv, aitarkhv, Ps. 50:9 v., Jes. 40:28 v., Hab. 2:20. Hij ontvangt niets maar geeft alleen. Alles heeft Hem, Hij heeft niets of niemand nodig. Hij bedoelt altijd Zichzelf, omdat Hij in iets minder dan Zichzelf niet rusten kan. Omdat Hijzelf is de absoluut-goede, de volmaakte, kan en mag Hij iets anders niet beminnen dan in en om Zichzelf. Hij kan en mag met minder dan de absolute volmaaktheid niet tevreden zijn. Waar Hij anderen bemint, bemint Hij in hen Zichzelf, Zijn eigen deugden, werken, gaven7. Daarom is Hij ook absoluut zalig in Zichzelf, als het inbegrip van alle goed, van alle volmaaktheid. Aristoteles zei reeds, dat God daarom de zalige was, omdat Hij de Eenheid was van denken en gedachte en boven alle begeren, streven, willen, volkomen verheven was8. En ten alle tijde hebben zij, die het primaat stelden in het verstand, bij Aristoteles zich aangesloten en de zaligheid in het denken, het kennen, de contemplatie gezocht9. Er lag hierin waarheid, in zover absolute zaligheid een toestand is van rust, met geen streven naar een doel verenigbaar is en ook het bewustzijn onderstelt. Zaligheid is alleen eigen aan redelijke wezens. Het onbewuste bij von Hartmann is, evenals de wil bij Schopenhauer, absolute onzaligheid, die zelf verlossing behoeft10. Drews zegt dan ook, dat de eigenschap der volmaaktheid God niet kan worden toegekend; een volmaakte God is een totes Abstraktum en zou de wereld niet kunnen verklaren; een God, die alles had, die volkomen zalig en Zichzelf genoeg was, heeft geen verandering, geen wereld nodig11. Maar juist deze leer van de absolute onzaligheid Gods maakt behoedzaam, om bij God en mens het primaat toe te schrijven aan de wil, gelijk Duns Scotus en velen na hem deden. Veel juister is daarom het standpunt van Bonaventura, die de zaligheid stelde in beide, in verstand en wil12. Gelijk de zaligheid van de mens ziel en lichaam en al zijn vermogens omvatten zal, zo bestaat ze bij God niet alleen in Zijn volmaakte kennis, maar eveneens in Zijn volmaakte macht, goedheid, heiligheid enz. Beatitudo status est omnium bonorum aggregatione perfectus13.

Maar wat goed is in zichzelf, is goed ook voor anderen. En God is als de Volmaakte en zalige het hoogste goed voor Zijn schepselen, bonum summum quod omnia appetunt; fons bonorum omnium; bonum omnis boni; bonum unum necessarium et sufficiens, finis bonorum omnium, Ps. 4:7-8; 73:25-26. Hij alleen is het bonum, quo sit fruendum, maar schepselen zijn bona, quibus sit utendum14. Vooral Augustinus heeft God dikwijls zo als summum bonum voorgesteld15. In Hem is alles en in Hem is alleen, wat alle schepselen zoeken en nodig hebben. Hij is het summum bonum voor alle schepselen, schoon voor deze in verschillende mate, naar gelang ze meer of minder aan Zijn goedheid deel hebben, Hem meer of minder genieten kunnen. Hij is het, naar Wie alle schepselen bewust of onbewust, willens of onwillens streven, het Voorwerp van aller begeren. En het schepsel vindt geen rust dan in God alleen. Zo werd het hoogste goed door de christelijke theologie altijd in God gesteld, en het kwam in de gedachte niet op, om dat hoogste goed te zoeken in een zedelijke daad of deugd van het schepsel, in de plicht (Kant), in het rijk Gods (Ritschl), in de liefde (Drummond) of in enig ander creatuur. Maar voorts als summum bonum is God ook de overvloedige fontein van alle goede16. Deus, cum perfecte bonus sit, perpetuo beneficus est17. Er is geen goed in enig schepsel dan uit en door Hem. Hij is de causa efficiens, exemplaris et finalis van alle goed, hoe onderscheiden dit ook in de schepselen moge zijn. Al het natuurlijk, zedelijk en geestelijk goed heeft zijn oorsprong in Hem. De Heilige Schrift is een lofzang op de goedheid des Heren. Uit haar wordt de schepping afgeleid, en alle leven en zegen voor mens en voor beest, Ps. 8; 19; 36:6-8 [Ps. 36:5-7]; 65:12 [Ps. 65:11]; 147:9; Mt. 5:45 Hd. 14:17, Jak. 1:17. Zij breidt zich uit over al Zijn werken, Ps. 145:9, en duurt in eeuwigheid, Ps. 136. Telkens wordt heel de schepping opgeroepen, om Gods goedheid te loven, 1Chr. 16:34, 2Chr. 5:13, Ps. 34:9 [Ps. 34:8], 106:1, 107:1, 118:1, 136:1, Jer. 33:11 enz.18.

Deze goedheid Gods treedt in verschillende vormen op, naar gelang van de objecten, waarop zij zich richt. Nauw verwant met haar is de goedertierenheid, dox a. v. dox, stringere, binden, crhstothv, verwant met prauthv, 2Cor. 10:1. Soms wordt ze in algemene zin gebruikt, 1Kr. 16:34, maar meest duidt ze aan Gods bijzondere gunst tot Zijn volk, de genegenheid, waarmee Hij gebonden is aan Zijn gunstgenoten, aan Jozef, Gen. 39:21, Israël, Num. 14:19, David, 2Sam. 7:15, 22:51, Ps. 18:50 [Ps. 18:49]; 1Kron. 17:13, de vromen, Ps. 5:8. Zij staat in verband met Gods verbond, Neh. 1:5, is principe van vergeving, Ps. 6:5 [Ps. 6:4]; 31:17 [Ps. 31:16]; 44:27 [Ps. 44:26], 109:26, Klaagl. 3:22, van genade, Ps. 51:3 [Ps. 51:1], van troost, Ps. 119:76, duurt eeuwig, Jes. 54:8,10, en is beter dan het leven, Ps. 63:4 [Ps. 63:3]. In al haar rijkdom heeft zij zich geopenbaard in Christus, Rom. 2:4, 2Cor. 10:1 Ef. 2:7, Tit. 3:4, Col 3:12 en betoont zich nu aan de gelovigen, leidende hen tot bekering, Rom. 2:4, 11:22, Gal. 5:22,1919. De goedheid Gods heet, als ze bewezen wordt aan ellendigen, barmhartigheid, Mymxr, splagcna, viscera, misericordia, Nieuwe Testament eleov, oiktirmov. Van deze barmhartigheid Gods maakt de Schrift ieder ogenblik gewag, Ex. 34:6, Deut. 4:31, 2Kron. 30:9, Ps. 86:15, 103:8, 111:4, 112:4, 145:8 enz., in tegenstelling met de mensen, 2Sam. 24:14, Spr. 12:10, Dan. 9:9,18.. Zij is veelvuldig, 2Sam. 24:14, Ps. 119:156, groot, Neh. 9:19, Ps 51:13 [Ps. 51:11], zonder einde, Klaagl. 3:22, teder als van een vader, Ps. 103:13, wordt bewezen aan duizenden, Ex. 20:6, en keert na kastijding weer, Jes. 14:1, 49:13 v. Jes. 54:8; 55:7; 60:10; Jer.12:15, 30:18, 31:20, Hos. 2:22, Mich. 7:19 enz. In het Nieuwe Testament heeft God, de Vader der barmhartigheid, 2Cor. 1:3, Zijn barmhartigheid geopenbaard in Christus, Luk. 1:50 v; die een barmhartig Hogepriester is, Mt. 18:27, 20:34 enz., Hebr. 2:17 en Hij toont voorts de rijkdom Zijner barmhartigheid, Ef. 2:4, in de behoudenis der gelovigen, Rom. 9:23; 11:30; 1Cor. 7:25, 2Cor. 4:1, 1Tim. 1:13 Hebr. 4:16 enz.20. De sparende goedheid Gods tegenover strafwaardigen heet lankmoedigheid, xwr of Myka Kra, makroyumia, anoch, crhstothv. Meermalen is ook van deze deugd Gods sprake in de Schrift, Ex. 34:6, Num. 14:18, Neh. 9:17, Ps. 86:15, 103:8, 145:8, Jon. 4:2, Joël 2:13, Nah.1:3. Zij heeft zich betoond in heel de tijd vóór Christus, Rom. 3:25, en wordt ook nu nog naar het voorbeeld van Christus, 1Tim. 1:16, 2Petr. 3:15, menigmaal aan zondaren bewezen, Rom. 2:4; 9:22; 1Petr. 3:2021.

Veel rijker is de goedheid Gods, waar ze bewezen wordt aan diegenen, die niets goeds maar alle kwaad hebben verdiend; dan draagt ze de naam van genade, Nx, hkxt a. v. Nnx zich buigen, neigen, cariv, v. carizomai. Dit woord duidt ook aan de gunst, welke door de ene mens bij de ander gevonden of aan de ander geschonken wordt, Gen. 30:27; 33:8,10; 47:29; 50:4 enz., Luk. 2:52. Van God gebezigd, heeft ze echter nooit de schepselen in het algemeen noch ook de Heidenen, maar alleen Zijn volk tot object. Zij wordt bewezen aan Noach, Gen. 6:8, Mozes, Ex. 33:12,17; 34:9; Job, Job 8:5; 9:15; Daniël, Daniël 1:9, aan de zachtmoedigen en ellendigen, Spr. 3:34, Dan. 4:27, en dan vooral aan Israël als volk. Zijn verkiezing en leiding, Zijn uitredding en verlossing en al de weldaden, die het in onderscheiding van andere volken ontving, zijn alleen aan Gods genade te danken, Ex. 15:13,16; 19:4; 33:19; 34:6-7; Deut. 4:37; 7:8; 8:14,17; 9:5,27; 10:14 v. Deut. 33:3; Jes. 35:10; 42:21; 43:1,15,21; 54:5; 63:9; Jer. 3:4,19; 31:9,20; Ezech. 16, Hos. 8:14, 11:1 enz. In historie en wet, in psalmodie en profetie is altijd de grondtoon: niet ons, o Heer, maar Uw naam geef eer, Ps. 115:1. Hij doet alles om Zijns Naams wil, Num. 14:13 v., Jes. 43:21,25 v., Jes. 48:9,11, Ezech. 36:22 enz. En daarom wordt die genade ook telkens geroemd en verheerlijkt, Ex. 34:6, 2Chron. 30:9, Neh. 9:17, Ps. 86:15, 103:8, 111:4, 116:5, Jon. 4:2, Joël 2:13, Zach. 12:10. In het Nieuwe Testament blijkt die genade nog rijker en dieper van inhoud te zijn. cariv betekent in objectieve zin schoonheid, bevalligheid, gratie, Luk. 4:22, Col. 4:6, Ef. 4:29, en subjectief gunst, genegenheid van de zijde van de gever en dank, verering van de zijde van de ontvanger. In God duidt zij aan Zijn vrijwillige, ongehouden, onverdiende genegenheid, die bewezen wordt aan schuldige zondaren en in plaats van het vonnis des doods hun de dikaiosunh en de zwh schenkt. Als zodanig is zij een deugd en eigenschap Gods, Rom. 5:15, 1Pe. 5:10, die zich betoont in de zending van Christus, die vol is van genade, Joh. 1:14 v., 1Petr. 1:13, en voorts in de schenking van allerlei geestelijke en lichamelijke weldaden, die alle gaven der genade en zelf genade zijn, Rom. 5:20, 6:1, Ef. 1:7; 2:5,8; Phil. 1:2, Col. 1:2, Tit. 3:7 enz. en alle verdiensten van ‘s mensen zijde ten enenmale uitsluiten, Joh. 1:17, Rom. 4:4,16; 6:14,23; 11:5 v., Ef. 2:8, Gal. 5:3-422. De leer der genade werd in de christelijke kerk het eerst ontwikkeld door Augustinus, maar men dacht daarbij gewoonlijk niet aan de genade als deugd Gods, doch aan de weldaden, die door God uit genade in Christus aan de gemeente werden geschonken. Onder de eigenschappen Gods wordt de genade gewoonlijk niet behandeld. Wel ontbreekt dit begrip der genade, nl. als virtus Dei, niet; Thomas zegt b.v., quandoque tamen gratia Dei dicitur ipsa aeterna dilectio, secundum quod dicitur etiam gratia predestinationis, in quantum Deus gratuito et non ex meritis aliquos predestinavit sive elegit23, maar terstond wordt de genade toch genomen in ruimer zin, gelijk ze eerst later in de dogmatiek, in de locus de salute ter sprake moet komen24.

Voorts treedt de goedheid Gods als liefde op, als zij niet enkele weldaden, maar zichzelf geheel geeft. In het Oude Testament is er nog niet zo dikwijls van deze liefde als eigenschap Gods sprake, maar toch ontbreekt ze volstrekt niet, Deut. 4:37; 7:8,13; 10:15; 23:5; 2Chron. 2:11, Jes. 31:3, 43:4, 48:14, 63:9, Jer. 31:3, Hos. 11:1,4; 14:5 [Hos. 14:4]; Zef. 3:17, Mal. 1:2 en wordt voorts in Gods verkiezing van, in Zijn verbond met, in Zijn ganse verhouding tot Israël, welke is als die van een man tot zijn vrouw, van een vader tot zijn zoon en van een moeder tot haar zuigeling, concreet en levendig voor ogen gesteld, Ps. 103:13, Jes. 49:15, Hos. 2. En niet alleen deugden en eigenschappen, zoals het recht en de gerechtigheid, Ps. 11:7, 33:5, 37:28, 45:8 [Ps. 45:7], maar ook personen zijn haar object, Ps. 78:68, 146:8, Spr. 3:12; Deut. 4:37; 7:8,13; 23:5; 2Chron. 2:11, Jer. 31:3, Mal. 1:2.

Veel duidelijker treedt deze liefde Gods in het Nieuwe Testament aan het licht, nu God Zichzelf gegeven heeft in de Zoon Zijner liefde. Het Hebr. hbha wordt niet weergegeven door erwv, wat de gewone naam voor de zinnelijke liefde is, noch ook door filia, het woord voor de liefde tussen bloedverwanten, maar door agaph, hetwelk bij Philo en Josephus niet voorkomt en uitnemend geschikt is, om de volle, zuivere, Goddelijke liefde aan te duiden, evenals het Latijnse caritas (dilectio) in onderscheiding van Amor. De verhouding van Vader en Zoon wordt als een leven der liefde getekend, Joh. 3:35; 5:20; 10:17; 14:31; 15:19; 17:24,26. Maar in Christus, die Zelf liefheeft en Zijn liefde bewezen heeft in Zijn overgave, Joh. 15:13, openbaart die liefde zich ook jegens de mensen, niet alleen de wereld of de gemeente in het algemeen, Joh. 3:16, Rom. 5:7; 8:37; 1Joh. 4:9, maar ook individueel en persoonlijk, Joh. 14:23, 16:27, 17:23, Rom. 9:13, Gal. 2:20.

Ja, God heeft niet lief, maar Hij is Liefde, 1Joh. 4:8, en Zijn liefde is grondslag, bron, voorbeeld van de onze, 1Joh. 4:10. Nu kan er wel van Gods liefde in het algemeen tot de schepselen en tot de mensen gesproken worden, filoktisia, amor complacentiae en filanyrwpia, amor benevolentiae, maar de Schrift gebruikt daarvoor toch meest het woord goedheid, en spreekt in de regel van Gods liefde evenals van Zijn genade alleen in betrekking tot het volk of de gemeente, die Hij verkoren heeft, elektrofilia, amor amicitiae25. Deze liefde is nu wel niet in die zin het Wezen Gods, dat zij het middelpunt en het hart daarin uitmaakt en de andere eigenschappen haar modi zijn26, want alle eigenschappen zijn Zijn Wezen in gelijke zin; in God is geen hoger en lager, geen minder en meer27. Maar toch is de liefde zeer zeker met het Goddelijk Wezen identiek. Zij is onafhankelijk, eeuwig, onveranderlijk als God Zelf. Zij heeft in Hem haar oorsprong en keert ook door de schepselen heen tot Hem weer. Pseudodionysius sprak daarom van de Goddelijke liefde tamquam sempiternus circulus, propter bonum, ex bono, in bono, et ad bonum indeclinabili conversione circumiens, in eodem et secundum idem et procedens semper et mallens et remeans28.

1 Xenophon, Memor. IV 6, 8 v.

2 Plato, Symp. 204 E v. Aristoteles, Nic. Eth. I 2.

3 Bijv. bij Dionysius, de div. nom. c.4. Thomas, S. Theol. I qu. 5 art. 1. qu. 16 art. 1 en 3. c. Gent. I 38.40. Sent. I dist. 8 art. 3.

4 Paulsen, System der Ethik 1889 bl. 171 v. Wundt, Ethik 1886 bl. 18 v. Verg. voorts Eisler, Wörterbuch, s.v. en id., Krit. Einführung in die Filos. bl. 285 v.

5 Nietzsche, Zur Genealogie der Moral bl. 6.

6 Thomas, S. Theol. I qu. 5 art. 6. I 2 qu. 99 art. 5.

7 Over de goedheid Gods, in de zin van volmaaktheid: Augustinus, de nat. boni c. Manich. 1. de trin. VIII 3. Pseudodionysius, de div. nom. c. 13. Thomas, S. Th. I qu. 4-6. c. Gent. I 28. Petavius, de Deo VI c. 1 v. Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 10. 17. Zanchius, Op. II 138 v. 326 v. Polanus, Synt. theol. II c. 9 enz.

8 Zeller, Filos. d. Gr. III 367 v.

9 Thomas, S. Theol. 12 qu. 3 art. 4.

10 Von Hartmann, Filos. d. Unbew. II 434. ReligionsFilos. II 152 v.

11 Drews, Die Deutsche Spekul. seit Kant II 593 v.

12 Bonaventura, Sent. IV dist. 49 pars 1 art. 1 qu. 4.5.

13 Boëthius, de cons. Filos. 4. Over de zaligheid Gods, Augustinus, de civ. Dei XII 1. Thomas, S. Theol. I qu. 26. Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 19. Zanchius, II 155 v. Polanus, II c. 17.

14 Augustinus, de doctr. chr. I c. 3 v. de trin. X 10. Lombardus, Sent. I dist. Bonaventura, Sent. I dist. 1.

15 Augustinus, de trin. VIII 3. Enarr. in Ps. 26. de doctr. chr. I 7. cf. Anselmus, Prosl. c. 23-25.

16 Ned. Geloofsbel. art. 1.

17 Athenagoras, Leg. pro Christ. n. 26.

18 Schultz, Altt. Theol. bl. 545 v. En verg. voorts Dionysius, de div. nom. c. 4, die de goedheid Gods op verheven wijze schildert en vergelijkt bij de zon, die alles verlicht. Thomas, S. Theol. I qu. 6, vooral art. 4. c. Gent. I c. 40, 41. Petavius, de Deo VI c. 3. Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 10. Polanus, Synt. Theol. II c. 20. Zanchius, Op. II col. 326-342 enz.

19 Verg. Delitzsch op Ps. 4:4. Cremer s.v. eleov.

20 Thomas, S.Theol. I qu. 21 art. 3. Zanchius, Op. II 370 v. Polanus, Synt. theol. II c. 23. Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 11.

21 Polanus, Synt. Theol. II c. 24.

22 Verg. Schultz, Altt. Theol. 425 v. Cremer s.v.

23 Thomas, S. Theol. II 1 qu. 110 art. 1., cf. Schwetz, Theol. dogm. cath. I 1851 bl. 193. Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 11 qu. 4. Musculus, Loci Communes 1567 bl. 317 v. Polanus, Synt. theol. II c. 21. Zanchius, Op. II 342-358.

24 Verg. Kirn, art. Gnade in PRE/3. Lange, Dogm. II par. 18.

25 Oehler, Theol. des Alt. Test. par. 81. Schultz, Altt. Theol. 545 v. Smend, Altt. Religionsgesch. 197 v. Cremer, s.v. G. Vos, Presb. and Ref. Rev. Jan. 1902.

26 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 167. Schoeberlein, Princip u. System der Dogm. 1881 bl. 129. Dorner, Glaub. I 437. Van Oosterzee, Dogm. par. 50.

27 Lange, Dogm. II 203. Thomasius, Christi Person und Werk I/3 bl. 105. Doedes, Leer van God 231.

28 Pseudodionysius, de div. nom. c. 4 par. 14. Cf. Augustinus, de trin. VIII 6-12. IX 6. X 1. Conf. IV 12. Solil. I 2. de vera relig. c. 46. Lombardus, Sent. III dist. 32, 1. Thomas, S. Theol. I qu. 20. S. c. Gent. I c. 91. Scheeben, Dogm. I 692 v. Gerhard, Loci theol. loc. II c. 8 sect. 11 qu. 2. Zanchius, Op. II 359 v. Polanus, Synt. theol. II c. 22.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept