Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

215. Het Nieuwe Testament bevat de zuivere ontwikkeling van de trinitarische gedachten van het Oude Testament. Maar nu treden deze in een veel helderder licht, niet door abstracte redeneringen over het Wezen Gods, maar door de zelfopenbaring Gods in verschijning, woord en daad. Even sterk als in het Oude, wordt in het Nieuwe Testament de Eenheid Gods uitgesproken. Er is maar één Wezen, dat God, yeov, Elohim heten kan, Job. 17:3, 1Cor. 8:4, maar deze éne, waarachtige God openbaart Zich in de oeconomie van het Nieuwe Testament, bepaaldelijk in de feiten van vleeswording en uitstorting, als Vader, Zoon en Geest. In die feiten treden geen absoluut nieuwe principa uit. Het zijn dezelfde, die ook in de schepping en in de oeconomie des Oude Testament werkzaam waren. De Vader, die meest in verhouding tot de Zoon en tot Zijn kinderen deze Naam draagt, is Dezelfde, die ook als Schepper aller dingen Vader heten kan, Matth. 7:11, Luk. 3:38, Job. 4:21, Hand. 17:28, 1Cor. 8:6, Hebr. 12:9; alle dingen zijn uit Hem, 1Cor. 8:6. De Zoon, die vooral in Zijn geheel enige verhouding tot God genaamd wordt, is Dezelfde, die als Logos met de Vader alle dingen geschapen heeft, Joh. 1:3, 1Cor. 8:6, Col. 1:15-17, Hebr. 1:3. En de Heilige Geest, die vooral met het oog op Zijn werk in de gemeente Zijn Naam ontvangen heeft, is dezelfde, die met Vader en Geest in de schepping alle dingen versiert en voltooit, Matth. 1:18, 4:1, Mr. 1:12, Luk. 1:35; 4:1,14; Rom. 1:4. Voorts is het de algemene leer der Nieuwe Testamentische schrijvers, dat deze drie, Vader, Zoon en Geest, geen andere zijn, dan Die ook in de oeconomie des Oude Testament aan de vaderen in woord en daad, in profetie en wonder Zich hebben geopenbaard. De Oudtestamentische naam Jahweh, door kuriov onvoldoende weergegeven, ontvouwt zijn inhoud ten volle in de Nieuwe Testament naam pathr. In de vleesgeworden Zoon van God wordt de vervulling gezien van alle Oudtestamentische profetie en schaduw, van Profeet en Koning, van Priester en offerande, van knecht Gods en Davidide, van Malak Jahweh en wijsheid. En in de uitstorting van de Heilige Geest is tot stand gekomen wat het Oude Testament had beloofd, Hand. 2:16v.

Maar het Nieuwe Testament, hoewel zich aansluitende bij het Oude Testament, blijft daarbij niet staan; het gaat er ver boven uit. Veel duidelijker dan in het Oude Testament treedt nu aan het licht, dat de God des Verbonds een drieëenig God is en zijn moet, dat er drieërlei principe optreedt in het werk der zaligheid. Niet enkele teksten, maar heel het Nieuwe Testament is in deze zin trinitarisch. Alle heil en zegen en zaligheid heeft haar drievoudige oorzaak in God, Vader, Zoon en Geest. Wij zien deze drie terstond optreden bij de geboorte van Jezus, Matth. 1:18 v., Luk. 1:36, en bij Zijn doop, Matth. 3:16-17, Mk. 1:10,11, Luk. 3:21-22. Jezus’ onderwijs is geheel trinitarisch. Hij verklaart ons de Vader en beschrijft Hem als Geest, die het leven heeft van Zichzelf, Job. 4:4, 6:26, en in geheel enige zin Zijn Vader is, Matth. 11:27, Joh. 2:16, 5:17. Hij onderscheidt Zichzelf van de Vader, maar is toch Zijn eengeboren, eigen, veelgeliefde Zoon, Matth. 11:27, 21:37-39, Job. 3:16 enz., één met Hem in leven, heerlijkheid, macht, Joh. 1:14, 5:26, 10:30. En Hij spreekt van de Heilige Geest, die Hem zelf leidt en bekwaamt, Mk. 1:12, Luk. 4:1,14, Joh. 3:34, als van een andere Paracleet, die Hij van de Vader zenden zal, Joh. 16:26 en die overtuigen, leren, in de waarheid leiden, troosten en eeuwig blijven zal, Joh. 14:16. En voordat hij heengaat, trekt Jezus dit alles samen in to onoma tou patrov kai tou uiou kai tou agiou pneumatov, d.i. in de éne Goddelijke Naam, to onoma in sing., waarin zich toch drie onderscheidene subjecten, o pathr, o uion en to pneuma, allen opzettelijk met het artikel genoemd, openbaren1. Dit onderwijs wordt door de apostelen voortgezet en uitgebreid; allen kennen en roemen een drievoudige, Goddelijke oorzaak des heils. Het welbehagen, de voorkennis, de verkiezing, de macht, de liefde, het koninkrijk is des Vaders, Matth. 6:13, 11:26, Joh. 3:16, Rom. 8:29, Ef. 1:9, 1Petr. 1:2 enz. Het middelaarschap, de verzoening, de zaliging, de genade, de wijsheid, de gerechtigheid is des Zoons, Matth. 1:21, 1Cor. 1:30, Ef. 1:10, 1Ti. 2:5, 1Petr. 1:2, 1Joh. 2:2 enz. En de wedergeboorte, vernieuwing, heiligmaking, gemeenschap is door de Heilige Geest, Joh. 3:5; Joh. 14; 15; 16; Rom. 5:5; 8:15; 14:17; 2Cor. 1:21,22, 1Petr. 1:2, 1Joh. 5:6 En evenals Jezus Zijn onderwijs tenslotte samenvat in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, zo stellen ook de apostelen deze drie telkens naast elkaar en op één lijn, 1Cor. 8:6; 12:4-6; 2Cor. 13:13.2, 2Thess. 2:13,14, Ef. 4:4-6, 1Petr. 1:2, 1Joh. 5:4-6, Openb. 1:4-6.3. De echtheid van de tekst 1Joh. 5:7 is nog altijd twijfelachtig. Hij ontbreekt in alle Griekse codices, behalve in een paar uit de 16e eeuw, in alle Latijnse codices uit de tijd vóór de 8e eeuw, en in bijna alle vertalingen. Voorts wordt hij nooit aangehaald door de Griekse patres, ook niet in de Ariaanse strijd, en evenmin door de Latijnse patres Hilarius, Ambrosius, Hiëronymus, Augustinus enz. Indien hij aangehaald of ondersteld wordt bij Tertullianus, moet hij reeds ongeveer het jaar 190 bestaan hebben; en indien Cyprianus hem citeert, was hij ongeveer het jaar 220 bekend. Indien hij voorkwam in de Afra, volgens een handschrift uit de 6e eeuw en een uit de 7e eeuw, kan men nog iets hoger opklimmen. Want de Afra ontstond ongeveer het jaar 160 en kwam ñ 250 naar Italië. Zeker komt de tekst voor bij Vigilius tegen het einde der 5e eeuw. In de 16e eeuw werd hij opgenomen in de Complut-uitgave, door Erasmus in zijn derde editie, door Stéphanus, Beza en in de textus receptus. In het verband wordt hij niet beslist geëist, en zijn weglating en verdwijning is zeer moeilijk te verklaren. De echtheid wordt echter nog door enkelen verdedigd4, en de congregatie van het heilig officium te Rome gaf in 1897 op de vraag, of 1Joh. 5:7 tuto negari aut saltem in dubium revocari possit, een ontkennend antwoord, waaraan de paus later zijn goedkeuring hechtte. Maar het schijnt, dat deze uitspraak van het heilig officium toch niet de echtheid van 1Joh. 5:7 insloot, of later stilzwijgend herroepen werd. Althans vele roomse geleerden houden na die tijd de onechtheid van 1Joh. 5:7 met vele argumenten staande. Künstle bijv. bestrijdt de authenticiteit en zegt, dat deze tekst ontstaan is uit een zin bij Priscillianus in een apologie van het jaar 380.5.

1 Riggenbach, Der trinitarische Taufbefehl Matth. 28:19 nach seiner urspr. Textgestallt und seiner Authentie untersucht. Gütersloh 1903.

2 Verg. over deze tekst Stud. u. Krit. 1899, 2tes Heft bl. 254-266.

3 Over de triniteitsleer in het Nieuwe Testament kan men o.a. raadplegen: Baur, Dreiein. u. Menschwerdung Gottes I 80 v. Hahn, Theol. des N.T. I 106 v. Filippi, K. Gl. II 200 v. Dorner, Chr. Gl. I 331 v. Sartorius, Christi Person und Werk I/3 44 v. Beck, Chr. Gl. II 40 v. Ook Biedermann, Dogm. II 37 erkent, dat de triniteitsleer wortelt in de Heilige Schrift; verg. ook Strausz, Dogm. I 409-425. Lipsius, Dogm. par. 241. F. A. B. Nitzsch, Ev. Dogm. 426. Holtzmann, Neut. Theol. t.a.p. Krüger, Dreieinigkeit und Gottmenschheit 97. Adolf Jülicher, Die Religion Jesu und die Anfänge des Christ. bis zum Nicänum (Die Christl. Rel. in: Die Kultur der Gegenw. bl. 41-128) zegt op bl. 96:»johannes ist auch der eigentliche Schöpfer des Trinitätsgedankens, denn indem bei ihm von Kap. 14:16 an neben Vater und Sohn-Logos als vollkommener Ersatz des zu Gott zurückgekehrten Sohnes der Paraklet tritt, der Geist der Wahrheit, der vom Vater ausgeht und unsichtbar das Werk des Sohnes in der Welt fortführt, ist die Dreiheit von Personen fertig, die für unser Wissen oder Ahnen das Göttliche darstellen.’”

4 Koelling, Die Echtheit von 1Joh. 5:7. Breslau 1893. Verg. daartegen Endemann, Neue Kirchl. Zeits. Juli 1899 bl. 574-581.

5 K. Künstle, Das Comma Joanneum, auf seine Herkunft untersucht. Freiburg Herder 1905.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept