Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

224. Hieruit is af te leiden, in welke zin de derde bovengenoemde vraag naar de verhouding van Wezen en Persoon en van de Personen onderling beantwoord moet worden. Bij Tertullianus zijn de drie Personen unius substantiae, unius status, unius potestatis sed unus Deus; zij zijn drie-non statu sed gradu, unum, niet unus; zij zijn unus Deus, ex quo et gradus isti et formae et species in nomine Patris, Filii et Spiritus Sancti deputantur. Er is distinctio, distributio, geen diversitas en divisio. Athanasius en de Cappadociërs omschreven de ipostaseiv als tropoi uparxewv, en gaven daarmee te kennen, dat zij, één in Wezen, toch elk een eigen existentia hadden en in wijze van bestaan verschilden. Het onderscheid tussen Wezen en Persoon en de Personen onderling lag dus in de wederkerige verhouding, h prov allhla scewiv, in het Vader, Zoon en Geest-zijn, in de eigenschappen van patrothv (agennhsia), uiothv (gennhsiv) en agiasmov (ekporeusiv). Breder werd dit uitgewerkt door Augustinus. Hij leidt de trinitas niet af uit de Vader maar uit de Eenheid, uit de deitas en acht ze niet toevallig, maar wezenlijk aan God eigen. Het behoort tot Zijn Wezen, drieëenig te zijn. In zover is het Persoon-zijn met het Wezen Zelf identiek. Non enim aliud est Deo esse, aliud personam esse sed omnino idem, de trin. VII 6. Indien toch het Zijn aan God toekwam in absolute en het Persoon-zijn in relatieve zin, dan zouden de drie Personen niet één Wezen kunnen zijn. Elk Persoon is daarom gelijk aan het ganse Wezen en evenveel als de beide andere of als alle drie samen. Bij schepselen is dit niet zo. Een mens is niet zoveel als drie mensen. At in Deo non ita est; non enim major essentia est Pater et Filius et Spiritus Sanctus simul quam solus Pater aut solus Filius, sed tres simul illae substantiae sive personae, si ita dicendae sunt, aequales sunt singulis, de trin. VII 6. In summa trinitate tantum est una quantum tres simul sunt nec plus aliquid sunt duae quam una, et in se infinita sunt. Ita et singula sunt in singulis et omnia in singulis et singula in omnibus et omnia in omnibus et unum omnia, ib. VI 10. Ipsa trinitas tam magnum est, quam unaquaeque ibi persona, ib. VIII 1. Daarom kan het onderscheid tussen wezen en persoon en personen onderling niet liggen in enige substantie, maar alleen in de onderlinge relaties. Quidquid ergo ad seipsum dicitur Deus, et de singulis personis singulariter dicitur, id est, de Patre et Filio et Spiritu Sancto, et simul de ipsa trinitate non pluraliter sed singulariter dicitur, de trin. V 8. Quidquid autem proprie singula in eadem. trinitate dicuntur, nullo modo ad seipsa sed ad invicem, aut ad creaturam dicuntur et ideo relative, non substantialiter ea dici manifestum est, ib. c. 11. En dienovereenkomstig zei de latere theologie, dat wezen en persoon niet re maar ratione verschilden, echter niet ratione ratiocinante, d.i. rationaliter, nominaliter, gelijk Sabellius meende, maar ratione ratiocinata. Het onderscheid bestond niet in enige substantie doch alleen in relatie, maar dit onderscheid was dan toch werkelijk, objectief, in Gods openbaring gegrond. Wezen en Persoon verschillen niet re maar toch realiter; het verschil bestaat in een modus subsistendi, maar is toch een reëel verschil. De persoon is een bestaanswijze van het Wezen; en de Personen onderling verschillen dus, zoals de ene bestaanswijze van de andere, of naar het gewone voorbeeld, zoals de open van de gesloten hand verschilt1.

Indien dit onderscheid van Wezen en Persoon en van Personen onderling in een enkel woord moet worden aangegeven, is er inderdaad niet veel meer van te zeggen. Maar duidelijker wordt dit onderscheid toch, als wij de relaties zelf indenken, waardoor het in het Goddelijk Wezen tot stand komt. Ofschoon de Heilige Schrift streng monotheïstisch is, kent zij aan Zoon en Geest toch Goddelijke natuur en volmaaktheden toe en plaatst hen met de Vader op één lijn. Vader, Zoon en Geest zijn onderscheidene subjecten in het één en zelfde Goddelijke Wezen. En als zodanig dragen zij dan ook verschillende namen, hebben Zij bijzondere persoonlijke eigenschappen en treden zij altijd op in een zekere vaste orde, zowel ad intra als ad extra. Het onderscheid der Personen ligt dus geheel en al in de zogenaamde idiwmata, idiothtev, proprietates, personele eigenschappen, nl. paternitas (agennhsia, innascibilitas), generatio activa, spiratio activa, filiatio (generatio passiva en spiratio activa), processio (spiratio passiva). Deze voegen nu uit de aard der zaak niets nieuws, geen nieuwe substantie aan het Wezen toe. Een mens, die vader wordt, verandert niet van wezen, maar treedt alleen op in een tot dusver hem vreemde relatie. Het Wezen Gods is van het Vader-zijn, het Zoon-zijn en het Geestzijn niet zakelijk, substantiëel maar alleen ratione, relatione onderscheiden. Het één en zelfde Wezen is en heet Vader, wanneer het gedacht wordt in Zijn relatie tot datzelfde Wezen in de relatie des Zoons. En de Personen onderling verschillen dus alleen daarin, dat de een Vader, de ander Zoon en de derde Geest is. Onder mensen vinden wij hiervan slechts een zwakke gelijkenis, maar die toch tot opheldering dienen kan. Onder mensen is het vaderschap en zoonschap ook wel niets dan een relatie, doch die relatie onderstelt een persoonlijk, individueel subject, dat van die relatie de drager is, maar overigens nog buiten dat vaderschap en zoonschap op allerlei wijze bestaat. Het vaderschap is maar een toevallige eigenschap van het mensch-zijn; sommige mensen worden nooit vader; wie het wordt, is het lange tijd niet geweest. en houdt het ook weer langzamerhand op te zijn enz. Het mens zijn gaat dus in het vaderschap of zoonschap lang niet op. Zo is het echter niet in het Goddelijk Wezen. Het God-zijn valt volkomen met het persoon-zijn samen. Quemadmodum hoc illi est esse, quod Deum esse, quod magnum, quod bonum esse, ita hoc illi est esse, quod personam esse2. Het Goddelijk Wezen gaat dus, om zo te zeggen, bij elk der drie Personen in het Vader, Zoon en Geest-zijn volkomen op. De paternitas, filiatio en processio zijn geen bijkomende eigenschappen bij het Wezen, maar de eeuwige bestaansvormen van, de eeuwige, immanente relaties in het Wezen. Bij mensen valt de ontplooiing van de éne menselijke natuur uiteen; ze geschiedt deels in de enkele mens, doordat hij wordt tot persoonlijkheid; ze heeft voorts plaats in de mensheid, wier leden alle de menselijke natuur op een bijzondere wijze representeren; ze komt eindelijk ook tot stand in de geslachts- en verwantschapsrelaties, die weer telkens een zijde van de menselijke natuur ons kennen doen. In de mensen valt deze drievoudige ontplooiing der natuur uiteen in ruimte en tijd; zij is wezenlijk uitbreiding. In God echter is er geen scheiding of deling. De ontplooiing van Zijn Wezen tot persoonlijkheid neemt die van Zijn Wezen tot personen en tevens die van Zijn Wezen tot de immanente relaties, welke door de namen Vader, Zoon en Geest worden uitgedrukt ineens, terstond, absoluut, volkomen in zich op. Zo is God de archetype van de mens; wat in de mensheid uiteenvalt, naast elkaar ligt, uiteengespreid wordt in de vormen van ruimte en tijd, dat is in God eeuwig en eenvoudig aanwezig. De processiones in Zijn Wezen brengen tegelijkertijd in God Zijn absolute persoonlijkheid, Zijn drievuldigheid en zijn immanente relaties tot stand. Zij zijn de absolute archetypen van al die processiones, waardoor in de enkele mens, in het gezin en in de mensheid de menselijke natuur tot haar volledige ontvouwing komt. Daarom zijn de drie Personen wel elk een ander, alius, maar niet aliud; de Drieheid is uit en in en tot de Eenheid; de ontvouwing des wezens heeft plaats binnen het wezen en doet dus aan de eenheid en eenvoudigheid des wezens niet te kort. Voorts zijn de drie Personen, schoon niet aliud, toch wel alii, onderscheidene subjecten, upostaseiv, subsistentiae, die juist daardoor het Wezen Gods in het Wezen zelf tot absolute ontvouwing brengen. En tenslotte zijn die drie Personen onderling door generatie en spiratie op absolute wijze elkaar verwant; hun onderscheidenheid als subjecten valt met hun immanente verwantschaprelaties volkomen samen. De Vader is enkel en eeuwig Vader, de Zoon is enkel en eeuwig Zoon, de Geest is enkel en eeuwig Geest. En omdat ze elk zichzelf zijn op eenvoudige, eeuwige, absolute wijze, daarom is de Vader God en de Zoon is God en de. Heilige Geest is God. De Vader is het als Vader, de Zoon als Zoon, de Heilige Geest als Heilige Geest. En omdat zij alle drie God Zijn, zijn Zij één Goddelijke natuur deelachtig, en is er dus één God, Vader, Zoon en Heilige Geest, die te prijzen is tot in eeuwigheid.

1 Thomas, s. Th. I qu. 28 v. Petavius, de trin. IV c. 10. 11. Kleutgen, Theol. der Vorz. I/2 350 v. Calvijn, Inst. I 13, 6. 16-20. Zanchius, Op. I 21 v. Moor I 713 v. Turretinus, Th. EI. III qu. 27 enz.

2 Augustinus, de trin. VII 6.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept