Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 32. De Raad Gods.

Oehler, Theol. d. A.T. par. 81 v. Smend, Altt. Rel. bl. 251. 292 v.363.437. Davidson, Theol. of the Old Testament bl. 170 v. C. F.Schmid, Bibl. Theol. d. N.T. bl. 253. 459. 524 v. 559 v. Neander, Gesch. der Pflanzung u. Leitung der chr. Kirche durch die Apostel/5 bl. 625 v. B. Weiss, Bibl. Theol. des N. T. passim en Die Prädestinationslehre des Paulus, Jahrb. f.d. Th. 1857. Pfleiderer, Der Paulinismus/2 1890 bl. 261 v. Holtzmann, Neut. Theol. II 166 v. Fritschel, Die Schriftlehre von der Gnadenwahl. Leipzig Deichert 1907. Hoennicke, art. Prädestination, Schriftlehre in PRE/3 XV 581-586.

Irenaeus, adv. haer. IV 29. Damascenus, de fide orthod. II 29.30. Augustinus in verschillende geschriften tegen de Pelagianen en Semipelagianen, vooral de predestinatione sanctorum, en de dono perseverantiae. Anselmus, de concordia prescientiae et predestinationis et gratiae Dei Cum libero arbitrio. Lombardus, Sent. I dist. 40.41. Thomas, S. Theol. I qu. 23.24. c. Gent. III 163. Bellarminus, de gratia et lib. arbitrio, vooral c. 9-17. Petavius, de Deo lib. X. Theol. Wirceb. ed. 3. Paris 1880 III 181-285. Pesch, Prael. Theol. II 165-226. Scheeben, Dogm. III 734 v. Heinrich, Dogm. VIII 329 v.

Luther, de servo arbitrio. Melanchton, Loci Comm. in cap. de hominis viribus adeoque de libero arbitrio. Quenstedt, Theol. did. polem. III 1-74. Hollaz, Examen theol. bl. 585-649. Gerhard, Loci Theol. loc. VII. Zwingli, Anamnema de providentia. Calvijn, Inst. III 21 v. Beza, Tract. theol. I 171. III 402. Polanus, Synt. Theol. IV c. 6-10. Zanchius, Op. II 476. Mastricht, Theol. theor. pract. III c. 1-4. Turretinus, Th. El. 1. IV. De Moor, Comm. I 897 v. M. Vitringa, Doctr. chr. rel. II 1-66.

Schleiermacher, Chr. Gl. par. 117-120. Schweizer, Chr. Gl. II 254 v. Id., Die protest. Centraldogmen. Zurich 1854. ‘56. J.Müller, Dogm. Abhandl. Bremen 1870 bl. 160 v. Martensen, Dogm. par. 206 v. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I 30G v. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III/2 bl. 112 v. Kaftan, Dogm. par. 50.51. Haering, Chr. Gl. bl. 508 v. Troeltsch, Christl. Welt 1907. Filippi, Kirchl. Dogm. IV 1 v. Oettingen, Luth. Dogm. II 1 bl. 576 v. Van Oosterzee, Chr. Dogm. par. 55. Hodge, Syst. Theol. I 535 v. Shedd, Dogm. Theol. I 393 v.

232. Tot dusver handelden wij over het Wezen Gods, gelijk het is en bestaat in zichzelf. Niet in die zin, alsof wij over God dachten en spraken, buiten Zijn openbaring in natuur en Schrift om. Immers wij kunnen van God niet spreken dan op grond van Zijn openbaring; als wij ons onderwinden Zijn Namen op onze lippen te nemen, behoren wij van Hem te spreken als christenen, onderwezen door Zijn Woord en door Hemzelf geleerd. Maar toch handelden wij in de vorige paragrafen over God, gelijk Hij blijkens Zijn openbaring in Zichzelf bestaat. En wij leerden Hem kennen als het Eeuwige Wezen, dat tegelijk het hoogste zijn en het hoogste leven is, als summum esse, louter essentia en tevens als ipsissima energeia, actus purissimus, totus actuosus. Door heel de Schrift heen wordt God voorgesteld als de levende en werkende God. Schepping, onderhouding en regering zijn werken, door God tot stand gebracht, Gen. 2:3, Deut. 11:7, Job 34:19, Ps. 102:26, Jes. 64:8, Joh. 9:3-4, Hebr. 1:10, en al die werken zijn volkomen, Deut. 32:4, getrouw, Ps. 33:4, waarheid, goedertieren en rechtvaardig, Ps. 111:7, 145:17, Dan. 9:14, groot en vreselijk en wonderlijk, Ps. 66:3, 92:6 [Ps. 92:5], 104:24, 111:2, 139:14, Op. 15:3, zodat de Here er zelf Zich in verblijdt, Ps. 104:31. Hij slaapt en sluimert niet, Ps. 121:3-4, en wordt niet moe of mat, Jes. 40:28. Werken behoort tot zijn wezen; Hij kan niet anders dan werken, Hij werkt altijd, Joh. 5:17.

Daarom is Hij ook niet eerst met de schepping beginnen te werken, maar Zijn werken zijn van en tot in alle eeuwigheid. De persoonlijke eigenschappen, welke wij vroeger hebben leren kennen, zijn immanente en eeuwige werken Gods. De Vader geeft eeuwig aan de Zoon, en met de Zoon aan de Geest, het leven te hebben in Zichzelf, Joh. 5:26. En de gemeenschap, die tussen de drie Personen bestaat, is een leven van absolute werkzaamheid; de Vader kent en heeft de Zoon lief eeuwig, van vóór de grondlegging der wereld, Matth. 11:27, Joh. 17:24, en de Geest onderzoekt de diepten Gods, 1Cor. 2:10. Al deze werken Gods zijn immanent; zij hebben geen betrekking op iets, dat buiten God is of zijn zal, maar voltrekken zich binnen het Goddelijk Wezen zelf en betreffen de verhoudingen, waarin de drie Personen in dat Wezen tot elkaar staan. Doch ook in deze zin zijn ze voor ons van grote betekenis, want zij doen ons God kennen als het algenoegzame en volzalige Wezen, dat niet als iets behoevende van mensenhanden gediend wordt, Hand. 17:25. God heeft voor Zijn Eigen volmaking de wereld niet nodig; Hij behoeft de schepping en onderhouding niet om bezig te zijn en van ledigheid bevrijd te worden; Hij is in Zichzelf absolute actuositeit.

Van deze zuiver immanente werken Gods zijn onderscheiden die, welke betrekking hebben op de schepselen, die buiten Gods Wezen zijn zullen. Deze vallen weer uiteen in werken Gods ad intra en ad extra. Eerstgenoemde worden gewoonlijk met de naam van besluiten aangeduid en zijn al tesamen begrepen in de éne en eeuwige raad Gods. Deze besluiten leggen verband tussen de immanente werken van het Goddelijk Wezen en de transeunte werken van schepping en herschepping. Als zodanig hebben zij drieërlei eigenaardigheid. Ten eerste zijn al de gedachten, die in de besluiten Gods opgenomen en daardoor voor realisatie buiten het Wezen Gods bestemd zijn, ontleend aan de volheid van kennis, welke eeuwig in God aanwezig is. Mogelijkheid en werkelijkheid vallen niet samen. God put in de wereld de rijkdom van Zijn kennis en wijsheid niet uit. Het oneindig Wezen Gods is oneindig rijker dan de ganse wereld in haar lengte en breedte ooit te aanschouwen kan geven. Datgene, wat in de besluiten wordt opgenomen, is als het ware maar een epitome, een kort begrip van de diepte van de rijkdom, beide van de wijsheid en de kennis van God; alle dingen zijn mogelijk bij God, Matth. 19:26, maar zij hebben niet alle in werkelijkheid plaats. Ten andere berusten alle besluiten Gods op Zijn volstrekte soevereiniteit; daar is geen behoefte en ook geen dwang in God, om gedachten buiten Zich in een wereld van schepselen te realiseren. Hij is volkomen vrij in Zijn keuze; het is alleen door Zijn wil, dat alle dingen zijn en geschapen zijn, Op. 4:11. Al zijn de besluiten Gods dan ook eeuwig, omdat er in God van geen voor en na sprake kan zijn, en al vallen in zover de decreta met de Deus decernens samen, toch moet er logisch onderscheid gemaakt worden tussen de inhoud der zelfkennis Gods en die van Zijn wereldkennis, tussen het oneindig Wezen Gods en het object van Zijn besluiten. En ten derde ligt in het denkbeeld van besluiten vervat, dat zij te hunner tijd verwezenlijkt zullen worden. Ofschoon God naar Zijn Wezen geen wereld behoeft, wordt toch door het besluit de schepping en onderhouding der wereld noodzakelijk. Het theïsme der Schrift legt in de raad Gods een verband tussen God en de wereld, handhaaft tegelijk de volstrekte vrijmacht Gods en de volkomen afhankelijkheid van het schepsel en vermijdt zowel de dwaling van het pantheïsme als die van het deïsme. De dingen, die men ziet, zijn niet geworden uit dingen, die verschijnen, Hebr. 11:3, maar hebben hun oorzaak in de gedachte en de wil, dat is in de besluiten Gods.

Deze besluiten worden ons in de Schrift niet in het afgetrokkene beschreven, maar in de historie zelf ons voor ogen gesteld. God is Heer der ganse aarde en betoont dat van dag tot dag in de schepping, onderhouding en regering aller dingen. En zo is het ook met de verkiezing en de verwerping. Deze worden in het Oude Testament niet als eeuwige besluiten getekend, maar zij treden ons op iedere bladzijde als feiten in de historie tegemoet. Van de aanvang af gaat het menselijk geslacht in tweeën uiteen, in de heilige linie van Seth, Gen. 4:25-26; 5:1-32, en de meer en meer van God zich vervreemdende lijn van Kaïn, Gen. 4:17-24. Als beide geslachten zich vermengen en— de ongerechtigheid doen toenemen, vindt Noach alleen genade in de ogen van de Heer, Gen. 6. Na de zondvloed wordt de zegen uitgesproken over Sem en Jafet, de vloek daarentegen over Kanaän, Gen. 9:25-27. Uit Sems geslacht wordt Abraham verkoren, Gen. 12. Van zijn zonen is niet Ismaël maar Izak de zoon der belofte, Gen. 17:19-21; 21:12-13. Onder Izaks zonen wordt Ezau gehaat en Jakob geliefd, Gen. 25:23, Mal. 1:2, Rom. 9:11-12. Van de zonen van Jakob krijgt elk een eigen rang en taak, en ontvangt Juda het primaat, Gen. 49. Terwijl alle andere volken tijdelijk voorbijgegaan worden en hun eigen wegen wandelen, wordt Israël alleen uitverkoren door de HERE tot een volk des eigendoms. Deze verkiezing, rhb, edy, Hos. 13:5, Am. 3:2, is niet geschied om Israëls waardigheid maar alleen naar Gods ontfermende liefde, Deut. 4:37, 7:6-8, 8:17, 9:4-6, 10:15, Ezech. 16:1. Am. 9:7, en deze liefde is van oude dagen af, Jer. 31:3. Zij had tot object Israël als volk en natie, ofschoon duizenden het verbond verbraken en er onderscheid is tussen Israël naar het vlees en naar de belofte, Rom. 2:28-29, Rom. 9; 10; 11. En zij had tot doel, dat Israël de HERE toebehoren, Zijn volk en eigendom wezen, en in heiligheid voor Zijn Aangezicht wandelen zou, Ex. 19:5, Deut. 7:6, 14:2, 26:18, Ps. 135:4, Mal. 3:17. In de kring van Israël is er dan telkens weer sprake van een bijzondere verkiezing tot een waardigheid of dienst, zo b.v. van Jeruzalem en Sion tot een woning van de HERE, Deut. 12:5; 14:23, 1Kon. 11:30, 2Kon. 21:7, Ps. 78:68,70, van Mozes tot middelaar van het Oude Verbond, Ex. 3, van Levi tot het priesterschap, Deut. 18:5, 21:5, van Saul en David tot koning, 1Sam. 10:24, 2Sam. 6:21 van de profeten tot hun ambt, 1Sam. 3:1v., Jes. 6:1v., Jer. 1:1v., Ezech. 1:1-3:1v., Am. 3:7-8; 7:15, bovenal van de Messias tot Verlosser van Zijn volk, die de Israël, de Knecht van des Heren bij uitnemendheid is, Jes. 41:8, 42:1, 44:1, 45:4 enz.

Toch ofschoon deze verkiezing in het Oude. Testament meest als feit in de historie optreedt en alzo met de roeping zelf samenvalt, toch berust ze op een voorkennis en voorbepaling Gods. In het algemeen leert het Oude. Testament, dat God alle dingen schept, onderhoudt en regeert door het Woord en met Wijsheid, Psalm 33:6, 104:24, Job 38, Spr. 8 enz., zoodat alles berust op gedachte Gods. Maar er wordt ook uitdrukkelijk gezegd, dat God het toekomstige weet en vooraf verkondigt, Jes. 41:22-23; 42:9; 43:9-12; 44:7; 46:10; 48:3 v., Amos 3:7. In de profetie maakt Hij van te voren de dingen bekend, welke en zoals ze geschieden zullen, Gen. 3:14 v. Gen. 6:13; 9:25 v. Gen. 12:2 v. Gen. 15:13 v. Gen. 25:23; 49:8 v. enz. De levensdagen van een mens zijn alle reeds te voren bepaald en in het boek Gods geschreven, voordat er nog een in het aanzijn getreden is, Ps. 139:16, 31:16 [Ps. 31:15], 39:6 [Ps. 39:5], Job 14:5. De rechtvaardigen zijn geschreven in het Boek des Levens, gelijk de burgers van een stad of een rijk zijn opgetekend, en hebben daarin de verzekering, dat zij deel zullen hebben aan het leven in de gemeenschap met God in de theocratie van Israël, Ex. 32:32, Ps. 87:6, Ezech. 13:9, Jer. 17:13, Ps. 69:29 [Ps. 69:28]. In Jes. 4:3 en Dan. 12:1 wordt dit verder zo ontwikkeld, dat aan het theocratisch heil in de toekomst zij deel zullen hebben, die opgeschreven zijn ten leven. De Nieuw Testamentische gedachte wordt hier voorbereid, dat het Boek des Levens de namen bevat van de erfgenamen van het eeuwige leven. En alle dingen geschieden naar de raad Gods. Bij Hem is wijsheid en macht, raad, hue en verstand, Job 12:13, Spr. 8:14, Jes. 9:5 [Jes. 9:6], 11:2, 28:29, Jer. 32:19. Hij kiest daardoor altijd de beste wegen tot bereiking van Zijn doel, heeft niemands raad nodig, en is vreselijk, verre verheven, boven de raad der heiligen en van allen, die rondom Hem zijn, Jes. 40:13, Jer. 23:18,22, Ps. 89:8 [Ps. 89:7]. Gods raad is Zijn bepaalde gedachte, Zijn vast besluit over alle dingen, Jes. 14:24-27, Dan. 4:24. Die raad is wel verborgen, Job 15:8, maar komt in de historie zelf tot werkelijkheid. Want naar die raad geschiedt alles, hij bestaat in eeuwigheid, niemand kan hem weerstaan, Jes. 14:24-27, 46:10, Ps. 33:11, Spr. 19:21; en daartegenover wordt de raad der vijanden vernietigd, Neh. 4:10, Ps. 33:10, Spr. 21:30, Jer. 19:7.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept