Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

273. Een zelfde verschil, als bij de vorming van ons wereldstelsel, doet zich voor bij de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde. De geologie heeft op grond van de aardlagen en van de daarin gevonden fossielen van planten, dieren en mensen een hypothese gebouwd over de ontwikkelingsperioden der aarde. Daarnaar is de oudste periode de azoïsche of die der $Urformatie, waarin vooral de eruptieve steensoorten gevormd zijn en nog geen spoor van organisch leven gevonden wordt. Daarop is gevolgd de palaeozoïsche periode of die der primaire formatie, waarin behalve allerlei steensoorten vooral ook de steenkool gevormd wordt en ook reeds planten van de laagste soort en alle klassen van dieren behalve vogels en zoogdieren worden aangetroffen. In de derde, mesozoïsche periode of die der secundaire formatie valt o.a. de krijtformatie en worden allerlei planten en dieren, ook de eerste eierleggende en zoogdieren gevonden. De daarop volgende tertiare of $kainozoïsche formatie loopt van de krijtformatie tot de ijstijd toe en doet behalve planten en land- en zoetwaterdieren vooral ook optreden de roofdieren en vele van de uitgestorven zoogdieren. Volgens enkelen1 leefde gelijktijdig met deze ook reeds de mens in de tertiare periode; maar volgens de meesten is de mens eerst opgetreden aan het einde van dit tijdperk, na de ijstijd, in de quaternaire periode2. Deze leer van de geologische perioden staat ongetwijfeld op veel vastere bodem dan de hypothese van Kant; zij berust op gegevens, welke het onderzoek der aardlagen aan de hand doet. Hier draagt de strijd tussen openbaring en wetenschap dan ook een veel ernstiger karakter. Op veel punten is er verschil en tegenspraak. Ten eerste in de tijd, en ten tweede in de orde, waarin de verschillende schepselen zijn ontstaan.

Wat de tijd betreft, is het verschil zeer groot. De chronologie der LXX wijkt aanmerkelijk af van die van de Hebr. tekst. De kerkvaders hielden zich dikwijls aan de Griekse vertaling en berekenden dan de tijd van de schepping der wereld tot de inneming van Rome door de Gothen op 5611 jaren3. In later tijd, vooral sedert de Hervorming, gaf men algemeen aan de chronologie van de Hebr. tekst de voorkeur en berekende dan, dat de schepping der wereld plaats gehad had in 3950 v. C. (Scaliger), of 3984 (Kepler, Petavius), 3943 (Bengel), 4004 (Usher); de Joden tellen thans het jaar 56684. Maar men beproefde nog nauwkeuriger berekening. Er was ernstige strijd over, of de schepping plaats had gehad in de lente of in de herfst; het eerste was het gevoelen van Cyrillus, Basilius, Beda, Catejanus, Molina, Lapide, Luther, Melanchton, Gerhard, Alsted, Polanus, G.J. Vossius enz.; het tweede werd verdedigd door Petavius, Calvisius, Calov, Danaeus, Zanchius, Voetius, Maresius, Heidegger, Turretinus e.a. Soms werd de datum nog nader bepaald, op 25 Maart of op 26 October5. Daar tegenover plaatsen de geologen en natuurkundigen van deze tijd hun berekeningen, die gebouwd zijn op de rotatie der aarde in verband met haar afplatting aan de polen, de naar de oppervlakte steeds gestadig afnemende warmte der aarde, de vorming van de delta ‘s aan Nijl en Mississippi, de formatie van de aardlagen, van de verschillende steensoorten, vooral van de steenkool enz. Het zijn fabelachtige getallen, evenals bij sommige heidense volken, die alzo voor de ouderdom der aarde worden aangenomen; Cotta spreekt van een onbegrensde tijdruimte, Lyell van 560 miljoen, Klein van 2000 miljoen, Helmholtz van 80 miljoen, en zelfs Pfaff van minstens 20 miljoen jaren6. Maar in de tweede plaats is er ook zeer groot verschil tussen het scheppingsverhaal in Genesis en de meningen van vele geleerden ten aanzien van de orde, waarin de geschapen wezens zijn ontstaan. Om slechts enkele punten te noemen: volgens de Schrift is wel het licht reeds geschapen op de eerste dag, maar ons zonnestelsel is eerst gevormd op de vierde dag, nadat op de tweede en derde dag de aarde al toebereid en met een weelderige plantengroei overdekt was; volgens de geologen is de orde juist omgekeerd. Volgens Genesis is op de derde dag wel het plantenrijk geschapen, maar dieren worden eerst geschapen op de vijfde dag; de geologie echter leert, dat in de primaire of palaeozoïsche periode ook reeds dieren van lagere soort en vissen voorkomen. Genesis verhaalt, dat alle waterdieren en alle vogelen geschapen werden op de vijfde, en alle landdieren met de mens op de zesde dag, maar volgens de geologie behoren enkele zoogdieren ook reeds tot de secundaire of $mesozoïsche periode. Zo blijkt er dus op vele gewichtige punten verschil te bestaan.

1 Bijv. Burmeister, Gesch. der Schöpfung, 7te Aufl. 1872 bl, 612. L. Reinhardt, Der Mens zur Eiszeit in Europa usw, München 1906 bl. 1 v,

2 Pfaff, Schöpfungsgesch. 485 v. Ulrici, Gott und die Natur 353 v, Reusch, Bibel und Natur 184 v, Zittel, Aus der Urzeit, 2e Aufl, 1875 bl, 537,

3 Augustinus, de civ. Dei XII 10.

4 Zöckler, Die Lehre vom Urstand des Mensen 1870 bl. 289 v. Schanz, Das Alter des Menschengeschlechts. Freiburg 1896 bl. 1 v.

5 Voetius, Disp. I 587. Hagenbach, D.G. 630 noot. Een parallel van zulk een goedgelovigheid levert in de nieuwere tijd Sigmumd Wellisch, die in zijn Das Alter der Welt und des Mensen. Wien Hartleben 1899, verzekert, dat de aarde 9108300, de maan 8824500, de mens in dierlijke toestand 1028000 en de mens als cultuurwezen 66000 jaar oud is, verg. Bew. de Gl. Mai 1900 bl.164.

6 Pfaff, Schöpfungsch. 640-666. Id., Das Alter der Erde. Zeitfr. des Chr. Volkslebens VII. Peschel, Volkerk/5 42-52. Haeckel, Nat. Schöpfungsgesch. 340 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept