Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

298. Er ligt tenslotte in de leer van het foedus operum nog een derde gedachte opgesloten, die van de rijkste religieuze en ethische betekenis is. Adam werd niet alleen geschapen; als man was hij op zichzelf incompleet; hem ontbrak iets, dat geen lager schepsel hem vergoeden kon, Gen. 2:20. Als man alleen was hij dus ook nog niet het ten volle ontplooide Beeld Gods. De schepping des mensen naar Gods Beeld is op de zesde dag dan eerst voltooid, als God beide, man en vrouw, in vereniging met elkaar, cf. Mtwa Gen. 1:27, schept naar Zijn Beeld. Toch is ook deze schepping van man en vrouw tezamen naar Gods Beeld niet het einde, maar het begin van Gods weg met de mens. Het is niet goed, dat de man; het is ook niet goed, dat man en vrouw alleen zijn. Over hen beiden spreekt God terstond de zegen der vermenigvuldiging uit, Gen. 1:28. Niet de enkele mens, en niet man en vrouw samen, maar de ganse mensheid is eerst het tenvolle ontplooide Beeld Gods, zijn zoon, zijn geslacht. Het Beeld Gods is veel te rijk, dan dat het in één enkel mensenkind, hoe rijk begaafd ook, geheel kan worden verwezenlijkt. Eerst in een mensheid met miljoenen leden kan het enigermate in zijn diepte en rijkdom worden ontvouwd. Gelijk de vestigia Dei verspreid zijn over vele, vele werken, beide in ruimte en tijd; zo is de imago Dei alleen ten voeten uit te tekenen in een mensheid, wier leden beide na en naast elkaar bestaan. Maar gelijk de kosmos een eenheid is en in de mens zijn hoofd en heer ontvangt; gelijk de door heel de wereld heen verstrooide vestigia Dei samengevat worden in en opgevoerd worden tot de imago Dei van de mens; zo is ook die mensheid op haar beurt als een organisme te denken, dat juist als zodanig eerst het tenvolle ontplooide Beeld Gods is. Niet als een hoop zielen op een stuk grond, niet als onsamenhangend aggregaat van individuen, maar als uit één bloed geschapen, als één huisgezin, als één familie is de mensheid het beeld en de gelijkenis Gods. Tot die mensheid behoort ook haar ontwikkeling, haar geschiedenis, haar zich steeds uitbreidende heerschappij over de aarde, haar vooruitgang in kennis en kunst, haar onderwerping van alle schepselen. Ook dit alles is ontvouwing van het Beeld en de gelijkenis Gods, waarnaar de mens werd geschapen. Gelijk God niet eenmaal bij de schepping Zich geopenbaard heeft, maar die openbaring voortzet en vermeerdert van dag tot dag en van eeuw tot eeuw; zo is ook het Beeld Gods geen onveranderlijke grootheid, maar het legt zich uit en ontplooit zich in de vormen van ruimte en tijd. Het is een Gabe en Aufgabe tegelijk; het is een onverdiend genadegeschenk, dat reeds terstond in de schepping aan de eerste mens werd verleend, maar het is tevens beginsel en kiem van een gans rijke, heerlijke ontwikkeling. Eerst de mensheid in haar geheel, als één volkomen organisme, samengevat onder één hoofd, verbreid over de ganse aarde, als profetes de waarheid Gods verkondigend, als priesteres zich Gode wijdende, als koningin de aarde en heel de schepping beheersende, eerst zij is het tenvolle afgewerkte beeld, de sprekendste en treffendste gelijkenis Gods.

De Schrift leert dit alles duidelijk, als zij zegt, dat de gemeente de bruid is van Christus, de tempel van de Heilig Geest, de woning Gods, het nieuwe Jeruzalem, waar alle heerlijkheid der volken wordt samengebracht. Want wel wordt daarmee de status gloriae getekend, die nu door de zonde heen bereikt worden zal; maar religie, zedenwet, eindbestemming zijn in werk en genadeverbond wezenlijk gelijk. In beide is het om een rijk Gods, om een heilige mensheid te doen, waarin God kan zijn alles in allen. Slechts één punt in deze voorstelling eist nog enige nadere bespreking. De mensheid is niet als een volkomen organisme te denken, tenzij zij verbonden en samengevat zij in een hoofd. In het foedus gratiae bekleedt Christus die rang, Hij is het hoofd der gemeente; in het foedus operum werd die plaats ingenomen door Adam. Reeds Eva werd daarom uit Adam geschapen, opdat deze principium totius speciei zou zijn en de eenheid van het menselijk geslacht wortelen zou in de eenheid van haar oorsprong. De vrouw is dus zeer zeker wel de menselijke natuur en het Beeld Gods deelachtig en zij vertegenwoordigt beide op een eigen wijze en naar haar eigen aard; maar zij is beide deelachtig niet tegenover maar naast anderen en in verbinding met de man; zij is ek androv,

dia ton andra, doxa androv, zij is niet zonder de man; en ook de man, schoon hoofd der vrouw en eikwn kai doxa yeou, omdat hij in de eerste plaats drager der heerschappij is, is toch ook zonder de vrouw niet compleet, ook hij is niet zonder de vrouw, want deze is de moeder aller levenden, 1Cor. 11:7-12, Ef. 5:22v. Bovenal echter wijst Paulus ons deze eenheid der mensheid aan, als hij Adam stelt tegenover Christus, Rom. 5:12-21, 1Cor. 15:22, 45-49. De mensheid is niet alleen fysisch uit één bloed, Hd. 17:26; dat was voor de mensheid niet genoeg, het geldt immers ook van al die diersoorten, welke in de beginne werden geschapen. Bovendien, Christus, de antitype van Adam, is niet onze stamvader; wij zijn niet fysisch uit Hem voortgekomen, maar Hijzelf is uit Adam, zoveel het vlees aangaat. In dit opzicht zijn Adam en Christus niet gelijk. Maar de overeenkomst ligt daarin, dat de mensheid in juridische en ethische zin tot Adam in dezelfde verhouding staat als tot Christus. Op dezelfde wijze als Christus oorzaak is van onze gerechtigheid en ons leven, is Adam het van onze zonde en onze dood. God rekent en oordeelt in één mens het ganse menselijk geslacht. Dit nu hebben de Gereformeerden in hun leer van het foedus operum uitgedrukt. Daarin komt eerst, niet maar de fysische, doch de ethische eenheid der mensheid tot haar recht. En deze is voor de mensheid als organisme noodzakelijk. In het algemeen eist de architectonische wet overal het monarchale systeem. Een kunstwerk moet beheerst worden door één gedachte; een leerrede moet één thema hebben; een kerk wordt voltooid in de toren; de man is het hoofd van het gezin; in een rijk is de koning drager van het gezag; het menselijk geslacht als één organisch geheel, als een ethische Gemeinschaft, is niet denkbaar zonder een hoofd. In het foedus operum bekleedde Adam die plaats. Het proefgebod bewijst, dat hij een geheel exceptionele positie innam; hij was stamvader niet alleen, maar ook hoofd, vertegenwoordiger van heel het menselijk geslacht; zijn daad was beslissend voor allen. Gelijk het lot van heel het lichaam rust bij het hoofd, dat voor alle leden denkt en oordeelt en beslist; gelijk het welzijn van een gezin afhangt van de man en vader; gelijk een vorst ten zegen of ten vloek kan zijn voor duizenden en miljoenen onderdanen; zo is het lot der mensheid in de handen van Adam gelegd. Zijn overtreding is de val geworden van heel zijn geslacht; maar zijn gehoorzaamheid was ook het leven voor al zijn nakomelingen geweest, gelijk de antitype Christus bewijst. Indien wij niet zonder ons weten in Adam der verdoemenis konden onderworpen worden, zouden wij ook niet buiten ons toedoen in Christus tot genade kunnen worden aangenomen. Werk en genadeverbond staan en vallen met elkaar. Eénzelfde wet geldt voor beide. Op de basis der fysische afstamming is een ethische eenheid gebouwd, welke de mensheid overeenkomstig haar aard als één organisme optreden doet en haar leden niet alleen door banden des bloeds, maar ook door gemeenschap aan zegen en vloek, aan zonde en gerechtigheid, aan dood en leven ten nauwste met elkaar verbindt.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept