Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

305. Hiermee is ook reeds de wijze aangegeven, op welke God Zijn voorzienigheid in de wereld uitoefent, en die oudtijds door de leer van de concursus uitgedrukt werd. Deze is even rijk als de verscheidenheid, welke bij de schepping in de schepselen is aangebracht. Sicut creationis magna est varietas, ita et gubernationis1. Door de schepping is een wereld in het aanzijn geroepen, die tegelijk een kosmov en aiwn verdient te heten en beide in ruimte en tijd een speculum lucidissimum gloriae divinae is2. De voorzienigheid dient nu, om de wereld van haar aanvang heen te leiden naar haar einddoel, zij treedt terstond bij de schepping in werking en handhaaft en brengt tot ontwikkeling, wat in die schepping gegeven is. Omgekeerd is de schepping op de voorzienigheid aangelegd; de creatie geeft aan de schepselen zulk een zijn, dat in en door de voorzienigheid tot ontplooiïng kan worden gebracht. Immers, de wereld werd niet geschapen in de toestand van zuivere potentie, als een chaos of nevelmassa, maar als een kosmos, en de mens werd daarin geplaatst niet als een hulpeloos wicht maar als man en vrouw; alleen van zulk een gerede wereld kon de ontwikkeling uitgaan en zo werd ze door de schepping aan de voorzienigheid aangeboden. Voorts was die wereld een harmonisch geheel, waarin de eenheid zich paarde aan de rijkste verscheidenheid; elk schepsel ontving zijn eigen aard en daarin een eigen zijn, een eigen leven en levenswet. Gelijk in Adams hart de zedewet was ingeschapen, als regel voor zijn leven, zo droegen alle schepselen in hun eigen natuur de principia en de wetten voor hun ontwikkeling. Alle dingen zijn geschapen door het Woord. Alles berust op gedachte. De ganse schepping is een systeem van ordinantiën Gods, Gen. 1:26,28; 8:22; Ps. 104:5,9; 119:90-91; Pred. 1:10, Job 38:10v., Jer. 5:24, 31:25v., Jer. 33:20,25. Hij gaf aan alle schepselen een orde, een wet, die ze niet overtreden, Ps. 148:63. Zij berust in al haar delen op de raad Gods, en deze komt uit in het kleine en in het grote; het komt alles voort van de Here der heerscharen. Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad, Jes. 28:23-29. en Hij is zeer te prijzen.

Zo leert ons de Schrift de wereld verstaan, en zo heeft ook de christelijke theologie het begrepen. Augustinus zei, dat er in de schepselen semina occulta, originales regulae, seminariae rationes waren ingeplant, die, in de geheime schoot der natuur verborgen, de principia aller ontwikkeling zijn. Quaecunque nascendo ad oculos nostros exeunt, ex occultis seminibus accipiunt progrediendi primordia, et incrementa debitae magnitudinis distinctionesque formarum ab originalibus tamquam regulis sumunt4. De wereld is daarom zwanger van de oorzaken der wezens; sicut matres gravidae sunt foetibus, sic ipse mundus gravidus est causis nascentium, quae in illo non creantur, nisi ab illa summa essentia, ubi nec oritur nec moritur aliquid nec incipit esse nec desinit5. Zij is een arbor rerum, die tak en bloesem en vrucht uit zichzelf voortbrengt6. God houdt de dingen toch zo in stand en werkt zo in hen, dat zij zelf als causae secundae meewerken. Dat zegt niet, dat men bij deze twee oorzaken moet blijven staan; wij moeten altijd opklimmen tot de oorzaak van alle zijn en beweging, en dat is alleen de wil Gods; voluntas conditoris conditae rei cujusque natura est7. In zover is de voorzienigheid niet alleen een positieve, maar ook een onmiddellijke daad Gods. Zijn wil, Zijn kracht, Zijn Wezen is in ieder schepsel en in elke gebeurtenis onmiddellijk present. Alles bestaat en leeft te samen in Hem, Hd. 17:28, Col. 1:17, Hebr. 1:3. Gelijk Hij de wereld door Zichzelf schiep, zo onderhoudt en regeert Hij haar ook door Zichzelf. Al werkt God ook door de causae secundae, dit is met het deïsme niet zo te duiden, dat zij tussen God en de werkingen met haar gevolgen zouden instaan en deze van Hem verwijderen. Immediate Deus omnibus providet quoad ordinis rationem8. Daarom is ook een wonder geen verbreking der natuurwet en geen van buiten af ingrijpen in de natuurorde. Het is van Gods zijde een daad, die niet meer onmiddellijk en rechtstreeks God tot oorzaak heeft dan iedere gewone gebeurtenis, en in de raad Gods en in de wereldidee neemt het een even geordende en harmonieuze plaats in als elk natuurlijk verschijnsel. In het wonder brengt God alleen een bijzondere kracht in werking, die, gelijk iedere andere kracht, werkt overeenkomstig haar eigen aard en wet en dus ook een eigen product ten gevolge heeft9.

Maar bij de schepping heeft God in de dingen zijn ordinanties gelegd, een ordo rerum, waardoor de dingen zelf onderling met elkaar in verband staan. Niet God hangt van die oorzaken af, maar wel hangen de dingen van elkaar af. Dat verband is velerlei: ofschoon het in het algemeen causaal kan worden genoemd, is causaal in deze zin dan toch geenszins met mechanisch te vereenzelvigen, gelijk het materialisme wil. Het mechanisch verband is maar één wijze, waarop een gedeelte der dingen in de wereld tot elkaar in betrekking staat. Gelijk de schepselen in de creatie een eigen aard ontvingen en onderling verschillen, zo is er ook onderscheid in de wetten, waarnaar zij werken, en in de verhoudingen, waarin zij tot elkaar staan. Deze zijn onderscheiden op fysisch en op psychisch terrein, in de instellectuele en in de ethische wereld, in huisgezin en maatschappij, in wetenschap en kunst, in de koninkrijken der aarde en in het koninkrijk der hemelen. Het is de voorzienigheid Gods, welke in aansluiting aan de schepping al deze onderscheiden naturen, krachten, ordinanties handhaaft en tot volle ontplooiing brengt. In de voorzienigheid doet God niet te niet maar eerbiedigt en ontwikkelt Hij, wat Hij in de schepping tot aanzijn riep. Ad providentiam divinam non pertin et naturam rerum corrumpere, sed servare10. Zo onderhoudt en regeert Hij dus alle schepselen overeenkomstig hun aard, de engelen anders dan de mensen en deze wederom anders dan dieren en planten. Maar in zover God nu in Zijn voorzienigheid de onderlinge verhoudingen der dingen in stand houdt en de schepselen onderling aan elkanders bestaan en leven dienstbaar maakt, kan zij middellijk heten. Immediate Deus omnibus providet, quoad ordinis rationem, quoad executionem ordinis vero per aliqua media providet11. Zo schiep Hij de engelen allen tegelijk, maar laat Hij de mensen uit één bloed voortkomen; zo houdt Hij sommige schepselen individueel, andere als soort en geslacht in stand; zo bedient Hij telkens Zich van allerlei schepselen als middelen in Zijn hand, om Zijn raad uit te voeren en Zijn doel te bereiken.

De christelijke theologie ontkende dit niet; integendeel heeft zij altijd op voorgang der Schrift met nadruk de natuurorde en het causaalverband der verschijnselen gehandhaafd. Het is onwaar, dat het christendom met zijn supranaturalisme aan een natuurorde vijandig zou zijn en de wetenschap onmogelijk zou maken, gelijk bijv. Draper en anderen met welgevallen proberen aan te tonen12. Veel juister is het oordeel van Du Bois Reymond, als hij zei: die neuere naturwissenschaft, wie paradox dies klingt, verdankt ihren ursprung dem christenthum13. In elk geval heeft het christendom de wetenschap, bepaaldelijk die van de natuur, mogelijk gemaakt en daarvoor de bodem bereid. Hoe meer toch de natuurverschijnselen, gelijk in het polytheïsme, verafgod worden en beschouwd als zichtbare beelden en dragers der Godheid, des te onmogelijker wordt een wetenschappelijk onderzoek, dat immers vanzelf het karakter van heiligschennis verkrijgt en het mysterie der Godheid verstoort. Maar het christendom heeft God en wereld onderscheiden en door zijn belijdenis van God als de Schepper aller dingen God losgemaakt uit de natuursamenhang en hoog boven deze geplaatst; onderzoek der natuur is geen aanranding der Godheid meer. Voorts heeft het daardoor tegelijk de mens vrij gemaakt van en zelfstandig geplaatst tegenover de natuur, gelijk de schone natuurbeschouwing bij Psalmisten en profeten, bij Jezus en de apostelen zo klaar bewijst; de natuur is voor de gelovige geen voorwerp van aanbidding en vreze meer14; terwijl hij in diepe ootmoed voor God zich buigt en van Hem volstrekt afhankelijk is, heeft hij juist de roeping, om de aarde te beheersen en alle dingen zich te onderworpen, Gen. 1:26. Afhankelijkheid van God is heel iets anders dan convenienter naturae vivere en zich schikken naar de omstandigheden. Velen redeneren zo, dat zij of alle dingen en gebeurtenissen aan Gods wil toeschrijven en verzet ongeoorloofd achten, of dat ze Gods voorzienigheid beperken en vele dingen stellen in handen van de mens15. Doch de Schrift waarschuwt ons beide tegen dit antinomianisme en dit pelagianisme en snijdt alle valse, fatalistische berusting en alle hoogmoedig zelfvertrouwen bij de wortel af. Bukken voor de natuurmacht is iets gans anders dan zich Gode kinderlijk te onderwerpen; en het beheersen der aarde is een dienen van God. De kapitein, die bij een storm in zijn hut ging bidden en in de Bijbel lezen, onderwierp zich wel aan de macht der elementen maar niet aan God16. Er ligt veel meer ware vroomheid in Cromwell’s woord: trust God and keep your powder dry. Vervolgens is het de belijdenis van God als de Schepper van hemel en aarde, welke aanstonds de gedachte meebrengt van de éne, absolute, nimmer tegen zichzelf verdeelde waarheid; van de harmonie en de schoonheid van de raad Gods; en dus ook van de eenheid van het wereldplan en van de orde der ganse natuur. Wenn in freier und grossartiger weise dem einen Gott auch ein einheitliches wirken aus dem ganzen und vollen zugeschrieben wird, So wird der Zusammenhang der dinge nach ursache und wirkung nicht nur denkbar sondern er ist sogar eine nothwendige consequenz der annahme17. De Schrift zelf gaat in de erkenning van zulk een natuurorde, van allerlei ordinanties en wetten voor de geschapen dingen, ons voor. En het wonder maakt daar zo weinig inbreuk op, dat het die vaste natuurorde veeleer onderstelt en bevestigt. De christelijke kerk en theologie hebben zulk een ordo rerum ten allen tijde graag erkend; Augustinus beriep zich telkens op het woord in Wijsh. 11:20, omnia mensura numeroque et pondere ordinasti. Zij hebben althans in de eerste tijd tegen het verschrikkelijk bijgeloof, dat in de derde en vierde eeuw tot een buitengewone hoogte steeg, met kracht zich verzet, en met name ook de astrologie bestreden18. De strijd, die er menigmaal uitbrak, werd niet gevoerd tussen christendom en natuurwetenschap; de partijen waren gans anders gegroepeerd; het was meestijd een strijd tussen oude en nieuwe wereldbeschouwing, waarbij er gelovige christenen stonden aan beide kanten19.

Deze principiëel juiste natuurbeschouwing, welke de theologie voorstond, blijkt nergens duidelijker uit dan uit haar leer van de concursus en de causae secundae. In het pantheïsme en in het deïsme kan deze leer niet tot haar recht komen. Daar zijn er geen causae, en hier geen causae secundae meer. In het pantheïsme worden de causae secundae, d.i. de binnen de kring van het geschapene naastliggende oorzaken der dingen met de causa prima, dat is God, vereenzelvigd. Er is tussen beide geen onderscheid van substantie en werking; God is materialiter en formaliter het subject van alwat geschiedt, dus ook van de zonde; hoogstens zijn de zogenaamde twee oorzaken gelegenheden en passieve instrumenten voor de werkingen Gods. Vroeger slechts sporadisch voorkomende, kwam deze leer in de nieuwe filosofie van Cartesius tot heerschappij en leidde zo tot het idealisme van Berkeley en Malebranche en tot het pantheïsme van Spinoza, Hegel, Schleiermacher, Strausz en anderen. Zo zegt b.v. Malebranche, qu’il n’y a qu’une vraie cause parce qu’il n’y a qu’un vrai Dieu, que la nature ou la force de chaque chose n’est que la volonté de Dieu, que toutes les causes naturelles ne sont point de véritables causes, mais seulement des causes occasionnelles. Ware oorzaak kan God alleen zijn, omdat Hij alleen scheppen en deze macht aan geen schepsel meedelen kan; indien schepselen werkelijk oorzaak konden zijn van bewegingen en verschijnselen, dan zouden zij zelf goden zijn, maar toutes ces petites divinités des payens et toutes ces causes particulières des filosophes ne sont que des chimères, que le malin esprit tache d’établir pour ruiner le culte du vrai Dieu20. Er zijn dus slechts fenomenen, voorstellingen, en de enige realiteit, kracht, substantie, die daarachter schuilt, is die van God Zelf21.

Omgekeerd worden in het deïsme de causae secundae van de causa prima gescheiden en zelfstandig gemaakt; de causa prima wordt geheel tot de schepping, tot het geven van het posse, beperkt en bij het velle en facere geheel buitengesloten, gelijk in het oorspronkelijk Pelagianisme; of de beide causae worden gedacht als causae sociae, die naast en met elkaar werken, gelijk twee paarden een wagen voorttrekken, al is het een dan misschien sterker dan het andere, gelijk in het semipelagianisme en synergisme; het schepsel wordt hier schepper van zijn eigen daden. Nu zegt echter de Schrift, en dat God alles werkt, zodat het schepsel slechts een instrument is in Zijn hand, b.v. Jes. 44:24, Ps. 29:3, 65:11 [Ps. 65:10], 147:16, Matt. 5:45, Hd. 17:25 enz., dat de voorzienigheid van de schepping onderscheiden is en het bestaan en de zelfwerkzaamheid der schepselen onderstelt, bv. Gen. 1:11,20,22,24,28 enz. Daarmee in overeenstemming leert de christelijke theologie, dat de causae secundae volstrekt aan God als prima causa gesubordineerd zijn en toch in die subordinatie echte, ware causae blijven. Een enkele week hier weliswaar zijwaarts af, zoals de nominalist Biel in de Middeleeuwen, en ook Zwingli in de tijd der hervorming, die de twee oorzaken ten onrechte zo genoemd achtte en ze liever instrumenten wilde noemen22.

Maar desniettemin was het constante leer der christelijke kerk, dat de twee oorzaken wel geheel en al van de eerste oorzaak dependent, maar tegelijk toch ook ware, wezenlijke oorzaken zijn. God vloeit met Zijn almachtige kracht in iedere causa secunda in en is met Zijn Wezen in haar tegenwoordig bij haar begin, voortgang en einde. Hij is het, die haar poneert en tot handelen brengt (precursus), en voorts ook in haar werking tot op haar effect toe begeleidt en leidt (concursus); Hij werkt het willen en het werken naar zijn welbehagen. Maar deze inwerking der causa prima in de causae secundae is zo Goddelijk groot, dat Hij juist daardoor die causae secundae tot eigen werkzaamheid brengt. Providentia Dei causas secundas non tollit sed ponit23. De concursus is juist de oorzaak van de zelfwerkzaamheid der twee oorzaken; en deze, door Gods mogendheid van het begin tot het einde gedragen, werken met een propria et insita virtus. Zo weinig doet de werkzaamheid Gods de werkzaamheid van het schepsel teniet, dat deze laatste te krachtiger wordt, naarmate de eerste rijker en voller zich openbaart. De causa prima en secunda blijven dus twee onderscheiden oorzaken; de eerste vernietigt de tweede niet, maar schenkt haar juist realiteit, en de tweede is er alleen door de eerste. Ook zijn de causae secundae geen instrumenta slechts, geen organa, geen stokken en blokken, maar echte, wezenlijke oorzaken, met eigen natuur, kracht, spontaniteit, werking en wet. Sathan et les mechans ne sont pas tellement instrumens de Dieu, que cependant ils n’operent aussi bien de leur coste. Car il ne faut pas imaginer, que Dieu besongne par un homme inique comme par une pierre ou par un tronc de bois, mais il en use comme d’une creature raisonnable, selon la qualité de sa nature, qu’il luy a donnée. Quand donc nous disons, que Dieu opere par les mechans, cela n’empeche pas que les mechans n’operent aussi en leur endroict24. Ten opzichte van God kunnen de causae secundae bij instrumenten worden vergeleken, Jes. 10:15, 13:5, Jer. 50:25, Hd. 9:15, Rom. 9:20-23; ten aanzien van haar effecten en producten zijn zij causae in eigenlijke zin. En juist omdat de eerste en tweede oorzaak niet dualistisch naast elkaar staan en werken, maar de eerste werkt door de tweede heen, daarom is de werking, die van beide uitgaat, één en ook het product is één. Er heeft geen arbeidsverdeling plaats tussen God en zijn schepsel, maar dezelfde werking is geheel en al werking van de causa prima en evenzo geheel en al werking van de causa proxima; en het product is in diezelfde zin geheel product van de eerste en geheel product van de tweede oorzaak. Omdat echter de causa prima en de causa secunda niet identiek zijn maar in wezen verschillen, daarom is wel de werking en het product realiter geheel en al werking en product van beide oorzaken; maar formaliter zijn zij toch alleen werking en product van de tweede oorzaak. Het hout brandt, en het is God alleen, die het branden doet, doch formeel mag het branden niet aan God maar moet het alleen aan het hout als subject worden toegeschreven. De mens spreekt, handelt, gelooft, en het is God alleen, die de zondaar alle leven en kracht verleent, welke hij tot het bedrijven van een zonde nodig heeft; doch de zonde heeft niet God maar de mens tot subject en auteur. Op deze wijze trekt de Heilige Schrift de lijnen, binnen welke de verzoening van Gods soevereiniteit en van ‘s mensen vrijheid gezocht worden moet.

1 Alsted, Theol. schol. 315.

2 Verg. Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 34 De Schepping; 259

3 Verg. Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 11 Bijzondere Openbaring; 93 e.v.

4 Augustinus, de trin. III 7. de Gen. ad lit. IV 33.

5 Augustinus, de trin. III 9.

6 Id., de Gen. ad lit. VIII 9.

7 Id., de civ. Dei XXI 8. de trin. III 6-9.

8 Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 3. qu. 103 art. 6. qu. 103 art. 2. c. Gent III 76 v.

9 Verg. deel I 387 (Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 12 Openbaring en Natuur; 101) v. en voorts nog Paul Mezger, Ratsel des christl. Vorschungsglaubens 1904 bl. 20 v.

10 Thomas, S. Theol. II 1 qu. 10 art. 4.

11 Thomas, S. Theol. I qu. 22 art. 3.

12 Draper, Gesch. van de worsteling tussen godsdienst en wetenschap. Haarlem Bohn 1887.

13 Du Bois Reymond, Kulturgesch. und Naturw. Leipzig 1878. bl. 28. Verg. ook Lange, Gesch. des Mater. 1882 bl. 129 v. Martensen Larsen, Die Naturwissenschaft in ihrem schuldverhaltnis zum christenthum. Berlin 1897. Dennert bij Nieuwhuis, Twee vragen des tijds 1907 bl. 9-52. De verdiensten der Kath Kerk ten opzichte der natuurwet. Naar het Eng. met voorbericht van F. Hendrichs. Amsterdam 1906.

14 Mit souveränem Selbstbewustsein steht der Hebrëer der Welt und der Natur gegenüber (-) Furcht vor der Welt kennt er nicht (-) aber auch mit dem gefühl der höchsten Verantwörtlichkeit. Als Gottes Stellvertreter beherrscht der mens die welt, aber auch nur als solcher Seiner willkür darf er nicht folgen, sondern allein dem geoffenbarten Gottes willen. Das heidenthum schwankt zwischen übermüthigem missbrauch der welt und kindischer furcht vor ihren mächten. Smend, Altt. Rel. Gesch. 458.

15 Zo bijv. Beyschlag t.a.p. bl. 24 v.

16 Harris, God the Creator and Lord of all I 545.

17 Lange, Gesch. des Mater. bl. 130.

18 Augustinus, de civ. V 1-8. Thomas, S. c. Gent. III 84 v. Calvijn, Contre l’astrologie, C. R. 35 bl. 509-544. Turretinus, Theol. El. VI qu. 2. Moor II 435. M. Vitringa II 18O enz. Verg. ook Harnack, Mission und Ausbreitung des Christ./2 1906 I 108 v.

19 Verg. Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 36 De stoffelijke wereld; 271.

20 Malebranche, De la recherche de la vérité 1. 6 p. 2 ch. 3. Eclaircissement 15”

21 Verg. Kleutgen, Filos. der Vorzeit II/2 336-347. Hodge, Syst. Theol. I 592.

22 Zwingli, de provid., Op. IV 95 v. Verg. de Amerikaanse theoloog Emmons hij Strong, Syst. Theol. New York 1890 bl. 205. Hodge, Syst. Theol. I 594. H.B. Smith, Syst. of Christ. Theol. 1890 bl. 103.

23 Wollebius hij Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 191.

24 Calvijn Corpus Ref. 35,188.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 2. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1908. (revised) [466]
x
This website is using cookies. Accept