Wijsbegeerte der openbaring The Philosophy of Revelation

VI.

VI.

Openbaring en Religie.

Revelation and Religion*

120 In de gedachte, dat de geschiedenis evenals de natuur in openbaring wortelt en tot hare verklaring openbaring behoeft, worden wij in zeer sterke mate bevestigd, wanneer wij op eene van hare voornaamste beweegkrachten, n.l. den godsdienst, de aandacht vestigen. Reeds het bloote feit, dat godsdienst bestaat, zegt zoo veel. Duivelen hebben geen godsdienst, omdat zij wel van het bestaan Gods overtuigd zijn, maar door de gedachte aan God slechts tot vreeze en tot haat worden bewogen; bij dieren is er van godsdienst geen sprake, omdat de Godsidee onmisbaar in den godsdienst is en deze hun ten eenenmale evenals alle abstracte begrippen ontbreekt; de eerbied van den hond voor zijn meester moge eenig beeld en gelijkenis vertoonen van wat in den mensch godsdienst is, maar analogie is ook hier geen identiteit. 1 Daarentegen is religie aan alle volken en aan alle menschen eigen; zoo diep gezonken is schier geen menschelijk wezen, of hij heeft besef van het bestaan Gods en van zijn plicht tot vereering. Dit feit is van eene buitengewone beteekenis; de mensch, ook in zijne verste afdwalingen, blijft aan den hemel gebonden; in het dienst van zijne ziel ligt hij aan eene wereld van onzienlijke, bovennatuurlijke dingen vast; in zijn hart is hij een supranatureel wezen; zijn rede en geweten, zijn denken en willen, zijne behoeften en genegenheden zijn in het eeuwige gegrond. En de godsdienst is daarvan het onweerlegbaar bewijs. Deze wordt hem daarom niet 121 door dwang opgelegd of door bedrog ingeprent, maar komt, schoon van buiten gevoed, spontaan uit zijne eigene natuur op. De godsdienst van den mensch is in zijn gevallen toestand wel altijd een eigenwillige, maar tevens toch ook steeds een vrijwillige dienst. leder mensch erkent en belijdt daarin, dat hij slechts vrij kan zijn in volstrekte afhankelijkheid; dat hij alleen zichzelf, dat hij alleen mensch is en zijn kan, als hij God dient. Het volstrekte afhankelijkheidsgevoel sluit de vrijheid in; de onderworpenheid des menschen aan God draagt een eigen karakter en is van die bij duivelen en bij dieren daarin onderscheiden, dat zij met zijne verwantschap aan God onafscheidelijk verbonden is; in den godsdienst zijn steeds beide zijden vereenigd, al treedt nu eens het theocratische, dan het theanthropische element meer op den voorgrond. 2

142 We shall be strongly confirmed in the view that history as well as nature is rooted in revelation and needs it for its explanation, if we fix our attention upon one of its most prominent motive powers, namely, religion. The bare fact that religion exists already means much. Demons have no religion; they are no doubt convinced that God exists, but the thought of God moves them only to fear and hatred. We cannot speak of religion in animals; the idea of God is indispensable to religion, and animals entirely lack this idea, as they lack all abstract conceptions. The veneration of a dog for his master may show some resemblance and likeness to what religion is in man, but analogy is not identity. 1 On the other hand, religion is characteristic of all peoples and all men; however deeply a human being may be sunk in degradation, he is conscious of the existence of God and of his duty to worship him.

This fact is of extraordinary significance; however far man may wander from God, he remains bound to heaven; in the depths of his soul he is linked to a world of unseen and supernatural things; in his heart he is a supernatural being; his reason and conscience, his thinking and willing, his needs and affections have their ground in that which is eternal. And religion is the irrefutable proof of this. It is not thrust upon him by force or foisted 143 upon him by deceit, but it rises spontaneously from his own nature, although it is nourished from without. The religion of man in the fallen state is no doubt always arbitrary, but at the same time also voluntary, service. Thereby every man acknowledges and confesses that he can be free only in absolute dependence; that he can be true to himself and he a human being only when serving God. The feeling of absolute dependence includes freedom; the subjection of man to God bears a character of its own, and is distinguished from that of demons and animals by being inseparably conjoined with his affinity to God. In religion these two things are always united, although sometimes the theocratic, and then again the theanthropic, element predominates. 2

Wel bestaat er een streven, om den godsdienst zoowel in het leven van den enkelen mensch als ook in de geschiedenis der menschheid te verdringen van de centrale plaats, die hij daar inneemt. Maar dit streven is van te voren met onvruchtbaarheid geslagen, omdat het in botsing komt met de onveranderlijke behoeften der menschelijke natuur.

It is true there is an effort being made to remove religion from the central place which it occupies in the life of the individual as well as in the history of the race. This effort, however, is doomed from the outset to prove abortive, because it clashes with the unchangeable needs of human nature.

Toen de Mercure de France ten vorigen jare eene enquête instelde over de vraag naar ontbinding of evolutie van den godsdienst, maakten wel enkelen van de gelegenheid gebruik, om hun haat tegen alle kerk en religie te luchten of hare toekomstige verdwijning uit te spreken. Maar behalve dat dezen nog dikwerf in de naastenliefde, in de socialistische maatschappij, in de zedelijkheld, de wetenschap of het spiritisme eene vergoeding voor den godsdienst zochten, verreweg de meesten waren overtuigd, dat de godsdienst, schoon hij in vormen veranderen mocht, toch in zijn wezen onuitroeibaar was en ook door alle crisis heen zou voortbestaan. En zij grondden hunne overtuiging inzonderheid op deze twee overwegingen, dat de godsdienst diep geworteld is in de menschelijke natuur, 3 en de wetenschap, die alleen de betrekkingen tusschen de dingen, maar nooit hun oorsprong, wezen en einde doet kennen, nimmer aan de behoeften van het menschelijk hart zal kunnen voldoen. 4 Achter het bekende, dat de wetenschap 122 ons ontsluiert, blijft altijd liggen, verheven, oneindig en zwijgend, het gebied, waar de opperste macht woont, van welke wij afhangen, en in den mensch komt altijd uit het binnenste van zijne persoonlijkheid de godsdienst weer op. 5

When the Mercure de France last year opened a discussion on the dissolution or evolution of religion, some, it is true, used the occasion to air their hatred of the church and religion or to predict their approaching disappearance. But even among those there were some who sought a substitute for religion in altruism and socialistically organized society, in morality, science, or spiritualism. And an overwhelming majority were convinced that religion, although its forms may change, nevertheless in its essential nature is ineradicable and will survive all the crises through which it may have to pass. They based their conviction especially upon these two considerations, that religion is deeply rooted in human nature, 3 144 and that science, which can make known only the inter-relations of things, but never their origin, essence, and end, will never be able to satisfy the needs of the human heart. 4 Beyond that from which science has drawn away the veil there always remains unexplored the domain, sublime, immense, and silent, where the supreme power dwells on which we depend; and from the innermost recesses of man's personality religion always rises anew. 5

En wat alzoo van het heden gezegd en voor de toekomst verwacht wordt, vindt zijn grondslag en steun in het verleden. Een enkele moge nog anders spreken, het is thans algemeen erkend, dat er geen volken zonder godsdienst bestaan, en dat de godsdienst overal reeds voorkomt, waar wij aan de hand der historie in het verleden terug kunnen gaan. 6 En dat niet alleen, maar van den aanvang af is hij het bezielend element van alle cultuur geweest. Wel is waar heeft men hierbij voor eenzijdigheid zich te wachten, en de werkelijkheid niet te construeeren naar eene theorie. Van zijn oorsprong af was de mensch niet alleen een godsdienstig, maar ook een zedelijk en een lichamelijk wezen; verschillende behoeften en krachten waren van zijn ontstaan af in hem aanwezig en werkten met elkander saam. Het is dus te sterk gesproken, wanneer Morris Jastrow beweert, dat wetenschap, kunst en zedelijkheid uit den godsdienst zijn ontsproten; ze zijn veeleer samen, in verband met elkander, voortgekomen uit de verschillende behoeften en neigingen der ééne menschelijke natuur. 7 Geen monistisch abstract beginsel, maar de totaliteit dier menschelijke natuur is het uitgangspunt van alle ontwikkeling geweest; evenmin als de behoefte aan spijs en drank, deksel en kleeding, hebben landbouw en nijverheid, wetenschap en kunst, en de verschillende bestanddeelen der cultuur rechtstreeks uit den godsdienst zich ontwikkeld; zij hebben een eigen wortel in de menschelijke natuur en hebben daarom ook een eigen karakter en leven. Maar wel behoort en behoorde de godsdienst ten allen tijde tot de innerlijkste bewegingen van het menschelijk gemoed, en liet zijn invloed daarom ook gelden op heel het leven met al zijne uitingen en werkzaamheden. Bij wetenschap, wijsbegeerte, kunst enz., hebben zeer zeker dus ook andere factoren dan de religieuze medegewerkt, zooals wetensdrang, behoefte aan versiering, spel enz.; maar hoe meer wij in het verleden teruggaan, des te meer vinden wij godsdienst, zedelijkheid, kennis, kunst en alle elementen der beschaving nog ongescheiden en 123 ongedifferenciëerd bijeen; zij bestaan ieder nog niet zelfstandig naast elkander, maar liggen onontwikkeld in eene zelfde kiem besloten. Aan de differentiatie ging een complex, eene totaliteit van ervaringen vooraf. En onder deze namen die van godsdienstigzedelijken aard de eerste plaats in. In dezen zin mag men zeggen, dat de religie de innigste drijfveer van het proces der beschaving, de moeder der kunsten en van alle wetenschappen is geweest. 8

What is thus said of the present and expected in the future finds its foundation and support in the past; there are no peoples without religion, and history takes us back to no past in which religion is not already the universal possession of man. 6 And not only so, but from the beginning it has ever been the vitalizing element of all culture. Of course we must beware here of one-sidedness and take care not to construe actuality in the terms of a theory. From his origin man has been not only a religious, but also a moral and corporeal being; various wants and powers have been implanted in him from the beginning of his existence, which have worked together harmoniously. Morris Jastrow's assertion that science, art, and morality have grown out of religion, is too strongly put; they rather have come forth together in intimate connection with one another, out of the several wants and inclinations of human nature as such. 7 No monistic abstract principle, but the totality of human nature has been the starting-point of all development; just as little as the need of food and drink, shelter and raiment, have there been developed immediately from religion, agriculture, and industry, science and art and the several constituent parts of culture; every one of them has its own root in human nature, and hence its own 145 particular character and life. But religion certainly belongs, and always has belonged, to the most intimate movements of the human heart, and has made its influence felt upon the whole life, with all its experiences and activities. Most certainly other agencies besides religion have been at work in the development of science, philosophy, art, etc., as, for instance, curiosity, desire for adornment and sport, and the like. But the more deeply we sink ourselves in the past, the more we find religion, morality, knowledge, art, in fact all the elements of civilization together, undivided and undifferentiated. They do not yet exist independently side by side with one another, but lie still undeveloped, enclosed in the same germ. A complex, a totality of experiences preceded the differentiation. And among these those of a religio-moral kind took the first place. In this sense it may be said that religion has been the deepest cause of the process of civilization, the mother of arts and of all sciences. 8

Voor het onderzoek naar den oorsprong van den godsdienst is deze beschouwing der menschelijke natuur van groot gewicht. Tegenwoordig bestaat in de wetenschap het streven, om de religie eerst los te maken uit het organisch verband, waarin zij in het leven voorkomt, en alzoo naar haar oorsprong onderzoek te doen. Men handelt met den godsdienst als de chemicus met de stoffen, die hij uit haar samenhang met de werkelijkheid losmaakt en dan in hare bestanddeelen ontleedt. Wetenschappelijk is dit van hoog belang, indien men maar niet vergeet, dat het proces, hetwelk de wetenschap haar object doet ondergaan, een geheel ander is dan dat, hetwelk in de werkelijkheid voorkomt. Er is geen enkel bewijs voor, dat de elementen oorspronkelijk alle onvermengd hebben bestaan; en zoo ontbreekt ook alle grond voor de bewering, dat de factoren, die wij thans in het godsdienstig leven ontdekken, ooit afzonderlijk hebben bestaan. De werkelijkheid ziet er anders uit dan de theorie. Altijd is het leven, het volle, rijke leven het eerste: de abstracties van het denken komen eerst later. Wanneer de wetenschap bij het onderzoek naar den oorsprong der dingen uitsluitend door de gedachte der evolutie zich leiden laat en daarom altijd tot de nietigste aanvangen, tot de armste beginselen tracht terug te gaan, dan verheft zij eenvoudig de abstracties van het denken tot krachten in de werkelijkheid en neemt bij de verklaring der dingen tot de mythologie de toevlucht. Geen afgetrokken beginsel, geen enkelvoudige kracht is echter de oorsprong van het rijke menschelijke leven geweest, en geen rechtlijnige wet van evolutie heeft zijne ontwikkeling geleid. Als wij in de werkelijkheid zoover mogelijk tot de oorsprongen teruggaan, vinden wij eene menschelijke natuur, die alles reeds bevat, wat zij later uit zichzelve voortbrengt. Natuurlijk en geestelijk 124 leven, godsdienst en zedelijkheid, kennis en kunst, gevoel voor schoonheid en besef van waarden zijn van den aanvang af in den mensch verbonden. Het ervaringsleven is de achtergrond van alle ontwikkeling en beschaving. 9

This consideration of human nature is of great importance for the investigation of the origin of religion. At present there is a tendency among men of science first to dissolve the organic connections in which religion appears in life, and then to investigate its origin. They treat religion as a chemist does the substances, which he separates from their actual connections and then analyzes into their component parts. Scientifically this is of high value, if only we do not forget that the process to which science subjects its object differs entirely from that which happens in actuality. There is no proof at all that the elements have all existed originally in an unmixed state; and similarly there is no ground for asserting that the factors which we at present discover in the religious life ever existed separately. Actuality presents a different appearance 146 from theory. Life, full, rich life, is always first; the abstractions of our thinking come only later. When science in its search for the origin of things allows itself to be exclusively guided by the idea of evolution, and therefore ever endeavors to go back to the most insignificant beginnings, to the most meagre principles, it simply elevates the abstractions of thought into concrete powers, and in its interpretation of things takes refuge in mythology. No abstract principle, however, no simple power has been the origin of human life in all its richness, and no rectilinear law of evolution has directed the development. When we go back in the actual as far as possible to the origins, we find a human nature which already contains everything which it later on produces out of itself. Natural and spiritual life, religion and morality, knowledge and art, sense of beauty and consciousness of values, have been united in man from the beginning. The experiences of life are the background of all development and civilization. 9

Het onderzoek naar de oorsprongen der dingen, van godsdienst en zedelijkheid, wetenschap en kunst, gezin en maatschappij en staat enz. heeft dit in de laatste jaren in het helderst licht gesteld. Natuurlijk is er hierbij in den strengen zin van het woord van geen wetenschappelijk, hetzij natuurkundig, hetzij historisch, onderzoek sprake. Want de genoemde elementen van cultuur bestaan alle, zoover wij in de geschiedenis terug kunnen gaan. Als Lubbock trachtte te bewijzen, dat alle volken eene phase van atheïsme doorloopen hadden, 10 overschreed hij daarbij niet alleen de grenzen van ons empirisch weten, maar fingeerde hij ook een toestand, die, indien hij ooit bestaan had, voor ons, bij wie de religie een integreerend bestanddeel van ons leven is, totaal onverstaanbaar zou zijn. 11 Van wezens, die geen dieren maar menschen en dan toch van allen godsdienst ontbloot zijn, kunnen wij ons geene voorstelling vormen; zij zijn ondenkbaar en onbestaanbaar. En feitelijk staat het zoo met alle bestanddeelen der menschelijke beschaving geschapen; er zijn geen menschen denkbaar zonder eenige kennis en kunst, zonder eenig huiselijk en maatschappelijk leven, zonder eenig besef van zedelijkheid en recht. Wanneer de wetenschap dan toch achter den cultuurtoestand wil doordringen en zich eene voorstelling wil vormen van de wijze, waarop al deze verschijnselen in het menschelijk leven ontstaan zijn, dan is zij uit den aard op vermoedens en gissingen aangewezen. Dit wordt dan ook door velen openlijk erkend. Zoo zegt b.v. Oscar Hertwig in het algemeen van de descendentie in het verleden: „beim Versuch, die genealogische Ketten der Säugethiere, der Amphibien und Fische in die Vorzeit zurückzuvervolgen, geraten wir in ein Dunkel, in welches auch die helle Leuchte der Wissenschaft mit keinem Lichtstrahl hineinzudringen vermag, und so lauft die Forschung Gefahr, von jener Bahn abzuweichen, auf der sie allein zur Erkenntnis des Wahren und damit zu dauernden Erfolgen gelangen kann." 12 Voor de wetenschap, die naar de 125 oorsprongen van familie, eigendom, maatschappij enz., een onderzoek instelt, wordt, volgens Ludwig Stein, „ein Operieren mit Hypothesen zur fatalen, aber unabwendbaren Notwendigkeit." 13 En ten aanzien van den oorsprong der religie zeggen Lehmann en Troeltsch, Tiele en Pfleiderer en vele anderen eenparig, dat er hierbij van een weten evenmin thans als vroeger sprake kan zijn, en dat men zich met vermoedens en hypothesen tevreden moet stellen. 14

The researches of recent years into the origin of things, of religion and morality, science and art, family, society, and state, have put this in the clearest light. Of course we cannot speak here in the strict sense of the word of a scientific investigation, whether naturalistic or historical, for the elements of culture we have mentioned have always existed, as far as history carries us back. When Lubbock tried to prove that all peoples have passed through a phase of atheism, 10 he not only overstepped the limits of our empirical knowledge, but he also invented a condition which, if it ever had existed, would be totally unintelligible to us, in whose life religion forms an essential part. 11 We can form no conception of beings which are not animals, but men, and which yet wholly lack 147 religion; they are unthinkable and impossible. The case is, in fact, the same with all the component parts of human civilization; men are not thinkable without some knowledge and art, without some kind of family and social life, without some conception of morality and justice. If, notwithstanding all this, science continues to attempt to penetrate behind all culture and to form a conception of the way in which all these phenomena arose in human life, it is in the nature of the case shut up to conjectures and guesses. Thia is frankly acknowledged by many. For instance, Oscar Hertwig, speaking generally of descent in the past, says: “When we try to trace the genealogical chains of the mammals, amphibians, and fishes in primitive times, we launch into a darkness which even the bright light of science cannot penetrate with a single ray, and scientific research is accordingly exposed to the danger of deviating from that path in which alone it can reach knowledge of the truth and consequently permanent results." 12 It is “a fatal and yet unavoidable necessity for the science which investigates the origins of the family, property, society, etc.," says Ludwig Stein, “that it is compelled to operate with hypotheses." 13 And with respect to the origin of religion it is agreed by Lehmann and Troeltsch, Tiele and Pfleiderer, and many others, that it is as impossible now as in former days to speak of a knowledge of these things, and we have to be content with conjectures and hypotheses. 14

Opdat deze hypothesen nu niet geheel in de lucht zouden hangen, tracht men ze te steunen met gegevens, die door embryologie en anthropologie, door palaeontologie en ethnographie aan de hand worden gedaan. Studie van dier en kind eenerzijds en studie van de zoogenaamde natuurvolken anderzijds worden te hulp geroepen, om eenigszins een beeld te vormen van dezen primitieven, nog van alle cultuur verstoken mensch. Maar de methoden, die hierbij toegepast en de uitkomsten, die er volgens sommiger meening verkregen zijn, boezemen weinig vertrouwen in en verzwakken bij nadere kennismaking de hoop, dat men langs dezen weg tot eenige zekerheid aangaande 's menschen oorspronkelijken toestand zal komen.

That these hypotheses may not hang wholly in the air an attempt is made to support them with data derived from embryology and anthropology, from palaeontology and ethnography. Study of the animal and the child on the one hand, and on the other study of the so-called nature-peoples, is pressed into service in order to form in some 148 sense an idea of primitive man still wholly without culture. But the method which is thus employed, and the results which some think they have obtained, inspire little confidence, and on better acquaintance evacuate the hope that along this road we shall ever reach any certainty about man's original condition.

Gewoonlijk toch gaat men stilzwijgend van de waarheid der descendentieleer uit. Bij Darwin hing dit geloof ten nauwste samen met de overtuiging, dat hij ze door natural selection en struggle for life verklaren kon; maar ofschoon velen tegenwoordig aan dit eigenlijke Darwinisme voor de ontwikkeling der levende wezens geenerlei of slechts geringe waarde meer toekennen, blijven zij toch de descendentietheorie onverzwakt handhaven. Als werkhypothese heeft de gedachte der evolutie ook onmiskenbare beteekenis; zij doet analogieën vinden, die anders waarschijnlijk niet opgemerkt zouden zijn, en biedt een leiddraad aan, waarmede men in den doolhof der verschijnselen den weg vinden kan. Maar desniettemin mag de wetenschap nooit uit het oog verliezen, dat zij met eene hypothese, en niet, gelijk Haeckel meent, 15 met eene „festbegründete Thatsache" te doen heeft. Bezadigde natuurvorschers, die alleen de feiten laten spreken, oordeelen anders, niet alleen vroeger bij monde van Virchow, maar ook thans nog bij monde 126 van Branco, Reinke, Wasmann en anderen; zoo erkende Reinke in 1900: „rückhaltlos müssen wir bekennen, dass kein einziger völlig einwurfsfreier Beweis für ihre Richtigkeit vorliegt" en tweejaren later nog sterker, dat de wetenschap van den oorsprong des menschen niets weet. En op het internationaal zoölogencongres te Berlijn in 1901 legde Branco het getuigenis af, dat de palaeontologie geene voorvaderen van den mensch kent en dat deze plotseling en „unvermittelt", als een volkomen homo sapiens, in den diluvialen tijd voor ons optreedt. 16 Geestelijk en lichamelijk blijft de klove tusschen dier en mensch even groot, als ze vroeger was. De schedel- en hersenvorming wordt bijv. wel tusschen de andere zoogdieren en de apen overbrugd, maar niet tusschen deze en den mensch. Onder alle thans levende zoogdieren is er niet een, dat zich in dit opzicht met den mensch kan meten. Ook Stanley Hall moet erkennen, „the interval between the highest anthropoid brain of 550 cub. centimeter and that of the lowest man 1150 cub. centimeter, is almost as lost as a sunken Atlantis"; als hij daarmede de gedachte verbindt, dat al de voorvaderen van den mensch toevallig zijn uitgeroeid, is dit een noodsprong, waaraan alle wetenschappelijke waarde ontbreekt 17. De gemeenschappelijke stamvader van aap en mensch is „ein blosses Gedankending". 18 Elke conclusie uit het dier tot den oorspronkelijken mensch mist daarom den hechten, wetenschappelijken grondslag. En niet zonder beteekenis is het, dat vele aanhangers der descendentieleer in den laatsten tijd aan de historische zoölogie den rug hebben toegekeerd en hun heil verwachten van de experimenteele morphologie. 19

Commonly the truth of the doctrine of the descent of man is tacitly presupposed. In Darwin himself this assumption had at least the foundation that he could explain it by means of “natural selection" and “the struggle for existence;" but although many have now discarded Darwinism in its original form, either altogether or in part, as an explanation of the development of living beings, they still hold the theory of descent unimpaired. As a working hypothesis the idea of evolution undoubtedly is of undeniable significance; it leads to the discovery of analogies which otherwise probably would not have been noticed, and offers a clue which opens a way through the labyrinth of phenomena. Nevertheless, science must never lose sight of the fact that it is dealing in it with an hypothesis and not, as Haeckel supposes, 15 with a “firmly established fact." Sober naturalists, who give ear to facts alone, express themselves differently, not only formerly through the lips of Virchow, but now also through the lips of Branco, Reinke, Wasmann, and others. Reinke, for example, acknowledged in 1900: “We must confess unreservedly that there is not at our disposal a single unexceptionable proof of its correctness." Two years later, in still stronger language, he affirmed that science knows nothing about the origin of man. And at the International Congress of Zoologists at Berlin, in 1901, Branco bore witness that palaeontology knows no ancestors of man, but that man suddenly and immediately appears before us in the diluvial 149 age as a perfect homo sapiens. 16 The mental and physical gap between animal and man remains at present as wide as it ever was. In the structure of the skull and brains, for example, the interval between the other mammals and the apes may possibly be bridged over, but not between the apes and man. Among all the mammals now existing there is not one which in this respect can be compared with man. Stanley Hall also has to acknowledge that what intervenes between the highest anthropoid brain of 500 cubic centimeters and that of the lowest man, 1150 cubic centimeters, is almost as lost as a sunken Atlantis. When he adds that all the ancestors of man have been accidentally extirpated, this is nothing but a make-shift, entirely without scientific value. 17 The common ancestor of ape and man is a mere invention of the mind. 18 All inferences from the animal to the original man lack thus firm scientific foundation. It is not without significance that many adherents of the doctrine of descent have recently turned their backs upon historical zoology and look for their salvation to experimental morphology. 19

Toch valt het te betwijfelen, of deze jonge wetenschap meer licht ontsteken zal. Haeckels biogenetische wet althans vindt hoe langer hoe ernstiger bestrijding. Gegenbaur en Oscar Hertwig duiden beiden de ontogenie aan als een gebied, „auf dem beim Suchen nach phylogenetischen Beziehungen eine rege Phantasie zwar ein gefährliches Spiel treiben kann, auf dem aber sichere Ergebnisse keineswegs überall zu Tage liegen," en waarschuwen voor de dwaalwegen, die „zur Konstruktion fiktiver Zustände, ja ganzer fiktiver Organismen führen." 20 De embryonische vormen der zoogdieren toonen wel overeenkomst met amphibieën en 127 visschen, maar deze „Ahnenähnlichkeit" geeft nog geen recht, om te besluiten tot „Ahnenerblichkeit". Immers, de eenvoudige eicel is reeds een levensvorm, die eene ons denken ver te boven gaande volheid van grootere en kleinere verscheidenheden bevat en zelve reeds het product is van een phylogenetisch ontwikkelingsproces. Voorts zijn de bevruchte eicellen van de onderscheidene diersoorten naar haar wezen evenzeer van elkaar verschillend als de individuën, die uit deze eiceHen voortkomen. En eindelijk is er een zeer groot, wezenlijk onderscheid tusschen de in elkander overgaande stadiën der ontogenese en de vormen eener voorvaderenreeks, die volstrekt niet in elkaar kunnen overgaan. Vandaar dat Hertwig de hypothese onwaarschijnlijk noemt, dat onze aarde in eene vroegere periode slechts ééne soort van cellen heeft voortgebracht, en met het oog op de honderdduizenden dier- en plantensoorten de voorkeur geeft aan de polyphyletische onderstelling, volgens welke de thans levende organismen niet alle afstammen van ééne oercel, maar van een groot aantal onderling reeds verschillend georganiseerde cellen, die vroeger door de scheppende natuur op eene of andere wijze zijn voortgebracht. Diepere studie leidt dus ook op dit gebied niet tot de éénheid, maar tot de veelvormigheid. De natuur is lang zoo eenvoudig niet, als de mechanisten het zich voorstellen. In den aanvang was niet de armoede van het monistisch principe, maar de volheid en rijkdom van het geschapene leven.

It may be doubted, however, whether this new science will be able to shed more light on the subject. The opposition to Haeckel's biogenetic law is growing in strength day by day. Geganbaur and Oscar Hertwig both intimate that ontogeny is a sphere where a lively imagination may no doubt carry on a perilous game in seeking phylogenetic relations, but where assured results are by no means easy to get at; and they warn against the false paths which lead to the construction of fictitious conditions, or even of entirely fictitious organisms. 20 The embryological forms of the mammals show, it is true, correspondences with amphibians and fishes, but this “ancestral similarity" does not, according to Professor Emery, authorize an 150 inference to “ancestral inheritance." The simple germ cell is already a life-form, which comprehends a fulness beyond belief of great and small varieties, and which already is the product of a phylogenetic process of development. Further, the fertilized germ cells of the several species of animals differ as much from each other in their nature as the individuals which come forth from these germ cells. And finally, there is a very great essential difference between the stages of ontogenesis which pass into one another and the forms of an ancestral series which do not pass into one another at all. This is the reason why Hertwig finds the hypothesis improbable that our earth in a former period produced only one kind of cells; and in view of the hundreds of thousands of species of animals and plants prefers the polyphyletic supposition, according to which the organisms now living are not derived from one primitive cell, but from a large number of cells, which are already differently organized, and which in a former period have been produced in some way or other by the creative power of nature. Closer study thus leads in this domain not to uniformity, but to multiformity. Nature is far from being as simple as the advocates of the mechanical theory conceive it to be. There was not in the beginning the poverty of the monistic principle, but the fulness and wealth of created life.

De biogenetische wet wordt nog onwaarschijnlijker, als ze in bijzonderheden wordt toegepast, en de toestanden van het embryonale, kinder- en knapenleven beschouwd worden als recapitulatie van die bij de voorvaders der menschen en bij de oudste menschen zelven. De kleinheid der menschen in de jeugd zou eigenlijk eischen, dat de oorspronkelijke menschen zeer klein waren, maar volgens Stanley Hall en anderen zijn dezen misschien wel reuzen geweest. 21 De late groei der tanden bij de kinderen zou een bewijs moeten leveren voor de tandeloosheid der eerste menschen, maar wordt als zoodanig toch volstrekt niet erkend. 22 Bij den tegenwoordigen mensch groeien de hersenen vroeg en hebben ongeveer reeds op veertienjarigen leeftijd hun vollen wasdom 128 bereikt, maar de descendentieleer eischt, dat zij inde phylogenese zich juist zeer laat ontwikkeld hebben. 23 Het hart ontwikkelt zich thans voor de bloedvaten, maar in de historie der menschheid moet het omgekeerde hebben plaats gehad. 24 Zooals het staartrudiment bij den mensch als een argument geldt voor zijne dierlijke afstamming, zoo zouden de borsten van den man eene herinnering en overblijfsel moeten zijn van de periode, waarin de mensch androgyn is geweest, maar weinigen zijn tot het trekken van deze conclusie geneigd. 25 Geen wonder, dat Stanley Hall met het oog op al deze redeneeringen erkennen moet, dat er „many inversions" zijn op de ontogenetische wet; „ontogeny often reverses the order of phylogeny." 26

The biogenetic law grows still more improbable when it is applied in detail, and the conditions of the life of the embryo, of childhood and of youth are considered a recapitulation of those of the ancestors of men and of the first men themselves. The small stature of human beings in youth certainly ought to prove that the original men were very small; but, according to Stanley Hall and others, they were rather of gigantic stature. 21 The late 151 appearance of the teeth in children ought to be considered a proof that original men were toothless, but this also is not at all acknowledged. 22 In the man of our time the brain is of early growth, and has reached its full size at the age of about fourteen years, but the doctrine of the descent of man postulates, on the contrary, a very late development for it in the phylogenesis. 23 The heart develops before the blood-vessels, but in the history of the human race the reverse must have taken place. 24 If the rudimentary tail of man is to be looked upon as an argument for his animal descent, then certainly the breasts of the male should be a reminder and a remainder of the period when man was androgynal; but few are inclined to draw this conclusion. 25 It is no wonder that Stanley Hall, having in mind all these considerations, reaches the conclusion that there are “many inversions" in the ontogenetic law: “ontogeny often reverses the order of phylogeny." 26

Evenzoo valt er eene kentering waar te nemen in de meening, dat de natuurvolken ons een middel aan de hand doen, om den primitieven mensch te leeren kennen. Reeds de naam is misleidend; natuurvolken in strikten zin zijn er niet evenmin als wilde of cultuurlooze volken. De cultuurvolken hangen evengoed als de zoogenaamde natuurvolken van de natuur af; het onderscheid tusschen beiden is niet te zoeken „in dem Grade sondern in der Art des Zusammenhanges mit der Natur" 27. En wilde of cultuurlooze volken bestaan er evenmin. De dwaze phantasieën van menschen, die vroeger of thans nog als apen in de boomen klauteren, over heel het lichaam behaard zijn, geen vuur kennen, van taal en godsdienst verstoken zijn, keeren nu en dan nog wel eens terug, maar hebben over het algemeen toch afgedaan. Alle menschen en volken, schoon arm aan cultuur, zijn toch in het bezit van hare fundamenteele elementen, opwaartschen gang, gemiddeld gewicht van hersenen, hand en duim, vuur en licht, taal en godsdienst, zede en recht, familie en maatschappij. 28

Voorts vormen de natuurvolken niet ééne afgeslotene groep, en staan lang niet allen op dezelfde hoogte; men kan ze zoomaar niet allen over éénen kam scheren en onder éénen naam samenvatten. 29 Zij staan door allerlei schakels met hoogere volken in verband en blijken bij betere kennismaking lang niet zoo ruw en onbeschaafd te zijn als men aanvankelijk meende. De wilde van 129 Australië staat intellectueel niet onder het niveau van andere weinig gecultiveerde volken. Het oordeel over de Batakuden en andere Zuid-Amerikaansche volken is algemeen gunstig. Bij de Boschjesmannen en Eskimo's is de phantasie, waarvan hunne teekeningen, snuisterijen, sprookjes en legenden getuigenis afleggen, een sprekend bewijs voor hunne begaafdheid. 30 Er is dan ook geen sprake van, dat natuur- en cultuurvolken van huis uit in aanleg verschillen, dat gene gepraedestimeerd zijn tot bekrompenheid en ondergang, en deze tot vooruitgang en hooge cultuur. Telkens hebben er overgangen plaats uit de eerste in de tweede groep. De Bedawi in Arabië, Syrië, Mesopotamië leven nu nog als voor honderden jaren, maar brachten toch beschaafde stammen voort. Finnen en Hongaren zijn pas cultuurvolken geworden, terwijl hunne verwanten nog als wilden voortleven. De Japanners hebben de Europeesche cultuur plotseling overgenomen, terwijl de Mongolen en Kalmukken op denzelfden trap van beschaving zijn blijven staan. Telkens hebben er dus opheffingen plaats uit den natuur- in den cultuurtoestand. 31 De zending bovenal levert daarvan overvloedige bewijzen. 32

A similar change is noticeable also with regard to the notion that the nature-peoples afford us the means of learning to know primitive man. The name itself is misleading; nature-peoples are nowhere to be found, any more than wild or cultureless peoples. The cultured peoples are no less dependent on nature than the so-called nature-peoples; the difference between the two is not to be sought in the degree, but in the character of their relation to nature. 27 And wild or cultureless peoples do not exist either. The ridiculous fancies about men who formerly or even now clamber up into the trees like apes, covered over the whole of their bodies with hair, knowing nothing of fire, without language or religion, reappear, it is true, now and then; but they are antiquated. All men and peoples, though they may be poor in culture, yet 152 possess at least its fundamental elements, the crest walk, the average weight of brain, the hand and the thumb, fire and light, language and religion, family and society. 28 Furthermore, the nature-peoples do not form a separate group, and do not all stand on the same level; they cannot be dealt with all alike, nor brought together under a common name. 29 They are related to higher peoples by means of all kinds of links, and upon better acquaintance do not seem to be nearly so barbarous and uncivilized as at first they were thought to be. The savage of Australia does not stand intellectually below the level of other peoples of little culture. The decision about the Batakudes and other South American peoples is on the whole favorable. Among the Bushmen and the Esquimaux the imagination exhibited in their drawings, toys, fairy tales, and legends, is a clear proof of their capabilities. 30 There can then be no question of nature-peoples and civilized nations differing in fundamental endowment, as if the one were predestinated to barbarism and destruction, the other to progress and high culture. Repeated instances have occurred of transitions from the one group to the other. The Bedouins of Arabia, Syria, and Mesopotamia live now just as they did hundreds of years ago, but they have produced civilized races. Finns and Magyars have recently become cultured peoples, while their kindred are still living in the barbaric state. The Japanese have all of a sudden accepted Western culture, while the Mongols and the Kalmucks remain stationary at the old stage of civilization. Thus it has repeatedly happened that nature-peoples have become culture-peoples. 31 Missions, especially, furnish abundant proofs of this fact. 32

Terwijl de natuurvolken langzamerhand meer als menschen worden beschouwd, gaat naar de andere zijde het oog weer open voor de zonden en gebreken der cultuurvolken. De ervaring leerde, dat het ook hier lang niet alles goud was wat er blonk. Niet alleen waren de voorouders van de hedendaagsche cultuurvolken, zooals b.v. de door Caesar en Tacitus geïdealiseerde Germanen en Galliërs, arm aan cultuur, maar bij vele volken, zooals de Chineezen, de Mongolen, de Tibetanen, de Russen is het de vraag, tot welke van beide groepen zij te rekenen zijn. Ruwe en barbaarsche zeden heerschen ook thans nog bij Russen, Letten, Bulgaren, Hongaren enz. En in het algemeen, alle zoogenaamde cultuurvolken staan, goed bezien, lang zoo hoog niet als velen soms denken. Het procent der hoogstaanden is onder hen zeer gering. Vele menschen en kringen onder de cultuurvolken staan in beschaving bij de natuurvolken achter. Vagebonden en pariahs, invalieden en minderwaardigen, zooals zij in onze groote steden worden aangetroffen, komen onder de natuurvolken nooit of zelden 130 voor. De massa is bij deze volken intelligenter dan bij ons. Aninisme, spiritisme, bijgeloof, tooverij, heksen- en spokengeloof, prostitutie en alcoholisme, misdaden en onnatuurlijke zonden komen bij de cultuurvolken evengoed als bij de natuurvolken, en soms in verscherpten vorm, voor. Als de laatste tot de cultuur overgaan, winnen zij veel, maar verliezen niet minder; mooie eigenschappen, als trouw, waarheidsliefde, eenvoud, natuurlijkheid, oprechtheid, naïveteit enz. gaan in de cultuur te loor. 33 Zoo zijn er tegenwoordig velen al niet ver meer van af, om met de eeuw van Rousseau de natuurvolken idyllisch voor te stellen. Tolstoï en Nietzsche keeren ieder op zijne wijze tot de natuur terug; in literatuur en kunst -is er eene reactie tegen het conventioneele en een terugkeer tot het onbewuste, instinctieve, hartstochtvolle leven. Stanley Hall schildert de natuurmenschen als beminlijke kinderen. „Most savage in most respects are children, or because of their sexual maturity, more properly adolescents of adult size. Their faults and their virtues are those of childhood and youth". Wie ze kent, heeft ze lief. 34

While the nature-peoples are thus again being gradually looked upon as men, our eyes are being opened 153 on the other side to the sins and imperfections of the culture-peoples. Experience has taught us that even here it is far from everything that glitters that is gold. Not only were the ancestors of the culture-peoples of today, for instance the Germans and the Gauls, who were idealized by Caesar and Tacitus, poor in culture, but also with regard to many peoples, for instance the Chinese, the Mongols, the Thibetans, the Russians, it is a question to which of the two groups they ought to be reckoned. Rude and barbarous customs still prevail among the Russians, Letts, Bulgars, Magyars, etc.; and in general the so-called culture-peoples, when carefully considered, are far from standing on the high level which many ascribe to them. The percentage of those who occupy the highest round of the ladder is very low. Many individuals and circles among the culture-peoples fall below the nature-peoples in civilization. Vagabonds and pariahs, the enfeebled and deficient, such as we meet with in our large cities, are all but never found among the nature-peoples. The mass among those peoples is more intelligent than with us. Animism, spiritism, superstition, sorcery, belief in witches and ghosts, prostitution and alcoholism, crimes and unnatural sins, occur among the culture-peoples no less, and sometimes in more aggravated forms, than among the nature-peoples. When the nature-peoples become civilized, they gain much, but lose no less. Many beautiful qualities, such as faithfulness, truthfulness, simplicity, artlessness, sincerity, ingenuousness, are lost in civilization. 33 There are many today who are not far from thinking of the nature-peoples after the idyllic fashion of the age of Rousseau. Tolstoi and Nietzsche return along different paths to nature; in literature and art there is a reaction against the conventional, and a recurrence 154 to the unconscious, instinctive, passionate life. Stanley Hall describes savages as amiable children: “Most savages in most respects are children, or because of their sexual maturity, more properly adolescents of adult size. Their faults and their virtues are those of childhood and youth. He, who knows them, loves them." 34

Toch zijn beide theorieën eenzijdig, zoowel die, volgens welke de natuurvolken halve dieren, als die andere, volgens welke zij onschuldige kinderen zijn. De gedachte, dat alle volken zich bevinden op den weg van den vooruitgang, is even onjuist als die, dat zij voortdurend achteruitgaan en ontaarden. Noch ontwikkeling, noch verbastering dekt den gang der historie; zij is rijker dan ons denken en stoort zich aan de logica van onze redeneeringen niet. Daar zijn volken, die zich ontwikkeld hebben en gekomen zijn tot een hoogen trap van beschaving; zelfs is het niet onmogelijk, dat deze ontwikkeling in sommige gevallen, als bijv. in Peru en Mexico, autochthoon is geweest. Maar niet minder zeker is het, dat tal van volken van een min of meer hoogen trap van beschaving naar beneden zijn gegaan. Dat is het geval geweest met vele volken der oudheid in Azië en Noord-Afrika, die of totaal verdwenen of tot volslagen nietigheid gezonken zijn. 35 Virchow noemde de Laplanders en Boschjesmannen zelfs „pathologisch verelendete, heruntergekommene Racen"; en Darwin en Spencer, Tylor, Wallace en Max Müller stemden met vele anderen 131 den achteruitgang en het verval van vele volken toe. 36 Bij dien achteruitgang hing veel van de omgeving af. „Für die Entwicklung eines Volkes ist es von grosser Bedeutung, ob es im Innern der Oekumene wohnt, wo es zahlreichen Anregungen ausgesetzt ist, oder an ihren Grenzen; die Randvölker der Oekumene sind meist arm an Kultur und gering an Zahl." 37 Daarom kunnen de volken niet successief, het een na het ander, worden gerangschikt; het is willekeur, om de natuurvolken aan het begin van den stamboom der menschheid te plaatsen en hun toestand als oertoestand der menschheid voor te stellen. 38 De ontwikkelingstheorie, die overal apriori zegt: „es gibt in der Menschheit nur Aufstreben, nur Fortschritt, nur Entwicklung, keinen Rückgang, keinen Verfall, kein Absterben," 39 is even eenzijdig als de verbasteringstheorie. De historie verkiest het nu eenmaal niet, ééne rechte lijn te volgen. Ieder volk en elke groep van volken, over de wereld verspreid, heeft zijn eigen leven, en zet dit naast de andere voort. 40 Van het na-elkaar moeten wij tot het naast-elkaar, van de eenvormigheid moeten wij tot de veelvormigheid, van de abstracte theorie van het monisme moeten wij tot de volheid van het leven terug.

Yet both theories are one-sided: equally that according to which the nature-peoples are semi-animals and that according to which they are innocent children. The notion that all peoples are on the road to progress is as incorrect as that they are continuously declining and degenerating. Neither development nor degeneracy covers the course of history; this is wider than our thinking, and is not disturbed by the logic of our reasoning. There are peoples who have developed and have attained a high level of civilization; it may even be not impossible that this development in some cases, as, for instance, in Peru and Mexico, has been autochthonous. But it is no less evident that a number of peoples have declined from a more or less high degree of civilization. This has been the case with many peoples of antiquity in Asia and North Africa, which have either totally disappeared or sunk into complete insignificance. 35 Virchow called the Laplanders and the Bushmen even “pathologically degraded, degenerated races," and Darwin, Spencer, Tylor, Wallace, Max Müller, and many others, have acknowledged the decline and ruin of many peoples. 36 Environment has had a great deal to do with degeneracy. “It is of great importance for the development of a people, whether it dwells in the midst of the inhabited world, where it is exposed to numerous influences, or near its margin; peoples living on the margin of the inhabited world are mostly poor in culture 155 and few in numbers." 37 The peoples cannot, therefore, be arranged in succession, one after the other; it is arbitrary to place the nature-peoples at the beginning of the genealogical table of the human race and to represent their condition as the original condition of mankind. 38 The theory of development which in every case maintains apriori, “that the human race only knows aspiration, progress, development, and no retrogression, decline and decay," 39 is just as one-sided as the theory of degeneracy. History declines to follow in its course a single straight line. Every people and every group of peoples, spread over the globe, has its own life, and continues it in the midst of the others. 40 We must return from the “after-one-another" to the “by-the-side-of-one-another," from uniformity to multiformity, from the abstract theory of monism to the fulness of life.

De natuurvolken leveren alzoo, evenmin als embryos en kinderen, het gewenschte materiaal voor de constructie van den oermensch. De primitieve mensch, waarmede de tegenwoordige historicus opereert, is dan ook niets anders dan eene fictie, 41 van dezelfde soort als het contrat social, waarvan Rousseau zich bediende ter verklaring van den oorsprong der maatschappij, en als de aapmensch, die door de zoölogie aan het begin wordt geplaatst als de gemeenschappelijke stamvader en, al naar het noodig is, nu eens meer als aap en dan weer meer als mensch wordt gedacht. Op die wijze zegt bijv. Wundt: „Nun können wir uns freilich die Kluft, die den heutigen Menschen von dern primitiven trennt, kaum gross genug vorstellen. Aber wir dürfen uns diese Kluft doch niemals derartig denken, als wenn zwischen beiden überhaupt keine Verbindungen mehr existirten, oder als wenn es nur der schmale Weg eines einzigen Gedankens wäre, der von der einen zur anderen Seite führt . . . . jede Ansicht, die den primitiven Menschen in der einen oder andern Weise einseitig auffasst, setzt 132 sich daher nicht nur mit den Tatsachen in Widerspruch, sondern sie entzieht sich auch die Möglichkeit, eine psychologische Entwicklung zu begreifen. Denn aller Motivwandel setzt, so ungeheuer er unter Umständen sein mag, doch dies voraus, dass irgend welche Keime zu den später wirksam werdenden Motiven ursprünglich schon vorhanden sind". 42 De primitieve mensch moet m.a.w. physisch en psychisch zoo geconstrueerd worden, dat er een aap en een mensch uit afgeleid kan worden. Men kan hem dan ook gebruiken zooals men wil; het mes snijdt van twee kanten. Indien men het dier of het dierlijke in den mensch verklaren wil, schrijft men den primitieven mensch meer de eigenschappen toe van den aap; maar komt het er op aan, om den mensch te verklaren, men kent hem even gemakkelijk de noodige menschelijke hoedanigheden toe. 43 De primitieve mensch is dus een waardig pendant van de bezielde atomen, de gepersonifiëerde natuurkrachten, de geapotheöseerde natuurwetten, de vergoddelijkte evolutie-idee. In de werkelijkheid heeft hij nimmer bestaan en kan hij zelfs niet bestaan; hij is alleen eene dichterlijke schepping van de monistische phantasie.

The nature-peoples supply us, therefore, just as little as embryos and children with the desired material for the construction of original man. The primitive man, wherewith the historian of our day operates, is nothing but a fiction 41 of the same kind as the contrat social, of which Rousseau made use in order to explain the origin of society, and as the ape-man, who is placed by zoology at the beginning as our common ancestor, and, according as circumstances require, is thought of sometimes as an ape and sometimes as a man. In the same manner Wundt says: “It is impossible to exaggerate the enormousness of the gap which separates the man of today from primitive man. But we must not think of this gap in such a way, as if no connection existed any longer between them, or as if the narrow path of a single thought were the only one to lead from one side to the other. . . . Every view which conceives of primitive man in a one-sided manner puts 156 itself not only in contradiction with the facts, but deprives itself also of the possibility of comprehending a psychological development. For every change of motive, however vast it may be in some cases, presupposes at least this, that some germs of the motives which come into activity later on, were already present originally." 42 Primitive man, in other words, must be constructed physically and psychologically in such a manner that an ape and a man can be derived from him. Thus you can make whatever use of him you like; you wield a two-edged sword. If you desire to explain the animal or the animal character in man, you asscribe to primitive man the qualities of the ape; if, on the contrary, you wish to explain man, you acknowledge in him as easily the necessary human qualities. 43 Primitive man accordingly is a worthy counterpart of the animated atoms, the personified powers of nature, the apotheosized natural laws, the deified evolution idea. In reality he has never existed; he is nothing but a poetical creation of monistic imagination.

Langzamerhand wordt dit toch ook wel door enkelen ingezien. Wij merkten boven reeds op, dat Oscar Hertwig de polyphyletische hypothese veel waarschijnlijker acht dan de monophyletische, en dus aanneemt, dat de scheppende kracht der natuur in den beginne aanstonds een groot aantal verschillend georganiseerde oercellen heeft voortgebracht. Evenals Haeckel bij gebrek aan verklaring de stof en de kracht, de beweging en het leven, het bewustzijn en den wil eeuwig maakt, zoo verlegt Hertwig de soortidee reeds in de allereerste cellen, welke de scheppende natuurkracht voortbrengt. Of men nu aan de cellen of aan de daaruit voortgekomen organismen, m.a.w. aan het ei of aan de kip de prioriteit toekent, maakt weinig verschil. Uitgangspunt is in beide gevallen niet een monistisch principe, maar de veelvormigheid van het leven, en het wonder en het wondergeloof blijft er even groot om. Evenzoo komt de sociologie nu en dan tot het inzicht, dat het probleem der maatschappij niet door ééne formule, van nabootsing (Tarde), plaatselijke gemeenschap of horde 133 (Mucke), arbeidsverdeeling (Durkheim), klassenstrijd (Gumplovicz), bloedverwantschap (Morgan) of mannenbonden (Schurtz) op te lossen is. 44 Vandaar dat velen hetgeen verklaard moest worden reeds van te voren laten bestaan; Gustav Ratzenhofer zegt bijv., dat de maatschappij eigenlijk niet ontstaan is: de mensch schiep niet de maatschappij, maar de maatschappij den mensch; het menschelijk geslacht was van den aanvang af aan zijne sociale natuur onderworpen; het sociale is het oorspronkelijke, het individueele is afgeleid. 45 Volgens Zenker kwam ook de eigendom niet langzamerhand tot bestaan, maar hij bestond van den aanvang; „Ohne Gemeinleben und ohne Selbstbewustsein, d.h. ohne Gemeinarbeit und ohne Selbstarbeit hätte der Pithekoanthropos sich nie über die Tierheit erhoben". 46 De theorie der oorspronkelijke promiscuiteit, die door Lewis Morgan voorgestaan werd en bij velen ingang vond, heeft later bij Westermarck, Starcke, Grosse e.a. sterke weerspraak gevonden. 47 Onder de oeconomen komt er volgens Schmoller meer en meer eenstemmigheid hierover, dat er eene psychologisch-ethische beschouwing van het sociale leven noodig is, die naast de driften en hartstochten ook de zedelijke krachten in den mensch erkent en de volkshuishouding in samenhang met staat, religie en moraal onderzoekt; „ alle grossen socialen Gemeinschaften sind ein Ergebnis der menschlichen Natur überhaupt, beruhen auf Sprache und Schrift, auf Sitte, Recht, Moral, Religion, Verkehr" 48. In het algemeen is men voorzichtiger geworden met de toepassing der evolutietheorie, met de éénlijnigheid en rechtlijnigheid van het ontwikkelingsproces. 49

This is gradually becoming understood by many. We have already remarked that Oscar Hertwig looks upon the polyphyletic hypothesis as much more probable than the monophyletic, and thus assumes that the creative power of nature in the beginning produced at once a great number of variously organized primitive cells. Just as Haeckel, not being able to give a satisfactory explanation of them, declares matter and force, motion and life, consciousness and will to be eternal, so Hertwig places the idea of species already in the very first cells which were produced by the creative power of nature. Whether, however, we assign priority to the cells or to the organisms proceeding from them, or, in other words, to the egg or to the chicken, amounts to much the same thing. The 157 starting-point in both cases is not a monistic principle, but the multiformity of life, and the miracle, and faith in miracles as well, remains in either case equally great. Sociology also is beginning to see, now and again, that the sociological problem cannot be solved by the single formula of imitation (Tarde), local association or clan (Mucke), division of labor (Durkheim), struggle of the classes (Gumplowicz), blood-relationships (Morgan), or consociation (Schurtz). 44 Many accordingly assume the existence from the beginning of what lies to be explained. Gustav Ratzenhofer, for example, maintains that society has not in the strict sense of the word been originated : man did not create society, but society man; the human race was from the beginning subject to its social nature, the social is what is original, the individual is derived. 45 According to Zenker even property did not gradually come into existence, but existed from the beginning. “Without social life and self-consciousness, that is, with common life and without personal work, the pithecoanthropos would never have been able to lift himself out of his animal state." 46 The theory of original promiscuity, which was advocated by Lewis Morgan and found favor with many, has later on been strongly contradicted by Westermarck, Starcke, Grosse, and others. 47 Among economists, according to Schmoller, a conviction is growing more and more towards unanimity, that a psychologico-ethical view of social life is necessary which shall recognize not only the emotions and passions, but also the ethical powers in man, and shall investigate political economy in connection with the state, religion and morals; “all great social communities are a result of human nature in general, founded on language and writing, on custom, law, morals, religion, and intercourse." 48 In general men have become more cautious in the application of 158 the theory of evolution along single- and straight-lined processes of developments. 49

Dit komt ook bij het onderzoek naar den oorsprong van den godsdienst uit. De historie voert ons ook op dit terrein niet tot de aanvangen terug; alle oorsprongen, zeide Schelling, zijn uit donker tot licht. Zoo is men dan, indien men toch een oorsprong wil zoeken, tot vermoedens gedwongen, die zich aan de psychologie van het kind en van den natuurmensch trachten staande te houden. De natuurvolken leveren echter weinig op voor het onderzoek naar den oorsprong van den godsdienst, omdat de godsdienst bij ben allen reeds lang bestaat en met heel hun leven ten innigste is saamgeweven. In plaatg van eene oplossing aan de 134 hand te doen voor de problemen, die de cultuurmensch zich stelt, is de natuurmensch zelf een probleem.

En zoo is het ook met de kinderen; evenals het dier, kan ook het kind niet dienen tot verklaring van den volwassen mensch, maar moet omgekeerd deze juist dienen tot verklaring van het kind. Hoogst moeielijk is het immers, in het zieleleven van het kind in te dringen en het naar waarheid te verstaan. 50 Bovendien gaat het niet aan, de kinderen van den tegenwoordigen tijd te vergelijken met en tot voorbeeld te nemen van de oorspronkelijke volwassene menschen. Want onze kinderen zijn eenerzijds door het rijke cultuurleven, te midden waarvan zij geboren en opgevoed worden, hoog boven de oudste menschen bevoorrecht; en zij staan toch andererzijds als kinderen bij de volwassenen van den voortijd in ontwikkeling der lichamelijke en geestelijke krachten ver ten achter. Indien de vergelijking eenige waarheid bevatte en tot eene conclusie recht gaf, zou ze alleen deze kunnen wezen, dat de oudste menschen hun taal en godsdienst door mededeeling van anderen, dat is ten slotte door de openbaring Gods, ontvangen en geleerd hadden. 51

This is also apparent in the investigation of the origin of religion. History does not lead us back in this domain, either, to the beginnings; all beginnings, said Schelling, are from darkness to light. If we are nevertheless determined to seek out a beginning, we are driven to conjectures which endeavor to support themselves upon the psychology of the child and the savage. Nature-peoples furnish us, however, very little material for the investigation of the origin of religion, because religion has already long existed among them all and is intimately interwoven with their whole life. Instead of offering a solution of the problems which the man of culture proposes to himself, the savage is himself a problem. This is also the case with the children; no more than the animal can the child serve to explain the adult; the adult, on the contrary, is needed to explain the child. It is extremely difficult, accordingly, to penetrate into the life of the child soul and to understand it truly. 50 Moreover it will not do to compare present-day children with, and to take them as an example of, original adult men. For our children on the one hand have advantages far above any enjoyed by primitive men, by their birth and education in the midst of a rich, cultured life; and yet on the other hand they, as children, are far behind the adults of the past ages in the development of bodily and spiritual powers. If the comparison contained any truth and entitled us to a conclusion, it could only be that primitive men received and learned their language and religion by communication from others; that is, ultimately by revelation of God. 51

De vele en velerlei theorieën, die ter verklaring van de religie zijn opgesteld, zijn dan ook de eene na de andere weer prijsgegeven. Zij hebben allen dit gebrek, dat zij, den godsdienst afleidende uit niet-religieuze factoren, den overgang niet kunnen vinden, of, wanneer zij zulk een overgang aanwijzen, altijd reeds den godsdienst onderstellen; ze slingeren dus heen en weer tusschen eene metabasis eis allo genos en eene petitio principii. Slotsom van al het onderzoek is dan ook de ootmoedige belijdenis: ignoramus, wij weten het niet. Hoe de godsdienst ontstaan is, en uit welke oorzaken, zegt Troeltsch, „das ist uns völlig unbekannt und wird wie bei Moral und Logik uns immer unbekannt bleiben. Eine völlige Urzeugung ist uns versagt". 52 Open of bedekt keeren dan ook schier allen tot een aangeboren aanleg, tot eene religio insita terug. Evenals stof en kracht, leven en bewustzijn, maatschappij en staat, wordt de religie, die verklaard moest worden, reeds in de verklaring opgenomen. Troeltsch doet dat, maar ook Schroeder, die wel aanhanger is van de descendentieleer 135 en van Untermenschen spreekt, maar toch in dezen reeds een goddelijken vonk onderstelt, die hen tot menschen ontwikkelde Tiele gaat terug tot een ingeschapen gevoel van en behoefte aan het Oneindige, en zelfs Hugo de Vries gewaagt van de behoefte aan godsdienst als een aangeboren eigenschap van den mensch. 53 In den aanvang bestond dus niet de doode eenheid van he monisme, maar de totaliteit der menschelijke natuur.

The many and manifold theories which have been 159 presented as an explanation of religion have all again been abandoned one after the other. They all have the defect that they derive religion from non-religious factors, and either cannot find the transition, or, if they indicate such a transition, always presuppose religion; they thus oscillate between a metabasis eis allo genos and a petitio principii. The result of all the research is accordingly the humble confession, ignoramus, we do not know. How religion arose, and out of what causes, “is entirely unknown to us," says Troeltsch, “and just as in the case of morals and logic, will always remain unknown to us. An absolute equivocal generation is denied to us." 52 Openly or secretly all turn back to an inborn disposition, to a religio insita. Just as matter and force, life and consciousness, society and state, so also the religion which is to be explained is already assumed in the explanation. Troeltsch does this, but also Schroeder, who is certainly an adherent of the doctrine of descent, and speaks, therefore, of Untermenschen (“undermen"), but nevertheless presupposes already in them a divine spark, which develops them into men. Tiele goes back to an inborn feeling and need of the infinite, and even Hugo de Vries speaks of the need of religion as an inborn quality of man. 53 In the beginning, therefore, there did not reign the dead unity of monism but the totality of human nature.

Indien de godsdienst echter als religio insita een wezenlijk bestanddeel is van de menschelijke natuur, dan wijst hij rechtstreeks naar openbaring terug. Wij staan hier toch in het wezen der zaak voor hetzelfde dilemma als bij het zelfbewustzijn. Indien dit geen waan en inbeelding zal zijn, is de realiteit van het ik daarin van zelf opgesloten; en op dezelfde wijze is de religie òf eene pathologie van den menschelijken geest, òf ze eischt het bestaan, de openbaring en de kenbaarheid Gods. Zij is immers noodzakelijk krachtens den aard der menschelijke natuur, en zij is algemeen blijkens de historie der menschheid en van alle volken. En overal, waar zij zich voordoet, is zij eene relatievan den mensch, niet tot den naaste noch ook tot de wereld in haar geheel of in eene van hare deelen, maar tot een persoonlijk wezen, dat boven natuur en wereld staat en daarom den mensch boven deze verheffen en aan zich verbinden kan. Godsdienst is altijd een dienen van God, en daarom is hij dwaasheid, of hij sluit het bestaan van God noodzakelijk in. Voorts is van dat bestaan Gods, dat in en met de waarheid der religie wordt aangenomen, het geloof aan de kenbaarheid Gods onafscheidelijk; want een God, die niet in eenige mate kenbaar zou zijn, is practisch voor ons gelijk aan een God, die niet bestaat. Het agnosticisme, dat consequent zijne belijdenis vasthoudt, komt feitelijk op atheïsme neer. En eindelijk, als God, in hoe zwakke mate dan ook, kenbaar is, dan is dit alleen daaruit te verklaren, dat Hij zich geopenbaard heeft; want wat wij volstrekt niet kunnen waarnemen, kunnen wij ook niet kennen; en wat wij volstrekt niet kennen, kunnen wij niet liefhebben en dienen; „ignoti nulla cupido". Allen, die de religie als waarheid erkennen en handhaven, gelooven daarom ook, of zij het willen belijden of niet, aan het bestaan, de 136 kenbaarheid en de openbaring Gods. Naturalisme in strikten zin en godsdienst is onvereenigbaar. Alle godsdienst is supranaturalistisch, en rust op de onderstelling, dat God van de wereld onderscheiden en toch in de wereld werkzaam is. Men moge die openbaring beperken, niet in de natuur en de geschiedenis, maar alleen in het eigen gemoed opmerken; de zaak blijft er principiëel dezelfde om; godsdienst is in openbaring gegrond, en ontleent daaraan zijn oorsprong. 54

If, however, religion as religio insita is an essential element of human nature, it points directly back to revelation. We stand here before essentially the same dilemma as in the case of self-consciousness. If this is not a delusion or imagination, the reality of the self is necessarily included in it; hence religion is either a pathology of the human spirit, or it postulates the existence, the revelation, 160 and the knowableness of God. It is, as we have seen, necessary because of the peculiarity of human nature; and it is universal, as is apparent from the history of the human race and all the peoples. And wheresoever it manifests itself it is a relation of man, not to his neighbor or to the world in general, or to one of its parts, but to a personal being, who stands above nature and the world, and is therefore able to raise man above them and to unite him to himself. Religion is always a service of God, and hence it is either folly or necessarily implies the existence of God. Furthermore, faith in the knowability of God is inseparable from the existence of God, which is pre-supposed in and with the truth of religion; for a God who is wholly unknowable is practically for us a God who does not exist. Consistent agnosticism amounts practically to atheism. And finally, if God, even in however small a measure, is knowable, there can be no explanation of this except that he has revealed himself; for what we cannot perceive at all cannot be known, and what we cannot know at all we cannot love and serve, ignoti nulla capido. All who recognize and defend religion as truth believe accordingly, whether they are willing to confess it or not, in the existence, knowableness, and revelation of God. Naturalism in the strict sense and religion are irreconcilable. All religion is supernatural, and rests upon the presupposition that God is distinct from the world and yet works in the world. Men may impose limits on revelation and not recognize it in nature and history, but only in their own consciousness; the thing itself remains in principle the same: religion has its foundation in revelation and derives from it its origin. 54

Het onderzoek naar het wezen van den godsdienst heeft tot hetzelfde resultaat, als dat naar den oorsprong, geleid. Toen de studie der godsdiensten opkwam, meende zij door vergelijkend onderzoek het wezen van den godsdienst te kunnen vinden en daarnaar de waarde van alle godsdienstvormen te kunnen bepalen. Maar men stuitte daarbij op zoovele en zoo ernstige bezwaren, dat men met grond beweren kan, dat het onderzoek in deze materie thans genaderd is tot het doode punt. Immers is het ondoenlijk, dat iemand al de godsdiensten, of ook maar de voornaamste godsdiensten grondig kennen en met elkander vergelijken kan; de godsdienst is iets zoo gecompliceerds, dat men zelfs bij één godsdienst of bij den godsdienst van één persoon nauwelijks het wezen vermag aan te wijzen; over het wezen van het Christendom, van het Romanisme, van het Protestantisme enz., loopen de meeningen onder ons nog zeer verre uiteen; hoe zou het dan mogelijk zijn, in het wezen van de verschillende religiën door te dringen en ze onderling te vergelijken? Daarbij komt, dat de beoefening van de geschiedenis der godsdiensten wel menigmaal zegt, dat ze gansch onbevooroordeeld te werk gaat, maar de werkelijkheid beantwoordt daaraan in 't geheel niet. Reeds de gedachte, van welke zij toch gewoonlijk nog uitgaat, dat de godsdienst geen waan en geene krankheid is, maar een noodzakelijk bestanddeel der menschelijke natuur, eene hebbelijkheid en deugd, die recht en reden heeft van bestaan; reeds deze gedachte is eene onderstelling van zoo groot gewicht, daf er van onbevooroordeeld onderzoek geen sprake kan zijn; het is eene onderstelling, die van te voren de gansche wetenschap bindt en beheerscht.

Maar ieder beoefenaar van de geschiedenis der godsdiensten brengt 137 daarbij ook, of hij het wil of niet, eene eigene opvatting van den godsdienst mede, die hem bij zijn onderzoek leidt en tot maatstaf dient. Al gaat hij alleen uit van de meening, dat die religie de ware is, welke aan alle godsdiensten ten grondslag ligt en in elk van die op min of meer zuivere wijze tot openbaring komt, dan zet hij daarin een dogma voorop, dat aan de philosophie is ontleend en voor zijn onderzoek vèr strekkende gevolgen heeft. Bij de natuurwetenschappen reeds, maar veel meer bij de geesteswetenschappen, is het onmogelijk, zonder eenige onderstelling de studie aan te vangen; zij zijn immers alle op ideeën en normen gegrond, die haar vastigheid hebben in de redelijke en zedelijke natuur van den mensch. 55 Daaruit is te verklaren, dat het onderzoek naar het wezen van den godsdienst ten slotte neerkwam opeene vage, niets zeggende formule, die alle godsdiensten omvatten moest maar aan geen enkelen recht kon doen, en die, voorzoover ze iets positiefs bevatte, alleen uitdrukking gaf aan de gedachte, welke elk onderzoeker reeds van te voren van het wezen van den godsdienst zich gevormd had. 56

The investigation into the essence of religion has led to the same result as that into its origin. When the study 161 of religions came into vogue, it was thought that by means of comparative research the essence of religion might be determined, and thus the value of all forms of religion be estimated. But so many and such serious difficulties have been met with in the prosecution of this task that it may be reasonably maintained that it has now come to the dead point. It is undoubtedly impracticable for any one to obtain a thorough knowledge of all religions, or even of the principal religions, and to compare them with one another. Religion is of such a complex nature that it is scarcely possible to characterize accurately the essence of a single religion, or even of the religion of a single person. Very various opinions obtain among us of the essence of Christianity, of Romanism and of Protestantism; how, then, would it be possible to penetrate into the essence of all the different religions and to compare them with one another? To this must be added, that the study of the history of religions professes no doubt to be undertaken without any prejudice whatever, but facts disprove the assertion. Even the idea, from which it as a rule proceeds, that religion is neither an illusion nor a disease, but a necessary element of man's nature, a habitus and a virtue which has a right and reason to exist, — even this idea, I say, is an assumption of such importance that it is impossible to speak here of unprejudiced investigation; it is an assumption which from the outset binds and dominates the entire science. But every student of the history of religions approaches his task, whether he intends it or not, with his own conception of religion, which guides him in his investigation and serves him as a rule. If he proceeds, let us say, merely from the view that that religion is true which lies at the basis of all and manifests itself more or less purely 162 in each, he thereby puts forth a dogma which is derived from philosophy and has far-reaching results for his investigation. Already in the case of the physical sciences, and yet more so in the case of the sciences of the mind, it is impossible to begin investigation without assumptions, for they all are founded on ideas and canons which have their basis in the rational and moral nature of man. 55 This explains the fact that the search for the essence of religion has ended by resolving it into a vague, indefinite formula which is intended to embrace all religions, but cannot do justice to a single one of them, and which, as far as it contains anything positive, has given expression only to the notion which each investigator had formed beforehand of the essence of religion. 56

Velen hebben daarom aan dit comparatief-historisch onderzoek naar het wezen van den godsdienst den rug toegekeerd, en zijn zelfs tot een tegengesteld uiterste overgeslagen. Er is, zoo zeggen zij, geen algemeene, objectieve, voor allen geldende godsdienst; geen wezen ook, dat overal gelijk is en zich slechts in verschillende vormen kleedt. Maar de religie is altijd iets door en door persoonlijks, eene zaak van den individueelen mensch en daarom eindeloos verschillend en niet onder eene algemeene definitie samen te vatten. Wie haar wil leeren kennen, moet haar bespieden in de bijzondere menschen, en dan voornamelijk in de prachtexemplaren, de geniëen en heroën van den godsdienst, de mystici, de enthusiasten, de fanatici; zij zijn de classici van den godsdienst. En niet de historie, maar de psychologie zal ons zeggen, wat godsdienst is. 57 Zelfs een man als Troeltsch, die het historisch standpunt blijft innemen en aan de psychologie der religie het gemis eener Erkenntnisstheorie verwijt, moet erkennen, dat de uitdrukking: wezen der religie, wegens hare onduidelijkheid op het dwaalspoor brengt en den valschen schijn aanneemt, als ware het 138 mogelijk, „die verschiedenen in ihm zusammengeknüpften Fragen mit ein und derselben Untersuchung auf einem Schlag zu beantworten." 58 Zoo keert men, evenals bij den oorsprong, ook bij het wezen van den godsdienst uit het abstracte monisme tot de totaliteit van het religieuze leven terug. Er is niet één principe, dat alle godsdiensten en godsdienstige Verschijnselen beheerscht; en er is niet ééne formule, waaronder zij alle te vangen zijn.

Many have for this reason turned their backs upon this comparative historical investigation of the essence of religion, and have even run into the opposite extreme. They say there is no universal, objective religion valid for all, and there is no essence which is everywhere the same and only clothes itself in different forms. But religion is always something thoroughly personal, — a thing which concerns the individual man, and hence it is endlessly variant and incapable of being comprehended in a general definition. He who desires to know it must watch it in particular men, and especially in the splendid specimens, the geniuses and heroes of religion, the mystics, the enthusiasts, the fanatics; they are the classics of religion. It is not history but psychology which will tell us what religion really is. 57 Even a man like Troeltsch, who persists in maintaining the historical point of view, and upbraids the psychology of religion with the lack of an epistemology, is compelled to confess that the expression “essence of religion" leads into error on account of 163 its obscurity, and creates the false impression that it is possible “to answer with one stroke the different questions which are bound up with it in one and the same investigation." 58 As it was in the case of the origin, so again in the consideration of the essence, of religion, many turn back from abstract monism to the totality of religious life. There is not one principle which governs all religions and religious phenomena, and there is not one formula under which they all can be summed up.

Daarom is echter het onderzoek naar het wezen van den godsdienst volstrekt niet onvruchtbaar geweest; integendeel heeft het klaar als de dag in het licht gesteld, dat religie en openbaring met elkander in een innig verband staan en van elkander onafscheidelijk zijn. Alle godsdienst is supranaturalistisch in dien zin, dat hij gebaseerd is op het geloof aan een persoonlijk God, die transcendent boven de wereld verheven is en toch in die wereld werkzaam is en door haar aan den mensch zich kenbaar maakt en mededeelt. Het blijve hier geheel in het midden, waardoor en hoe God zich openbaart, door de natuur of door de geschiedenis, in verstand of hart, langs gewone of buitengewone wegen; maar alle godsdiensten berusten naar hun eigen idee op bewuste en vrijwillige bekendmaking Gods. Dit wordt bevestigd door de overweging van wat de mensch in den godsdienstzoekt. Siebeck verdeelt de godsdiensten in natuur-, zedelijkheids- en verlossingsgodsdiensten; maar Tiele maakt terecht de opmerking, dat de idee van verlossing in ruimen zin aan alle godsdiensten eigen is, en dat alle godsdiensten dus verlossingsgodsdiensten zijn. Over het kwaad, waarvan verlossing gezocht wordt, en over het hoogste goed, dat men nastreeft, loopen de gedachten verre uiteen. Maar in alle godsdiensten is het om verlossing van een kwaad, en om verkrijging van een hoogste goed te doen. De groote vraag is altijd: wat moet ik doen, om zalig te worden? 59 Indien dit zoo is, brengt de religie overal krachtens haar aard de idee der openbaring mede.

Godsdienst en wetenschap zijn o.a. ook daarin onderscheiden, dat gene den inhoud zijner kennis aan Goddelijke openbaring, deze aan menschelijk onderzoek dank weet. 60 Voor een belangrijk deel hebben godsdienst en wetenschap (philosophie) op 139 dezelfde onderwerpen betrekking. De scheiding tusschen religie en metaphysica, hoe menigmaal beproefd, is onmogelijk; godsdienst is niet alleen eene stemming des gemoeds, eene aandoening des harten, maar sluit ook altijd bepaalde voorstellingen in, en naar den aard dier voorstellingen worden deze aandoeningen juist gemodificeerd. Deze voorstellingen van den godsdienst strekken zich uit over den mensch, de wereld en God, en betreden daarmede diezelfde terreinen, welke ook de wetenschap te ontginnen zoekt. Maar de godsdienst geeft aan zijne voorstellingen het karakter van dogmata, welke hij aanneemt op Goddelijk gezag; de wetenschap zoekt hare voorstellingen te verkrijgen door zelfstandig onderzoek en heeft geen ander gezag dan dat van redeneering en bewijs.

Volgens Tiele bewegen zich nu alle religieuze voorstellingen om drie centra, om God, den mensch, en den weg der verlossing. 61 Al deze drie bestanddeelen hangen ten nauwste met de idee der openbaring saam. Ten aanzien van het eerste deel, de leer aangaande God (theologie in engeren zin), is dit duidelijk; er is geen kennis aangaande God, dan inzoover Hij zich geopenbaard heeft; de indeeling in natuur- en openbaringsgodsdiensten, in dien zin, dat er godsdiensten zouden bestaan zonder zich te beroepen op openbaring, is onhoudbaar. Maar ook bij de beide andere bestanddeelen is de band met de openbaringsidee duidelijk aanwijsbaar. Want als de godsdienst eene bepaalde voorstelling over den mensch medebrengt, dan gaat hij daarbij hoog boven de ervaring uit. De religieuze anthropologie spreekt van 's menschen afkomst en bestemming, van zijne behoeften en idealen, van zijne ongehoorzaamheid aan en zijne gemeenschap met God, van zijne zonde en van zijne verzoening, 62 altemaal elementen, die niet door empirisch onderzoek en wetenschappelijk nadenken, maar alleen, in zoover zij waar zijn, door openbaring geweten kunnen worden. Alle godsdiensten schier hebben hunne paradijsherinneringen en hunne toekomstverwachtina-en, en leiden deze tot openbaring terug. En wat het derde deel, de soteriologie betreft, ook deze is onwaar òf uit openbaring herkomstig. Want dit deel der religieuze dogmatiek wijst de middelen aan, waardoor de gemeenschap met God hersteld, de macht van het kwaad 140 gebroken, een nieuw leven aangevangen en de hoop op een duurzaam geluk verwezenlijkt kan worden. 63 Onder die middelen bekleeden in alle godsdiensten middelaars, offeranden en gebeden eene voorname plaats. Als middelaars worden zulke personen beschouwd, door wie de Godheid hare openbaring aan menschen bekend maakt. Offeranden sluiten altijd, welke theorie men ook over haar oorsprong en bedoeling toegedaan zij, de gedachte in, dat de mensch van God afhankelijk, alles aan Hem verschuldigd en door een bijzonderen, van het gewone ethische leven onderscheiden dienst (cultus), Hem aangenaam is. En het gebed, hetwelk het hart der religie uitmaakt, rust in het geloof, dat God niet alleen persoonlijk bestaat, maar ook door zijne macht, wijsheid en goedheid de wereld beheerschen en aan 's menschen heil dienstbaar maken kan. Het gebed ook in zijn hoogsten vorm verliest dit karakter nooit; de bede om vergeving der zonden, om een rein hart, om gemeenschap met God is even supranaturalistisch als dat om herstel van een kranke of redding uit levensgevaar. 64 Openbaring is het fundament van allen godsdienst, de onderstelling van al zijne voorstellingen, aandoeningen en handelingen.

The investigation of the essence of religion has, however, by no means been unfruitful. On the contrary, it has made as clear as the day that religion and revelation are bound together very intimately, and that they cannot be separated. All religion is supernatural in the sense that it is based on faith in a personal God, who is transcendently exalted above the world, and nevertheless is active in the world and thereby makes himself known and communicates himself to man. Let it remain for the present undetermined whereby and how God reveals himself, whether in nature or in history, through mind or heart, along ordinary or extraordinary ways. Certain it is that all religions, in harmony with their own idea, rest upon conscious and spontaneous revelation of God. This is confirmed by the consideration of what man seeks in religion. Siebeck divides religions into nature-, morality-, and redemption-religions. Tiele, however, rightly observes that, in a wide sense, the idea of redemption is common to all religions, and therefore all religions are redemption-religions. As to the evil from which redemption is sought, and the supreme good which men desire to obtain, their conceptions diverge widely. But all religions are concerned with redemption from an evil and the attainment of a supreme good. The first question 164 always is, What must I do to be saved? 59 This being so, religion everywhere, by virtue of its very nature, carries along with it the idea of revelation. Religion and science differ in many things, and in this too, that the one owes the contents of its knowledge to divine revelation, the other to human investigations. 60

To a considerable extent religion and science (philosophy) stand in relation to the same objects. To separate between religion and metaphysics, however often it may have been attempted, is impossible; religion is not merely a certain frame of mind, an emotion of the heart, but it always includes certain conceptions, and the emotions are modified in accordance with the nature of these conceptions. These conceptions of religion extend to man, the world, and God, and hence enter the same domain which science also tries to cultivate. But religion gives to its conceptions the character of dogmas which it accepts on divine authority; science endeavors to obtain its conceptions by means of independent investigation, and has no other authority except reasoning and proof. Now, according to Tiele, all religious conceptions move around three centres, — God, man, and the way of salvation. 61 All these three elements are most intimately connected with the idea of revelation. Regarding the first element, the doctrine concerning God (theology proper), this is clear; there is no knowledge concerning God, except so far as he has revealed himself ; the distinction of nature- and revelation-religions, in the sense that religions may exist without appealing to revelation, is untenable. But also in the case of the other two elements, the connection with the idea of revelation is clearly traceable. For when religion carries along with it a distinct conception of man, it soars far above experience. The religious 165 anthropology speaks of man's origin and destination, of his needs and ideals, of his disobedience and communion with God, of his sin and atonement, 62 — all of which are elements that cannot be obtained by means of empirical investigation and scientific reflection, but can be known, so far as they are true, only by means of revelation. Nearly all the religions have their reminiscences of paradise and their expectations of the future, and trace them back to revelation. And regarding the third element, soteriology, this also is either untrue or derived from revelation. For this part of religious dogmatics indicates the means by which communion with God can be restored, the power of evil broken, a new life begun, and the hope of abiding happiness realized. 63 Among these means a chief place is assigned in all religions to mediators, sacrifices, and prayer. Those persons are considered mediators through whom the Godhead makes known its revelations to man. Sacrifices, whatever theory of their origin and purpose may be favored, always include the idea that man is dependent upon God, owes everything to him, and is acceptable in his sight through a special service (cultus) distinguished from the ordinary ethical life. And prayer, which forms the heart of religion, has its ground in the belief that God is not only a personal being, but also is able to govern the world by his power, wisdom, and goodness, and make it subservient to man's salvation. Prayer never, not even in its highest form, loses this character; the petition for the remission of sins, for a pure heart, for communion with God, is as supernaturalistic as that for the healing of the sick or for deliverance from some danger to life. 64 Revelation is the foundation of all religion, the presupposition of all its conceptions, emotions, and actions. 166

Eindelijk hebben ook de pogingen, om de godsdiensten in te deelen, tot eene erkenning van de noodzakelijkheid der openbaring geleid. Al de voorgestelde indeelingen toch, in gewordene en gestichte, in natuur- en openbarings-, in polytheïstische en monotheïstische, in particularistische en universalistische godsdiensten enz. lijden volgens de meer en meer veldwinnende overtuiging aan groote eenzijdigheid; zij miskennen belangrijke andere elementen, dekken den rijkdom en de verscheidenheid van het religieuze leven niet en gaan alle stilzwijgend van de Hegelsche gedachte uit, dat de hoofdstukken, waarin de godsdiensten achtereenvolgens behandeld worden, even zoovele trappen in de ontwikkeling van den godsdienst vertegenwoordigen. Maar er is niemand meer, die gelooft, dat er eene bevredigende indeeling gevonden is. 65 Evenmin als de natuurverschijnselen, de maatschappijen en de volken, laten de godsdiensten zich in een formatistisch schema na elkander plaatsen, zonder aan de realiteit te kort te doen. 141

Finally, all the attempts to classify the religions have led to the acknowledgment of the necessity of revelation. All the proposed divisions — into such as have grown and such as have been founded, into nature- and revelation- religions, into polytheistic and monotheistic, into particular and universal religions, etc., — suffer, according to the increasing conviction of many, from excessive one-sidedness; they ignore other elements, do no justice to the richness and variety of religious life, and all proceed tacitly from the Hegelian notion that the chapters which successively treat of the several religions represent so many steps in the development of religion. No one, however, believes that a satisfactory distribution has been found. 65 As little as natural phenomena, societies, and the peoples, can the religions be ranged one after the other in a formal system without violence to reality.

Opmerkelijk is dan ook, dat de oude indeeling der godsdiensten in ware en valsche, in nieuwen vorm herleeft. Naarmate het voorstellingsleven der volken dieper onderzocht werd, bleek dit verschillende elementen te bevatten, die niet uit één beginsel af te leiden zijn. Zoo kwam aan het licht, dat de religieuze voorstellingen niet alleen van sagen en sprookjes, maar ook van mythen wezenlijk onderscheiden zijn. In het begin der vorige eeuw heerschte onder invloed der romantiek de gedachte, die door de gebroeders Grimm algemeen ingang vond, dat de mythologie de eigenlijke godsdienstleer was. Deze mythologie was dan uit natuurmythen ontstaan, moest beschouwd worden als inkleeding van godsdienstige, dikwerf verheven ideeën, en was later tot heldensagen en sprookjes verbleekt. Maar diepere studie heeft tot eene andere opvatting geleid. Mythen, sagen en sprookjes hebben wel menigmaal verband met elkaar, maar zij zijn toch van huis uit in oorsprong en doel onderscheiden. „Mythus ist primitive Philosophie, einfachste anschauliche Denkform, eine Reihe von Versuchen, die Welt zu verstehen, Leben und Tod, Schicksal und Natur, Götter und Culte zu erklären. Sage ist primitive Geschichte, naiv gestaltet in Hass und Liebe, unbewusst geformt und vereinfacht. Das Märchen, aber ist entstanden und dient allein dem Unterhaltungsbedürfnis." 66 Van deze alle is religie o.a. steeds daarin onderscheiden, dat zij met een cultus verbonden is. 67

In view of this it is worthy of remark that the old distribution of religions into true and false has been revived in a new form. The more accurately the nature of the conceptions of the peoples was investigated, the clearer it became that they contain various elements which cannot be derived from one single principle. Thus it appeared that their religious conceptions are essentially distinct, not only from legends and fables, but also from myths. In the beginning of the last century, under the influence of the romantic school, the idea prevailed, and through the Grimm brothers found acceptance almost everywhere, that mythology was the real science of religion. This mythology accordingly arose out of nature- myths, was to be looked upon as the embodiment of religious, often sublime, ideas, but afterwards had faded into hero-sagas and fables. But deeper study has led to a different view. Myths, sagas, and fables no doubt often 167 bear relation to one another; originally, however, they are distinct in origin and aim. “Myths axe primitive philosophy, the most simple intuitive form of thought, a series of attempts to understand the world, to explain life and death, fate and nature, gods and cults. Sagas are primitive history, artlessly shaped in hatred and love, unconsciously formed and simplified. Fables, on the contrary, have grown out of and serve only the need of entertainment." 66 Religion is always distinguished from all these in that it is always connected with a cult. 67

Van meer belang is nog, dat de godsdienst meer en meer in hare onderscheidenheid van de magie wordt erkend. Wel is waar heeft J.G. Frazer eene poging aangewend, om juist de religie uit de magie te verklaren, 68 en met hem is K.Ph. Preuss van meening, dat de menschelijke „Urdummheit", de „Urgrund" is van religie en kunst; „denn beides geht ohne Sprung aus der Zauberei hervor, die ihrerseits die unmittelbare Folge der über den Instinkt hinausgehenden Fürsorge ist." 69 Maar deze theorie is door Andrew Lang en anderen zeer ernstig bestreden; men leert, zegt Tiele, geen vijgen van distelen, superstitie kan de moeder der religie niet zijn. 70 Superstitie en magie zijn wel dikwerf met godsdienst verbonden, maar zijn er noch de oorsprong noch het wezen van. Veeleer zijn zij te beschouwen als ziekelijke 142 verschijnselen, die volstrekt niet alleen bij de laagste, maar ook bij de hoogststaande volken en godsdiensten voorkomen en ook thans nog in de Christenheid bij het volk niet alleen, maar naar evenredigheid sterker nog onder de beschaafden enontwikkelden aanhangers bij duizenden tellen; ze zijn niet „niedere Stufen oder Vorstufen einer religiösen Entwicklung sondern Unterströmungen der eigentlichen Religion." 71

Indien dit onderscheid terecht aangenomen wordt, volgt daaruit onmiddellijk, dat de godsdiensten en godsdienstige verschijnselen bij de verschillende volken niet onder één hoofd samen te vatten en niet uit één beginsel af te leiden zijn. Het monisme wordt met de evolutieleer door de feiten weersproken. De godsdiensten hebben niet één wortel; verschillende factoren, feticisme, animisme, voorvadervereering, enz. hebben tot hun ontstaan medegewerkt. 72 Met name zijn religie en magie uit verschillende bronnen ontstaan en op verschillende wijze te verklaren. De groote vraag in de geschiedenis der godsdiensten is eigenlijk niet meer, hoe in het algemeen de godsdienst ontstaan is, maar waar de superstitie en magie haar oorsprong aan ontleent. Dat is het raadsel, waarvoor wij staan; het is de oude vraag: poqen to kakon. Het zijn, het goede, het ware, het schoone is eeuwig en heeft geen begin; maar het worden, de dwaling, de leugen, de zonde, de schande, zij kunnen niet eeuwig zijn en moeten ontstaan zijn in den tijd. Nu speelt zeer zeker bij de superstitie en de magie ook de onkunde, de onbekendheid met de natuur eene rol. Maar „Urdummheit" kan toch haar eenige bron niet zijn. Want niet alleen vinden deze kranke verschijnselen van den godsdienst ook thans nog in de hoogste kringen der beschaving geloof, maar ook de naïefste mensch maakt wel ter dege tusschen het natuurlijke en het bovennatuurlijke onderscheid, al trekt hij de grens anders dan wij, en erkent een terrein, dat aan hemzelf onderworpen is en door zijn kennen en handelen beheerscht wordt. 73 Daar komt echter nog bij, dat superstitie en magie volstrekt niet alleen een verstandelijk, maar ook een zedelijk karakter dragen; ze zijn dwalingen van het hoofd, maar veel meer nog dwalingen van het hart. Zij leveren het bewijs, dat de natuur, maar evenzeer, dat God niet gekend wordt. De kennis der natuur 143 en der geschiedenis tevens, is onafscheidelijk aan die van God verbonden. Profeten en apostelen kenden geen natuurwetenschap, gelijk die in de laatste eeuwen is opgekomen; maar zij hadden eene kerngezonde natuurbeschouwing, omdat zij God kenden en in de wereld het werk van zijne handen zagen, en lieten voor superstitie en magie niet de minste ruimte over. Zoodra echter de zuivere kennis Gods verdwijnt, wordt ook de natuur in haar wezen miskend en tot eene Godheid verheven of tot eene daemonische macht verlaagd. En deze vermenging van God en wereld, welke uit eene verijdeling der overleggingen en eene verduistering des harten voortvloeit, was ten allen tijde en blijft nog steeds de oorsprong van alle superstitie en magie.

It is of still greater importance to observe that religion is more and more being recognized as distinct from magic. J.G. Fraser has no doubt attempted to explain religion just by means of magic, 68 and with him K.Ph. Preuss is of the opinion “that primitive human stupidity is the original source of religion and art; for both proceed directly from sorcery, which on its part is the immediate result of that prudence which proceeds from instinct." 69 This theory, however, is very strenuously opposed by Andrew Lang and others; we gather, says Tiele, no figs from thistles; superstition cannot be the mother of religion. 70 Superstition and magic are indeed often connected with religion, but they are neither the source nor the essence of it. They are rather to be regarded as morbid phenomena, which occur by no means only among the lowest, but also among the most advanced peoples and religions; and even in the present time, in Christendom, not only among the common people, but relatively more markedly among the cultured and educated, where they number their adherents by the thousands; they are not “a lower stage or a first step of a religious development, but under-currents of real religion." 71 If this distinction is correctly drawn, it follows immediately that it is impossible to 168 reduce the religions and the religious phenomena among the different peoples to one head and to derive them from one principle. Monism as truly as the doctrine of evolution is contradicted by the facts. The religions have no common root; various factors, fetichism, animism, ancestor-worship, etc., have worked together in bringing them into existence. 72 Particularly have religion and magic different sources and must receive distinct explanations.

The great question in the history of religions is thus no longer, How in general did religion originate? but Whence do superstition and magic derive their origin? This is the problem that confronts us, namely, the old question, pçqen tè k€kon? Existence, the good, the true, the beautiful are eternal and have no beginning; but becoming, error, false-hood, sin, shame, cannot be eternal and must have been originated in time. In superstition and magic ignorance in general and lack of knowledge of nature in particular certainly play a ro1e. And yet “original stupidity" cannot be their only source. For not only do these morbid phenomena finer credence in the highest circles of civilization even to-day, but even the most artless man distinguishes emphatically between the natural and the supernatural, although he draws his line of demarcation differently from us; and recognizes a domain which is subject to himself and governed by his knowledge and action. 73 To this must be added, that superstition and magic bear not only an intellectual, but also a moral character; they are errors of the head, but more especially errors of the heart. They furnish us proof that nature, but equally that God, is not known. The knowledge of nature and history also is intimately conjoined with that of God. Prophets and apostles had no knowledge of natural science, as it has been developed in these later centuries, but they had a very 169 sound conception of nature, because they knew God and saw in the world his handiwork, and they left no room for superstition and magic. So soon, however, as the pure knowledge of God disappears, nature too in its true character is disowned, and either exalted into the sphere of the godhead or degraded to the sphere of a demoniacal power. And this mixture of God and the world, which results from vain speculations of the mind and a darkening of the heart, always was and still remains the origin of all superstition and magic.

Maar gelijk de krankheid aan de gezondheid terug doet denken en de afdwaling herinnert aan den rechten weg, zoo wijzen deze verschijnselen van bijgeloof naar het oorspronkelijk beeld der religie terug. Superstitie en magie zouden niet hebben kunnen ontstaan, wanneer den mensch het besef van eene andere wereld dan die der natuur niet diep in zijn zelfbewustzijn ingeprent was. Zij zelve zijn van lateren oorsprong, maar zij onderstellen de religie, welke met de menschelijke natuur gegeven is, en in de schepping des menschen naar Gods beeld haar grondslag en beginsel heeft. Religie is daarom naar haar oorsprong en wezen, naar haar waarheid en recht in openbaring gegrond. Zonder deze zinkt zij zelve tot eene verderfelijke superstitie terug.


But as sickness reminds us of former health, and aberration calls to remembrance the right path, so these phenomena of superstition point back to the original image of religion. Superstition and magic could not have arisen if the idea of another world than this world of nature had not been deeply imprinted on man's self-consciousness. They themselves are of a later origin, but they presuppose religion, which is inherent in human nature, having its foundation and principle in the creation of man in the image of God. Hence religion is, not only with reference to its origin and essence, but also with reference to its truth and validity, founded in revelation. Without revelation religion sinks back into a pernicious superstition.


1 G. Trumbull Ladd, The philosophy of religion. London I 1905, bl. 138 v. Gutberlet, Der Mensch, sein Ursprung und seine Entwicklung2. Paderborn, 1903, bl. 522 v.

2 Tiele, Inl. tot de godsdienstwet. I 141 v.

3 Het vraagstuk van den godsdienst, ontbinding of evolutie, beantwoord door de grootste denkers der wereld. Amsterdam 1908, bl. 5, 10, 79, 80, 84, 90, 106, 115, 117, 119, 121, 197, 289, 316.

4 Aldaar bl. 13, 21, 57, 59, 99, 212, 252, 290, 301.

5 Aldaar bl. 21, 79.

6 Ladd, t.a.p. I 120 v.

7 Morris Jastrow bij Tiele, Inleiding tot de godsdienstwet. II 219.

8 Het vraagstuk van den godsdienst enz., bl. 34, 112 v.

9 Dilthey, Einl. in die Geisteswiss., bl. 170, 184, 185.

10 Lubbock, Entstehung der Civilisation. Deutsche Ausgabe 1875, bl. 172.

11 Dilthey, t.a.p. bl. 168, 172.

12 Oscar Hertwig, Das biogenetische Grundgesetz, Intern. Wochenschrift f. Wissenschaft, Kunst und Technik, 20 April 1907, bl. 97, 98.

13 L. Stein, Die soziale Frage, bl. 38, 63, 105, 107.

14 Lehmann, Die Anfänge der Religion und die Religion der primitiven Völker, Die Kultur der Gegenwart, I, III, bl. 1. Troeltsch, Die Christl. Religion, ib. bl. 483. Tiele, Inleiding II 183. Pfleiderer, Religion und Religionen. Munchen 1906, bl. 53.

15 Haeckel, Der Kampf um den Entwicklungsgedanken. bl. 56, 70. Soms is Haeckel bescheidener en spreekt hij van zijne „Stammesgeschichte" als een „Hypothesengebäude", omdat de empirische oorkonden ervoor in hooge mate gebrekkig blijven, verg. H. Meyer, Der gegenwärtige Stand der Entwicklungslehre, bl. 59, 60.

16 Reinke, Die Entw. der Naturwiss. insbes. der Biologie im 19 Jahrh. 1900, bl. 19, 20. Id., Die Naturund Wir. Berlin 1907, bl. 151 v. Branco bij Wasmann, Die moderne Biologie und die Entwickelungslehre2. 1904, bl. 302, 304.

17 Stanley Hall, Adolescence II bl. 91. H. Meyer, t.a.p. bl. 71. Lankester, Natur und Mensch, bl. 24. Dr. H.C. Stratz, Wij stammen niet van de apen af. Baarn 1907, bl. 23.

18 Wasmann, t.a.p. bl. 295.

19 Prof. Dr. C.Ph. Sluiter, Het experiment in dienst der morphologie. Amsterdam 1907.

20 Oscar Hertwig, Das biogenetische Grundgesetz nach dem heutigen Stand der Biologie, Intern. Wochenschrift 13 en 20 April 1907, bl. 93. De meeste botanici, zoologen en palaeontologen zijn tegenwoordig de polyphyletische ontwikkeling toegedaan, H. Meyer, Der gegenw. Stand der Entwicklungslehre, bl. 50 v. Reinke, Die Natur und Wir, bl. 126 v., 139 v. Wasmann, Der Kampf um das Entwicklungsproblem in Berlin. Freiburg 1907.

21 Stanley Hall, Adolescence I 35, 45, 49. Stratz, t.a.p. bl. 17.

22 Gutberlet, Der Mensch, sein Ursprung und seine Entwicklung2. Paderborn 1903. 284

23 Stanley Hall, Adolescence I 107, II 67.

24 ib. I 55.

25 ib. II 568.

26 ib. I 241.

27 Fr. Ratzel, Völkerkunde. 3 Bde. Leipzig 1885 v. I bl. 5.

28 Schneider, Die Naturvolker. 2 Bde. 1885, 1886. Gutberlet, t.a.p. bl. 380 v., 412 v., 474 v. Froberger, Die Schöptungsgesch. der Menschheit in der vorauszetzungslosen Völkerpsychologie. Trier 1903.

29 Steinmetz, De studie der Volkenkunde, bl. 31.

30 Wundt, Völkerpsychologie II 2. 1906, bl. 150.

31 Steinmetz, t.a.p. bl. 41.

32 Orr, Gods Image in man. London 1906, bl. 163 v.

33 Steinmetz, t.a.p. bl. 32 v. Fr. Ratzel, t.a.p. I 10. H.J. Koenen, Het recht in den kring van het gezin. Rotterdam 1900, bl. 65, 69.

34 Stanley Hall, Adolescence II 649-650, 685, 713 v., 726 v.

35 Korte Beschouwingen over bloei en verval der natiën, Wetensch. Bladen Juli 1904, bl. 117-128.

36 Zöckler, Die Lehre vom Urstand des Menschen. Gutersloh 1879, bl. 140 v. Orr, Gods Image in man, bl. 301.

37 H. Schurtz, Völkerkunde 1903, bl. 25. Steinmetz, t.a.p. bl. 49. Orr, t.a.p. bl. 186. Zöckler, t.a.p. 135.

38 Fr. Ratzel, Völkerkunde I 14.

39 Aldaar.

40 Steinmetz, bl. 45, 54.

41 Dilthey, Einleitung, bl. 38, 39.

42 Wundt, Völkerpsychologie II, bl. 428.

43 Gutberlet, Der Mensch.

44 L. Stein, Der Sinn des Daseins, bl. 220-239.

45 G. Ratzenhofer, Die soziologische Erkenntnis. Leipzig 1898, bl. 125. Verg. L. Stein, t.a.p. bl. 226.

46 Bij L. Stein, t.a.p. bl. 227 v.

47 Dr. Joseph Müller, Das sexuelle Leben der Naturvolker3. Leipzig 1906.

48 Schmoller, Grundriss der aligem. Volkswirtschaftslehre. Leipzig 1901, I 122, II 654.

49 Steinmetz, t.a.p. bl. 54.

50 Wundt, Völkerpsychologie III. Leipzig 1905, bl. 64, 85, 335. II 2 bl. 165. Id., Vorlesungen über die Menschen- und Tierseele4 1906, bl. 17. Fr. Ratzel, Völkerkunde I, 13. Gwatkin, The knowledge of God. I 253 v. Reinke, Die Natur und Wir. 1908, bl. 84.

51 Wundt, Völkerpsychologie. II 2. bl. 165. Gutberlet, Der Mensch. bl. 398 v.

52 Troeltsch, Die Christ. Religion, in: Die Kultur der Gegenwart, bl. 483.

53 Schroeder in: Beiträge zur Weiterentw. der Christl. Religion 1905, bl. 8. Tiele, Inleiding II 108, 202, 204. H. de Vries, Afstammings- en Mutatieleer, bl. 36.

54 Garvie, art. Revelation in Hasting's Dictionary of the Bible.

55 Verg. mijne Christelijke Wetenschap 1904, bl. 73 v. Bertholet, Religion und Geisteskultur II, bl. 1 v.

56 Flournoy, Les principes de la psychologie religieuse. Genève 1903, bl. 8, 9. James, The varieties of religious experience, bl. 26, 27.

57 Verg. mijn: Psychologie der religie, Versl. en Meded. der Kon. Ak. v. Wet., Afd. Lett. 1907, bl. 1-32.

58 Troeltsch, t.a.p. bl. 481.

59 Tiele, Inleiding. I 61. II 66, 110, 214, 215.

60 Dilthey, Einl. in die Geisteswiss., bl. 167 v. 285

61 Tiele, Inleiding II 64 v.

62 Aldaar bl. 65.

63 Aldaar.

64 Pierson, Gods wondermacht en ons geestelijk leven. 1867, bl. 42. W. Sanday, The life of Christ in recent research. Oxford. 1907, bl. 204 v. The Nature of Prayer, by Rev. Dr. Lymann Abbott, Moneure D. Conway, Rev. Dr. W. R. Huntingdon, North-American Review. Nov. 1907, bl. 337-348.

65 Ch. de la Saussaye, Lehrbuch der Religionsgeschichte. I3 1905, bl. 6.

66 Bethe, Mythus, Sage, Märchen. Leipzig 1905, bl. 43, 44.

67 R.C. Boer, Heldensage en Mythologie, Gids Jan. 1907, bl. 84. Verg. ook Steinthal, Zu Bibel und Religionsphilos. bl. 127, 150. Dilthey, Einl. bl. 169, 171, 174 v., 178. Wundt, Völkerpsych. II, bl. 551 v. De historische achtergrond der Europeesche, sprookjeswereld, Wet. Bladen Juli 1908, bl. 1-16, naar een artikel van A.S. Herbert, in The Nineteenth Century, Febr. 1908.

68 J.G. Frazer, The golden bough, verg. Ladd I 144 v.

69 Preuss, Der Ursprung der Religion und Kunst, Globus Bd. 86, 87, bl. 249.

70 Tiele, Inl. II 120. Ladd, I 103, 144. Gwatkin, The knowledge, of God. I 249, 252, 263.

71 Jeremias, Die Panbabylonisten. Leipzig 1907, bl. 17.

72 Bethe, t.a.p. bl. 40.

73 Dilthey, Einl., bl. 178 v.


* From the table of Contents:
Religion as the chief ground of the conviction that the world rests on revelation. The existence of religion itself a decisive consideration. Universality and necessity of religion. Origin of religion. Impossibility of explaining its origin historically and psychologically through study of primitive man and the child. The construction of primitive man out of the data of animal life, life of nature-peoples, child life, a pure product of the imagination. Revival of the idea of a religio insita. Inquiry into the essence of religion leads to the same conclusions. No religion without revelation. The attempt at classifying religions leads back to the old division between true and false religions in a new form.

1 G. Trumbull Ladd, The philosophy of religion. London, I, 1905, pp. 138 ff. Gutberlet, Der Mensch, sein Ursprung und seine Entwicklung2. Paderborn, 1903, pp. 522 ff.

2 Tiele, Inl. tot de godsdienstwet., I, pp. 141 ff.

3 Het Vraagstuk van den Godsdienst, Ontbinding of 332 Evolutie, beantwoord door de grootste denkers der wereld. Amsterdam 1908, pp. 5, 10, 79, 80, 84, 90, 106, 115, 117, 119, 121, 197, 289, 316.

4 Ibid., pp. 13, 21, 57, 59, 99, 212, 252, 290, 301.

5 Ibid., pp. 21, 79.

6 Ladd, op. c., I, pp. 120 ff.

7 Morris Jastrow bij Tiele, Inleiding tot de godsdienstwet., II, 219.

8 Het Vraagstuk van den Godsdienst etc., pp. 34, 112 ff.

9 Dilthey, Einl. in die Geisteswiss., pp. 170, 184, 185.

10 Lubbock, Entstehung der Civilisation. Deutsche Ausgabe, 1875, p. 172.

11 Dilthey, op. c. pp. 168, 172.

12 Oscar Hertwig, Das biogenetische Grundgesetz, Intern. Wochenschrift f. Wissenschaft, Kunst und Technik, April 20, 1907, pp. 97, 98.

13 L. Stein, Die soziale Frage, pp. 38, 63, 105, 107.

14 Lehmann, Die Anfänge der Religion und die Religion der primitiven Völker, Die Kultur der Gegenwart, I, III, p. 1. Troeltsch, Die Christl. Religion, ib. p. 483. Tiele, Inleiding. II, p. 183. Pfleiderer, Religion und Religionen. München, 1906, p. 53.

15 Haeckel, Der Kampf um den Entwickelungsgedanken, pp. 56, 70. Haeckel is sometimes more modest and refers to his “Stammesgeschichte" as an “hypothetical structure," because the empirical records underlying it remain to a high degree defective; comp. H. Meyer, Der gegenwärtige Stand der Entwickelungslehre, pp. 59, 60.

16 Reinke, Die Entw. der Naturwiss. insbes. der Biologie im 19 Jahrh., 1900, pp. 19, 20. Id., Die Natur und Wir. Berlin, 1907, pp. 151 ff. Branco in Wasmann, Die moderne Biologie und die Entwickelungslehre,2 1904, pp. 302, 304.

17 Stanley Hall, Adolescence, II, p. 91. H. Meyer, op. c., p. 71. Lankester, Natur und Mensch, p. 24. Dr. H.C. Stratz, Wij stammen niet van de apen af. Baarn, 1907, p. 23.

18 Wasmann, op. c., p. 295.

19 Prof. Dr. C.Ph. Sluiter, Het experiment in dienst der morphologie. Amsterdam, 1907. 333

20 Oscar Hertwig, Das biogenetische Grundgesetz nach dem heutigen Stand der Biologie, Intern. Wochenschrift, April 13 and 20, 1907, p. 93. Most botanists, zoologists, and palaeontologists are at present believers in polyphyletic development. H. Meyer, Der gegenw. Stand der Entwickelungslehre, pp. 50 ff. Reinke, Die Natur und Wir, pp. 126 ff., 139 ff. Wasmann, Der Kampf um das Entwickelungsproblem in Berlin, Freiburg, 1907.

21 Stanley Hall, Adolescence, I, pp. 35, 45, 49. Stratz, op. c., p. 17.

22 Gutberlet, Der Mensch, sein Ursprung und seine Entwicklung2. Paderborn, 1903.

23 Stanley Hall, Adolescence, I, p. 107, II, p. 67.

24 Ib. I, p. 55.

25 Ib. II, p. 568.

26 Ib. I, p. 241.

27 Fr. Ratzel, Völkerkunde. 3 Bde. Leipzig, 1885, I, p. 5.

28 Schneider, Die Naturvölker, 2 Bde. 1885, 1886. Gutberlet, op. c., pp. 380 ff., 412 ff., 474 ff. Froberger, Die Schöpfungsgesch. der Menschheit in der vorauszetzungslosen Völkerpsychologie. Trier, 1903.

29 Steinmetz, De Studie der Volkenkunde, p. 31.

30 Wundt, Völkerpsychologie, II, 2, 1906, p. 150.

31 Steinmetz, op. c., p. 41.

32 Orr, God's Image in Man. London, 1906, pp. 163 ff.

33 Steinmetz, op. c., pp. 32 ff. Fr. Ratzel, op. c., I, p. 10. H.J. Koenen, Het Recht in den Kring van het Gezin. Rotterdam, 1900, pp. 65, 69.

34 Stanley Hall, Adolescence, II, pp. 649-650, 685, 713 ff., 726 ff.

35 Korte Beschouwingen over Bloei en Verval der Natiën, Wetensch. Bladen, July, 1904, pp. 117-128.

36 Zöckler, Die Lehre vom Urstand des Menschen. Gütersloh, 1879, pp. 140 ff. Orr, God's Image in Man, p. 301.

37 H. Schurtz, Völkerkunde, 1903, p. 25. Steinmetz, op. c., p. 49. Orr, op. c., p. 186. Zöckler, op. c., p. 135.

38 Fr. Ratzel, Völkerkunde, I, p. 14.

39 Ibid. 334

40 Steinmetz, pp. 45, 54.

41 Dilthey, Einleitung, pp. 38, 39.

42 Wundt, Völkerpsychologie, II, p. 428.

43 Gutberlet, Der Mensch.

44 L. Stein, Der Sinn des Daseins, pp. 220-239.

45 G. Ratzenhofer, Die soziologische Erkenntnis. Leipzig, 1898, p. 125. Comp. L. Stein, op.c., p. 226.

46 In L. Stein, op. c., pp. 227 ff.

47 Dr. Joseph Müller, Das sexuelle Leben der Naturvölker.3 Leipzig, 1906.

48 Schmoller, Grundriss der allgem. Volkswirtschaftslehre. Leipzig, 1901, I, p. 122; II, p. 654.

49 Steinmetz, op. c., p. 54.

50 Wundt, Völkerpsychologie II, 1. Leipzig, 1905, pp. 64, 85, 335. II, 2 p. 165. Id., Vorlesungen über die Menschen- und Tierseele,4 1906, p. 17. Fr. Ratzel, Völkerkunde, I, p. 13. Gwatkin, The knowledge of God, I, pp. 253 ff. Reinke, Die Natur und Wir. 1908, p. 84.

51 Wundt, Völkerpsychologie, II, 2, p. 165. Gutberlet, Der Mensch. pp. 398 ff.

52 Troeltsch, Die Christ. Religion, in Die Kultur der Gegenwart, p. 483.

53 Schroeder in Beiträge zur Weiterentw. der Christl. Religion, 1905, p. 8. Tiele, Inleiding, II, pp. 108, 202, 204. H. de Vries, Afstammings- en Mutatieleer, p. 36.

54 Garvie, art. Revelation in Hasting's Dictionary of the Bible.

55 Comp. the author's address: Christelijke Wetenschap, 1904, pp. 73 ff. Bertholet, Religion und Geisteskultur, II, pp. 1 ff.

56 Flournoy, Les Principes de la Psychologie religieuse. Genève, 1903, pp. 8, 9. James, The Varieties of Religious Experience, pp. 26, 27.

57 Comp. the author's Psychologie der Religie, Versl. en Meded. der Kon. Ak. v. Wet., Afd. Lett., 1907, pp. 1-32.

58 Troeltsch, op. c., p. 481.

59 Tiele, Inleiding, I, p. 61; II, pp. 66, 110, 214, 215.

60 Dilthey, Einl. in die Geisteswiss., pp. 167 ff. 335

61 Tiele, Inleiding, II, pp. 64 ff.

62 Ibid., p. 65.

63 Ibid.

64 Pierson, Gods Wondermacht en ons Geestelijk Leven. 1867, p. 42. W. Sanday, The Life of Christ in Recent Research. Oxford, 1907, pp. 204 ff. The Nature of Prayer, by Rev. Dr. Lymann Abbott, Moncure D. Conway, Rev. Dr. W.R. Huntingdon, North-American Review. Nov., 1907, pp. 337-348.

65 Ch. de la Saussaye, Lehrbuch der Religionsgeschichte, I,3 1905, p. 6.

66 Bethe, Mythus, Sage, Märchen. Leipzig, 1905, pp. 43, 44.

67 R.C. Boer, Heldensage en Mythologie, Gids, Jan., 1907, p. 84. Comp. also Steinthal, Zu Bibel und Religionsphilos., pp. 127, 150. Dilthey, Einl., pp. 169, 171, 174 ff., 178. Wundt, Völkerpsych., II, pp. 551 ff. De historische achtergrond der Europeesche sprookjeswereld, Wet. Bladen, July, 1908, pp. 1-16, after an article by A.S. Herbert, in The Nineteenth Century, Febr., 1908.

68 J.G. Frazer, The Golden Bough. Comp. Ladd, I, pp. 144 ff.

69 Preuss, Der Ursprung der Religion und Kunst, Globus, Bd. 86, 87, p. 249.

70 Tiele, Inl., II, 120. Ladd, I, pp. 103, 144. Gwatkin, The knowledge, of God, I, pp. 249, 252, 263.

71 Jeremias, Die Panbabylonisten. Leipzig, 1907, p. 17.

72 Bethe, op. c., p. 40.

73 Dilthey, Einl., pp. 178 ff.


x
This website is using cookies. Accept