Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

109. Als Woord van God werd de Heilige Schrift van begin af aan door alle Christelijke kerken erkend. Er is geen dogma, waarover meer eenbeid bestaat, dan dat van de Heilige Schrift. De genesis van dat geloof is niet meer na te gaan; het bestaat, zover wij in de geschiedenis kunnen teruggaan. In het Oude Testament staat het gezag van de geboden van de Heere en inzettingen, d.i. van de thora en ook van de profeten van de oudste tijden af vast. Mozes en de profeten zijn onder Israël altijd mannen van goddelijke autoriteit geweest, hun geschriften werden terstond als gezaghebbend erkend. De thora staat daarbij bovenaan, zij werd bii de Joden in later tijd geidentifiëerd met de goddelijke wijsheid en heette het beeld van God, de dochter van God, de op zichzelf voldoende, voor alle volken bestemde openbaring van het heil, het hoogste goed, de weg ten leven. Als Israël niet gezondigd had, was zij genoegzaam geweest. Maar nu zijn de schriften van de profeten er later ter verklaring aan toegevoegd. Al die schriften zijn goddelijk, heilig, regel van leer en leven, en bevattende een oneindige inhoud. Niets is er overbodig in; alles heeft betekenis, iedere letter, elk teken, tot de gedaante en vorm van een letter toe, want alles is van God afkomstig. Volgens Philo en Josephus verkeerden de profeten bij de inspiratie in een toestand van verrukking en bewusteloosheid, die zij met de heidense mantiek vergeleken en ook wel tot anderen dan de profeten uitbreidden, maar het goddelijk gezag van de Heilige Schrift stond desalniettemin bij hen onwrikbaar vast. Alleen werd aan dat gezag feitelijk weer afbreuk gedaan door de langzaams opkomende leer van de traditie. De Schrift was n.l. toch op zichzelf weer onvoldoende, en werd aangevuld door een mondelinge traditie, welke van God afkomstig, door Mozes, Aaron, de oudsten, de profeten en de mannen van de grote synagoge aan de Schriftgeleerden was overgeleverd. Zij werd eindelijk neergelegd in de Mishna en Gemara, welke nu als norma normata aan de norma normans is toegevoegd en met behulp vooral van dertien hermeneutische regels met de Schrift in overeenstemming werd gebracht1.

De Christelijke gemeente verwierp nu met Jezus en de apostelen wel de gehele Joodsche traditie, maar erkende toch van begin af het goddelijk gezag van de Oudtestamentische Schrift2. De gemeente is nooit zonder Bijbel geweest. Zij ontving het Oude Testament uit de hand van de apostelen terstond met goddelijke autoriteit. Het Christelijk geloof sloot van de aanvang af het geloof aan het goddelijk gezag van het Oude Testament in zich. Clemens Romanus leert de inspiratie van het Oude Testament zo duidelijk mogelijk. Hij noemt de Oudtestamentische geschriften ta logia tou yeou, 1 Cor. 53, tav grafav alhyeiv tav dia pneumatov tou agiou, ib. 45, voert plaatsen uit het Oude Testament aan met de formule: de Heilige Geest zegt, ib. 13, en zegt van de profeten: oi leitourgoi thv caritov tou yeou dia pneumatov agiou elalhsan, ib. 8. Hij breidt de inspiratie ook tot de apostelen uit, en zegt, dat zij meta plhroforiav pneumatov agiou uitgegaan zijn om te prediken, ib. 42, en dat Paulus aan de Corinthiërs pneumatikwv geschreven heeft, ib. 47. Overigens leveren de apostolische vaders weinig stof voor het dogma van de Schrift: de inspiratie zelf staat vast, maar over de omvang en de grenzen van de inspiratie is er nog verschil; van de Nieuwtestamentische geschriften wordt weinig gesproken, en apocriefe worden soms als canonieke geciteerd. De Apologeten van de 2e eeuw vergelijken de schrijvers bij een citer, lier of fluit, waarvan het goddelijk plhktron zich als van een orgaan bediende3. De leer van de apostelen staat met die van de profeten op één lijn; evenals Abraham, zo geloven wij th fwnh tou yeou, th dia te twn apostolwn tou cristou palin kai th dia twn profhtwn khrucyeish hmin4. De Evangeliën delen in dezelfde inspiratie als de profeten, dia to touv pantav pneumatoforouv eni pneumati yeou lelalhkenai5. Bij Irenaeus is reeds de volle erkenning aanwezig van de inspiratie van beide Testamenten; Scripturae perfectae sunt, quippe a Deo et Spiritu ejus dictae, ze hebben één auteur en één doel6. En voorts worden de Heilige Schriften door de kerkvaders aangehaald als yeia grafh, kuriakai grafai, yeopneustoi grafai, coelestes literae, divinae voces, bibliotheca sancta. chirographum Dei enz. De schrijvers heten leitourgoi thv caristov tou yeou, ograna yeiav fwnhv, stoma yeou, pneumatoforoi, cristoforoi, impneustenev, yeoforoumenoi, Spiritu divino inundati, pleni enz. De akte van de inspiratie wordt als een drijven, leiden enz., maar vooral dikwijls als een dicteren van de Heilige Geest voorgesteld, de schrijvers waren de handen van de Heilige Geest, zij waren de auctores niet, maar alleen scriptores, scribae; auctor van de Heilige Schrift is God alleen. De Schrift is een epistola omnipotentis Dei ad suam creaturam7. Er is niets onverschilligs en niets overtolligs in, maar alles is vol van goddelijke wijsheid; nihil enim vacuum, neque sine signo apud Deum8. Vooral Origenes dreef dit sterk en sprak uit, dat er geen tittel of jota vergeefs was, dat er niets was in de Schrift, quod non a plenitudine divinae majestatis descendat, en ook Hiëronymus, die zei: singuli sermones, syllabae, apices, puncta in divinis scripturis plena sunt sensibus et spirant caelestia sacramenta. De Heilige Schrift was daarom zonder enig gebrek, zonder enige dwaling, ook in chronologische, historische zaken9. Wat de apostelen geschreven hebben, moet ook worden aangenomen, alsof Christus zelf het geschreven had, want zij waren als het ware zijn handen. In zijn brief aan Hiëronymus zegt Augustinus vast te geloven, dat geen van de canonieke schrijvers scribendo aliquid errasse. Als er dus een fout is, non licet dicere: auctor hujus libri non tenuit veritatem sed: aut codex mendosus est, aut interpres erravit, aut tu non intelligis10. Maar tegelijk werd de zelfbewustheid van de schrijvers bij de inspiratie tegenover het Montanisme zo sterk mogelijk geaccentueerd; voorafgaand onderzoek, onderscheid in ontwikkeling, gebruik van bronnen en van de herinnering, verschil in taal en stijl werden door Irenaeus, Origenes, Eusebius, Augustinus, Hiëronymus e.a. volledig erkend; zelfs werd door sommigen een verschil in de wijze van inspiratie onder het Oude en Nieuwe Testament, of ook een verschil in graad van inspiratie naar de zedelijke toestand van de schrijvers aangenomen11. Maar dat alles deed aan het geloof aangaande de goddelijken oorsprong en de goddelijke autoriteit van de Heilige Schrift geen afbreuk. Deze stonden algemeen vast. Het praktische gebruik van de Schrift in de prediking, in de bewijsvoering, in de exegetische behandeling enz. bewijst dat nog meer en nog sterker dan de op zichzelf staande uitspraken. De kerk had in deze eerste periode meer te doen met de vaststelling van de canon, dan met het begrip van de inspiratie, maar verstond onder de canonieke juist divinae scripturae, en schreef aan deze alleen autoriteit toe12.

De theologie van de Middeleeuwen bleef bij de kerkvaders staan en heeft de leer van de inspiratie niet verder ontwikkeld. Johannes Damascenus brengt de Schrift slechts even ter sprake en zegt, dat wet en profeten, evangelisten en apostelen, herders en leraars door de Heilige Geest gesproken hebben; en daarom is de Schrift theopneust13. Erigena verklaart, dat men in alle stukken de autoriteit van de Heilige Schrift moet volgen, want vera auctoritas rectae rationi non obsistit, maar ook omnis auctoritas, quae vera ratione non approbatur, infirma videtur esse14. Thomas behandelt de leer van de Heilige Schrift evenmin als Lombardus, maar geeft zijn gedachte over de inspiratie toch in zijn leer over de profetie15. De profetie is bepaald een gave van het verstand en bestaat ten eerste in inspiratio, d.i. in een elevatio mentis ad percipienda divina, welke geschiedt Spiritu Sancto movente, en ten tweede in revelatio, waardoor de goddelijke dingen worden gekend, de duisternis en onkunde worden weggenomen en de profetie zelf wordt voltooid. Nader bestaat de profetie in de gave van het lumen propheticum, waardoor de goddelijke dingen zichtbaar worden, evenals de natuurlijke dingen door ‘t natuurlijk licht van de rede. Maar die openbaring verschilt; soms geschiedt ze onder bemiddeling van de zintuigen, soms door middel van de verbeeldingskracht, soms ook op zuiver geestelijke wijze, zoals bij Salomo en de apostelen. De profetie per intellectualem visionem staat in het algemeen hoger dan die per imaginariam visionem; als echter het lumen intellectuale geen bovennatuurlijke dingen openbaart, maar alleen de natuurlijk kenbare dingen op goddelijke wijze kennen en beoordelen doet, dan staat zulk een prophetia intellectualis beneden die visio imaginaria, welke bovennatuurlijke waarheid openbaart. De schrijvers van de hagiographa schreven meermalen over zaken, die van nature kenbaar zijn, en ze spraken dan non quasi ex persona Dei, sed ex persona propria, cum adjutorio tarnen divini luminis. Thomas erkent dus verschillende wijzen en graden van inspiratie. Hij zegt ook, dat de apostelen de gave van de talen kregen, om het Evangelie aan alle volken te kunnen prediken, sed quantum ad quaedam quae superadduntur humana arte ad ornatum et elegantiam locutionis, apostolus instructus erat in propria lingua, non autem in aliena, en zo ook waren de apostelen genoegzaam met kennis toegerust voor hun ambt, maar kenden niet alles, wat er te kennen valt, b.v. arithematica enz. Maar een dwaling of onwaarheid kan in de Schrift niet voorkomen16.

Het breedvoerigst wordt over de Schrift gehandeld door Bonaventura in het prooemium voor zijn Breviloquium: de Heilige Schrift heeft haar oorsprong niet uit menselijk onderzoek, maar uit openbaring van de Vader door de Zoon in de Heilige Geest. Niemand kan haar kennen dan door het geloof, want Christus is haar inhoud. Zij is cor Dei, os Dei (des Vaders), lingua Dei (des Zoons), calamus Dei (des Heilige Geest). Vier dingen komen van de Schrift vooral in aanmerking; haar latitudo: zij bevat vele delen, Oude en Nieuwe Testament, verschillende soorten van boeken, wettelijke, historische, profetische enz.. haar longitudo: zij beschrijft alle tijden van de schepping af tot de oordeelsdag toe in de drie tijdperken van lex naturae, lex scripta en lex gratiae of in zeven aetates; haar sublimitas: zij beschrijft de verschillende hierarchieën, ecclesiastica, angelica, divina; haar profunditas: zij heeft een multiplicitas mysticarum intelligentiarum. Hoezeer de Heilige Schrift ook verschillende wijzen van spreken gebruikt, zij is altijd echt, er is niets onwaars in. Want de Heilige Geest, ejus auctor perfectissimus nihil potuit dicere falsum, nihil superfluum, nihil diminutum. Daarom is het lezen en onderzoeken van de Heilige Schrift zo dringend nodig; en voor dit doel schreef Bonaventura zijn kostelijk Breviloquium. Duns Scotus voert in de prologus voor zijn Bententiae wel verschillende gronden aan, waarop het geloof aan de Heilige Schrift rust, zoals de profetie, de innerlijke overeenstemming, de echtheid, de wonderen enz., maar behandelt de leer van de Heilige Schrift niet. En ook overigens vinden we weinig stof voor het dogma van de Schrift in de scholastiek. Er werd geen behoefte gevoeld aan een bijzondere behandeling van de locus de S. Scr., omdat haar autoriteit vaststond en niemand ze bestreed. Toch vindt voortgezet onderzoek altijd meer, dan bij de aanvang verwacht werd. Kropatscheck behandelt in zijn werk17 eerst het praktisch Schriftgebruik in de Middeleeuwen en gaat dan de leer van de Schrift bij verschillende theologen na, zoals Grosseteste, Occam, Biel enz. De merkwaardigste en uitgebreidste verhandeling over de leer van de Schrift is van Wiclif afkomstig18, die daarin zo streng mogelijk de enige en goddelijke autoriteit van de Heilige Schrift handhaaft, en zegt, dat ze Gods heilig Woord is, nooit liegt, Christus tot inhoud heeft en aan alle Christenen ter lezing en onderzoeking gegeven is. Het zogenaamde formele principe van de Hervorming is niet eerst door Luther en Zwingli uitgesproken, maar bestond reeds lang vóór hen zowel in theorie als in praktijk. De Schrift had in de Middeleeuwen, althans formeel, een onbetwiste heerschappij. Ze werd symbolisch voorgesteld als het water des levens, in lofspraken verheerlijkt, evenals het beeld van Christus vereerd en aangebeden, op de kostbaarste wijze overgeschreven, geïllustreerd, ingebonden en uitgestald. Ze had een ereplaats op de concilies, werd als een relikwie bewaard, als amulet om de hals gedragen, met de gestorvene mee begraven, en als grondslag voor de eedsaflegging gebezigd. En ook werd ze veel meer, dan de Protestanten later meenden, gelezen, bestudeerd, verklaard en vertaald19. Bestrijding van de Schrift was er niet. Ook Abaelard20 zegt niet, dat profeten en apostelen in het schrijven, maar alleen, dat zij soms als personen hebben gedwaald, met beroep op Gregorius, die dat ook van Petrus had erkend; de gratia prophetiae werd hun soms ontnomen, opdat ze nederig zouden blijven en erkennen zouden, dat ze die Geest van God, qui mentiri vel falli nescit, slechts als gave ontvingen en bezaten. En evenmin is Agobard van Lyon een bestrijder van de inspiratie; alleen staat hij tegenover Fredegis van Tours een meer organische opvatting voor, die verschil van taal en stijl, grammatische afwijkingen enz. beter verklaart21. Kerkelijk werd de inspiratie en autoriteit van de Heilige Schrift meermalen uitgesproken en erkend22.

1 Zunz, Die gottesd. Vortrage der Juden 1832 bl. 37 v. Weber, System der altsyn. pal. Theol. 1880 bl. 14 v. 78 v. Schürer, Gesch. des jüd. Volkes II3305 v.

2 Harnack, D. G. I 39 v. 145 v. 244 v. Id. Mission und Ausbreitung des Christ. in de ersten drei Jahrh2. 1906 I 234 V.

3 Justinus, Coh. ad Graecos c. 8. Althenagoras, Leg. pro Christo c. 7.

4 Justinus, Dial. 119.

5 Theophilus, ad Alltol. III 12.

6 Irenaeus. adv. haer. II 28. IV 9.

7 Verg. Irenaeus, A Ilgustinlls, Isidorlls enz. bij Dausch, Die Schriftinspiration 1891 bl. 87.

8 Irenaeus, adv. haer. IV 21, 3.

9 Theophilus, ad Autol. 21. Irenaeus, adv. haer. III 5.

10 Augustinus, c. Faust. XI 5.

11 Novatianus, de trin. 4. Origenes, c. Cels. VII 4.

12 Verg. behalve de boven deze par. genoemde litt. ook nog: Denzinger, Enchir. symb. et defin. n. 49. 125. Hagenbach, D. G. par. 31 v. Dr. A. Zallig, Die Inspirationslehre des Origenes. Freiburg 1902v Rudelbach, Zeits. f. d. ges. luth. Theol. u. Kirche 1840. IW Rohnert, Die Inspiration der Heilige Schrift und ihre Bestreiter. Leipzig 1889 bl. 85 v. Koelling, Die Lehre von der Theopneustie. Breslau 1891 bl. 84 v. Cramer, Godg. Bijdr. IV 49-121. Dr. W. Sanday, Inspiration, eight lectures on the early history and origin of the doctrine of biblical inspiration. Bampton lectures 1893.

13 Damascenus, de fide orthod. IV 17.

14 Erigena, de div. nat. I 66 v.

15 Thomas, S. Theol. II 2 q u. 171 v.

16 Thomas, S. Theol. I qu. 32 art. 4. II 2 qu. 110 art. 4 ad 3.

17 Kropatscheck, Das Schriftprinzip der lutherischen Kirche. I Die Vorgeschichte. Das Erbe des Mittelalters. Leipzig 1903.

18 Johan Wiclifs De Veritate Sacrae Scripturae, aus de Handschriften zum ersten Mal herausgegeben, critisch bearbeitet und sachlich beleuchtet von Rud. Buddensieg. 3 Ede. Leipzig 1904.

19 Vigouroux, Les livres saints et la critiqlie rationaliste I3 226 v. Janssen, Gesch. des deutschen Volkes I 48 v. Kropatscheck, a. w. Rietschel, art. PRE3 II 700-713. Franz Falk, Die Bibel am Ausgange des M. Av, ihre Relintnis lind ihre Verbreitling. Köln 1905.

20 Abaelard, Sic et Non. Ed. Henke et Lindenkohl, 1851 bl. 10-11.

21 Münscher-von Coelln, Dogm. Gesch. II 1 hl. 105. Dr. Klap, Theol v Tijdschrift Maart 1895 bl. 146 v.

22 Denzinger, Enchir. symb. n. 296. 386. 367. 600.

x
This website is using cookies. Accept