Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

113. Waarin bestaat zij zelf dan? De Schrift verspreidt daarover licht, als zij meermalen zegt, dat de Heere spreekt door de profeten of door de mond van zijn profeten; wat in de Schrift staat, is to phyen upo kuriou dia tou profhtou legontov. Van God wordt de prepositie upo gebruikt; Hij is de sprekende, Hij is het eigenlijke subject; maar de profeten zijn in spreken of schrijven zijn organen, van hen wordt altijd de prepositie dia c. gen. en nooit upo gebezigd, Matt. 1:22; 2:15,17,23; 3:3; 4:14 enz., Luk. 1:70, Hand. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25. God, of de Heilige Geest is de eigenlijke spreker, de zegsman, de auctor primarius, en de schrijvers zijn de organen, door wie God spreekt, de auctores secundarii, de scriptores of scribae. Nadere opheldering geeft nog 2 Petr. 1:19-21, waar de oorsprong van de profetie niet gezocht wordt in de wil van de mens, maar in de drijving van Gods Geest. Het feresyai, cf. Hand. 27:15, 17, waar het schip gedreven wordt door de wind, is van het agesyai van de kinderen van God, Rom. 8:14, wezenlijk onderscheiden; de profeten werden gedragen, aangedreven door de Heilige Geest en spraken dientengevolge. En ook wordt de verkondiging van de apostelen een spreken (ev) pneumati agiw genoemd, Matt. 10:20, Joh. 14:26; 15:26; 16:7; 1 Cor. 2:10-13,16; 7:40; 2 Cor. 2:17, 5:20, 13:3. Profeten en apostelen zijn dus yeoforoumenoi; het is God, die in en door hen spreekt. De juiste opvatting van de inspiratie wordt dus blijkbaar bepaald door de rechte verhouding, waarin de auctor primarius en de auctores secundarii tot elkaar worden geplaatst. Pantheïsme en deïsme kunnen die verhouding niet zuiver aangeven, en doen, het een aan de werkzaamheid van de mens, het ander aan de werkzaamheid van God, te kort. Alleen het theïsme van de Schrift bewaart voor dwaling zowel ter rechter- als ter linkerzijde.

De werkzaamheid van God komt bij de inspiratie niet tot haar recht, wanneer deze als een subsequens approbatio, als een mera praeservatio ab errore, of ook als dynamisch, als een inspiratie van de personen omschreven wordt. Lessius en Bonfrerius beweerden wel niet, dat feitelijk enig boek in de Schrift door een later gevolgde Goddelijke verklaring, ibi nihil esse falsum, tot de rang van een geïnspireerd en canoniek boek was verheven, maar zij hielden daarvan toch de mogelijkheid staande en beriepen zich daarvoor op de citaten uit profane schrijvers, die in de Schrift voorkomen, Hand. 17:28, Tit. 1:12 en door deze aanhaling in de Schrift canoniek gezag hebben verkregen. Dit beroep heeft echter geen bewijskracht, omdat de gevallen niet gelijkstaan. In de beide genoemde Schriftplaatsen zijn twee profane schrijvers door Paulus aangehaald, maar in die aanhaling staan wij dan ook voor het feit van een subsequens approbatio a parte Dei. Maar in de gevallen, door Lessius en Bonfrerius ondersteld, ontbreekt zulk een later gevolgde goedkeuring, tenzij men deze wilde zoeken in de canonvorming door de kerk. De kerk heeft echter geen canon en geen enkel boek geïnspireerd gemaakt, maar alleen erkend en beleden, wat als geïnspireerd en canoniek geschrift in de gemeente reeds lang vast stond en gezag had. Indien de kerk enig geschrift, dat feitelijk niet geïnspireerd was, toch tot de rang van een geïnspireerd boek verheven had, zou zij aan een leugen zich schuldig gemaakt hebben. En daarom is het ook voor God zelf niet mogelijk, om een geschrift, dat geschreven werd zonder de bijzondere leiding van de Heilige Geest, later door een eenvoudige verklaring te plaatsen onder een groep van geschriften, die wel onder zulk een bijzondere leiding tot stand gekomen zijn. Het Concilium Vaticanum, sess. 3 c. 2, verwierp dan ook terecht het gevoelen van Lessius en verklaarde, dat de kerk de boeken van de Schrift niet daarom voor heilig en canoniek houdt, quod sola humana industria concinnati, sua deinde auctoritate sint approbati. Tegelijk en om dezelfde redenen verwierp het concilie ook het gevoelen van Chrismann, Jahn en anderen, volgens welke de inspiratie alleen bestaan zou hebben in een praeservatio ab errore, want ook bij deze opvatting komt het rhyen upo yeou niet tot zijn recht. De Christelijke kerk, niet alleen de Roomse maar ook de Protestantse, houdt de Bijbelboeken niet daarom voor heilig en canoniek, quod revelationem sine errore contineant, sed propterea, quod Spiritu Sancto inspirante conscripti Deum habent auctorem, atque ut tales ipsi ecclesiae traditi sunt. Met deze belijdenis, die zonder twijfel in de Schrift is gegrond, is ook die opvatting van de inspiratie in strijd, volgens welke deze alleen bestaan zou hebben in het wekken van religieuze aandoeningen in het hart van profeten en apostelen, aan welke zij dan in hun geschriften uiting zouden gegeven hebben. Want niet alleen wordt daarmee inspiratie met wedergeboorte verward en de Schrift met stichtelijke lectuur op één lijn gesteld, maar ook wordt zo in beginsel ontkend, dat God door te spreken, door gedachten en woorden, zich aan de mens heeft geopenbaard. Heel de openbaring in de Schrift is echter een doorlopend bewijs, dat God niet alleen overdrachtelijk, door natuur en geschiedenis, door feiten en gebeurtenissen tot de mens spreekt, maar dat Hij ook telkens tot de mens is afgedaald, en in menselijke taal en woorden zijn gedachten heeft meegedeeld. Met name is de theopneustie een spreken van God tot ons door de mond van profeten en apostelen, zodat hun woord het woord van God is. Wat geschreven staat, is een rhyen upo yeou; de Heilige Geest zal spreken, lalhsei, wat Hij hoort en zal de komende dingen verkondigen, anggelei, Joh. 16:13; de logia tou yeou, Hand. 7:38, Rom. 3:2, Hebr. 5:12, 1 Petr. 4:11 zijn altijd oracular utterances, divinely authorative communications1; het woord van de apostelen is het woord van God, 1 Thess. 2:13. In 2 Tim. 3:16 heet de Schrift niet yeopneustov allereerst om haar inhoud, maar om haar oorsprong; zij is niet inspirata, quia et quatenus inspirat, maar omgekeerd, spirat Deum et inspirat, quia a Deo inspirita est2.

Aan de andere zijde dwalen zij, die een mechanische inspiratie voorstaan en daarmee aan de werkzaamheid van de auctores secundarii te kort doen. Wat echter onder mechanische inspiratie te verstaan zij, staat lang niet vast. Sommigen maken van deze benaming gebruik, om alle bijzondere leiding van de Heilige Geest bij het schrijven van de Bijbelboeken te verwerpen. Volgens hen is alle wonder, alle profetie, alle bovennatuurlijke inwerking van God in de wereld en in de mens met de natuur van de dingen in strijd, en kan er dus geen andere openbaring hestaan, dan die in het gewone natuurverloop tot de mens komt en historisch en psychologisch vermittelt is. De inspiratie, welke de Bijbelschrijvers genoten hebben, staat dan op één lijn met of is althans slechts gradueel verschillend van die heroïsche, poëtische of religieuze inspiratie, welke ook andere mensen deelachtig zijn geweest. Het behoeft echter na alles wat vroeger over de openbaring gezegd is geen betoog meer, dat deze opvatting met de Schrift in lijnrechte strijd is; want allerwege getuigt zij, dat God zich niet alleen door natuur en geschiedenis, door hart en geweten maar ook rechtstreeks en in de weg van ongewone middelen aan de mens kan openbaren en werkelijk geopenbaard heeft. God openbaart zich niet alleen in, maar ook door bijzondere woorden en daden aan de mens. Doch afgezien hiervan, op het theïstisch standpunt is niet in te zien, waarom zulk een bijzondere openbaring aan de mens mechanisch en met zijn natuur in strijd zou zijn. Als het niet mechanisch is voor een kind, om zijn ouders en onderwijzers op gezag te geloven en eenvoudig van hen te leren; als het niet onwaardig is voor een dienstknecht, om bevelen van zijn heer te ontvangen, die hij soms niet eens begrijpt en alleen heeft uit te voeren, dan ligt er ook niets onnatuurlijks voor de mens in, om een woord van God te ontvangen, dat hij in kinderlijk geloof aan te nemen en te gehoorzamen heeft. Als daartegen opgemerkt wordt, dat zulk een openbaring van God, die van buiten tot de mens komt en niet uit hetgeen buiten en in hem voorafgegaan is afgeleid en verklaard kan worden, altijd ook buiten en boven de mens blijft staan en niet door hem geassimileerd kan worden, dan is daarbij tweeërlei te onderscheiden. Voor een kind, dat opgevoed wordt, voor een leerling, die onderwezen wordt, voor een mens, die de wetenschap beoefent, bestaat de vooruitgang en ontwiklkeling voor een groot deel in het ontvangen en verwerven van nieuwe kundigheden, welke uit hetgeen hij wist niet door nadenken en redenering kunnen afgeleid worden. In de logica en mathesis mag dit in het afgetrokkene enigszins mogelijk zijn, maar in de geschiedenis en natuurkunde moet nieuwe kennis de mens van buiten af worden bijgebracht. Desalniettemin is het de taak van ieder onderwijzer en van elk beoefenaar van de wetenschap, om orde in zijn onderwijs en studie te brengen en geleidelijk van het een tot het ander voort te schrijden. Wie het laatste verwaarloost, brengt verwarring in het bewustzijn; maar wie het eerste ontkent, maakt vooruitgang in kennis onmogelijk. Beide elementen worden door God in zijn openbaring in acht genomen en verbonden. Hij brengt door zijn openbaring, om zo te zeggen, telkens nieuwe kundigheden bij; zijn openbaring vorst een eeuwenlange geschiedenis; maar Hij volgt daarbij een geregelde, opvoedkundige orde en schrijdt van het lagere tot het hogere, van het mindere tot het meerdere voort. Zij, die in onze dagen het eerste bestrijden, omdat een bijzondere openbaring niet door de mens geassimileerd zou kunnen worden, komen langzaam tot het verwerpen van alle openbaring, vallen tot het standpunt van de mechanische natuurbeschouwing terug, verliezen het recht, om in het algemeen en bepaaldelijk op godsdienstig gebied van ontwikkeling en vooruitgang te spreken, en houden zelfs geen maatstaf meer over, om in hetgeen zij nog voor openbaring houden tussen het ware en het valse scheiding te maken. Wie daarentegen de opvoedkundige orde, welke God in zijn openbaring volgt, verwaarlozen, lopen gevaar, een mechanische opvatting van de openbaring te huldigen, welke door de Schrift zelf weersproken wordt, Dit alles geldt ook van de inspiratie. Mechanisch is die voorstelling van de inspiratie, welke, eenzijdig nadruk leggende op het nieuwe, het supranaturele element, dat in de inspiratie aanwezig is, de aansluiting daarvan bij het oude, het natuurlijke, over het hoofd ziet, de Bijbelschrijvers als het ware van hun persoonlijkheid losmaakt en uit de historie van hun tijd uitlicht, om hen alleen nog te doen fungeren als bewusteloze en willoze instrumenten in de hand van de Heilige Geest. In hoeverre vroegere theologen zulk een mechanische opvatting zijn toegedaan geweest, valt in één algemene frase niet te zeggen en zou bij elk hunner afzonderlijk onderzocht dienen te worden. Wel is waar zijn de kerkvaders er al mee begonnen, om de profeten en apostelen onder het schrijven te vergelijken bij een citer, een lier, een fluit, een pen in de hand van de Heilige Geest. Maar uit deze vergelijkingen mag niet te veel worden afgeleid; zij wilden daarmee alleen nog te kennen geven, dat de Bijbelschrijvers de auctores secundarii waren en dat God de auctor primarius was. Dat blijkt daaruit, dat zij aan de andere zijde de dwaling van de Montanisten, als zou de profetie en de inspiratie haar organen bewusteloos hebben gemaakt, beslist en eenparig verwierpen, en ook menigmaal de zelfwerkzaamheid van de Bijbelschrijvers duidelijk erkennen. Toch ontbreekt het nu en dan niet aan uitdrukkingen en voorstellingen, die een mechanische opvatting verraden, en in het algemeen mag zeker zonder vrees voor tegenspraak gezegd worden, dat het inzicht in de nu in goede zin genomen, historische en psychologische bemiddeling van de openbaring eerst in de nieuwere tijd tot volle helderheid is gekomen, en de mechanische opvatting van de inspiratie, voorzover zij dan vroeger bestond, meer en meer voor de organische heeft plaats gemaakt.

1 Warfield, The oracles of God, Presb. and Ref. Rev. April 1900 bl.217-260.

2 Pesch, De inspiratione S. Scr. 412.

x
This website is using cookies. Accept