Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

123. Ofschoon de Hervorming zo tegen Rome haar kracht zocht in de Schrift en haar noodzakelijkheid handhaafde, toch ontkende zij daarmee niet, dat de kerk vóór Mozes eeuwen lang zonder Schrift had bestaan. Ook is het waar, dat de kerk van het Nieuwe Testament door de prediking van de apostelen werd gesticht en lange tijd bestond zonder een Nieuwtestamentische canon. Voorts wordt de gemeente nog altijd gevoed en in de heidenwereld geplant door de verkondiging van het Evangelie. De boeken van het Oude en Nieuwe Testament zijn verder langzamerhand ontstaan; ze werden vóór de boekdrukkunst in gering aantal verspreid; vele gelovigen zijn in vroeger en later tijd gestorven, zonder de Schrift ooit te hebben gelezen en onderzocht, en nog zoekt het religieuze leven bevrediging voor zijn behoeften, niet alleen in de Schrift, maar minstens evenzeer in allerlei stichtelijke lectuur. Dit alles kan volmondig worden erkend, zonder dat daarmee aan de noodzakelijkheid van de Schrift ook maar enigszins wordt te kort gedaan. Zelfs zou God, indien het Hem had behaagd, de kerk zeer zeker nog op een andere wijze bij de waarheid hebben kunnen bewaren, dan door middel van een geschreven woord. De noodzakelijkheid van de Schrift is niet absoluut maar ex hypothesi beneplacentiae Dei.

Maar zo verstaan, is deze noodzakelijkheid toch boven alle twijfel verheven. Het woord Gods is vanaf het begin het zaad van de kerk geweest. Zeer zeker bestond de kerk vóór Mozes zonder Schrift. Maar er was toch een verbum agrafon, voordat het eggrafon werd. De kerk heeft nooit uit zichzelf geleefd en in zichzelf gerust, maar altijd door en in het woord van God. Rome leert dit ook niet, maar neemt een traditie aan, die het woord van God onfeilbaar bewaart. Doch wel dient dit te worden uitgesproken tegenover hen, die de openbaring alleen laten bestaan in leven, in instorting van goddelijke krachten, in opwekking van religieuze aandoeningen. De kerk mag dus ouder zijn dan het geschreven, zij is toch jonger dan het gesproken woord1. De gewone bewering, dat de kerk van het Nieuwe Testament lange tijd zonder Schrift bestond, moet ook goed worden opgevat. Het is waar, dat de canon van de Nieuwtestamentische geschriften eerst in de tweede helft van de tweede eeuw algemeen werd erkend. Maar de Christelijke gemeenten hadden van de aanvang af het Oude Testament. Zij zijn gesticht geworden door het gesproken woord van de apostelen. Zeer spoedig kwamen vele gemeenten in het bezit van apostolische geschriften, die ook aan andere werden ter lezing gegeven, tot voorlezing in de kerken dienden en algemeen werden verbreid. Het spreekt vanzelf, dat er, zolang de apostelen leefden en de gemeenten bezochten, nog geen onderscheiding werd gemaakt tussen hun gesproken en geschreven woord; traditie en Schrift waren als het ware nog één. Maar toen de eerste periode voorbij was en de afstand van de apostelen groter werd, rezen de geschriften van de apostelen in betekenis, en hun noodzakelijkheid nam gaandeweg toe. Inderdaad is de necessitas S. Scripturae ook geen stabiele maar een steeds groeiende eigenschap. De Schrift was niet altijd in haar geheel voor de hele kerk noodzakelijk. De Schrift is langzamerhand ontstaan en voltooid. Naarmate de openbaring voortschreed, is ook zij in omvang toegenomen. Elke periode van de kerk had genoeg aan dat gedeelte van de Schrift, dat toen bestond, evenals zij genoeg had aan de openbaring, die tot zover was geschied. De Schrift is evenals de openbaring een organisch geheel, dat gegroeid is; in het zaad was de plant, in de kiem was de vrucht begrepen. Beide, openbaring en Schrift, hielden gelijken tred met de staat van de kerk en omgekeerd. Daarom kan er uit de vroegere toestanden van de kerk ook geen conclusie worden getrokken voor het heden. Laat de kerk vóór Mozes zonder Schrift geweest zijn, laat de kerk vóór de voltooiing van de openbaring nooit in het bezit geweest zijn van de hele Schrift; daaruit volgt niets voor die bedeling van de kerk, in welke wij leven, waarin de openbaring is geëindigd en de Schrift is voltooid. Voor deze bedeling is de Schrift niet nuttig en goed slechts, maar ook beslist noodzakelijk ad esse ecclesiae.

Schrift toch is het enig afdoende middel, om het gesproken woord onvervalst te bewaren en tot eigendom van alle mensen te maken. Vox audita perit, littera scripta manet. De kortheid van het leven, de ontrouw van het geheugen, de arglistigheid van het hart en allerlei andere gevaren, die de zuiverheid van de overlevering bedreigen, maken optekening van het gesproken woord tot bewaring en verbreiding volstrekt noodzakelijk. Bij het woord van de openbaring geldt dit nog in verhoogde mate, Want het Evangelie is niet naar de mens, het staat lijnrecht tegenover zijn gedachten en wensen, het staat als goddelijke waarheid tegenover zijn leugen. Bovendien is de openbaring niet voor één geslacht en voor één tijd, maar voor alle volken en eeuwen bestemd. Het moet zijn loop volbrengen door de hele mensheid heen en tot aan het einde van de tijden. De waarheid is één, het Christendom is. Universalreligion. Hoe zal deze bestemming van het woord van de openbaring anders kunnen bereikt worden, dan doordat het opgetekend en beschreven wordt? De kerk kan deze dienst van het woord niet verrichten. Nergens wordt haar onfeilbaarheid beloofd. Altijd wordt zij in de Schrift verwezen naar het objectieve woord, naar de wet en het getuigenis. Eigenlijk beweert ook zelfs Rome dat niet. De kerk d.i. de vergadering van de gelovigen is bij Rome niet onfeilbaar, noch ook de vergadering van de bisschoppen, maar alleen de paus. De onfeilbaarverklaring van de paus is een bewijs voor de reformatorische stelling van de onbetrouwbaarheid van de traditie, van de feilbaarheid van de kerk, en zelfs van de noodzakelijkheid van de Schrift. Want deze onfeilbaarverklaring houdt in, dat de waarheid van het woord van de openbaring niet bewaard wordt of kan worden door de kerk als vergadering van de gelovigen, omdat ook deze nog aan dwaling onderworpen is, maar dat zij alleen te verklaren is uit een bijzondere assistentie van de Heilige Geest, waarin dan naar Rooms beweren de paus deelt. Rome en de Hervorming komen dus daarin overeen, dat het woord van de openbaring in en voor de kerk alleen zuiver bewaard kan blijven door de instelling van het apostolaat, d.i. door de inspiratie. En het geschil loopt alleen hierover, of dat apostolaat heeft opgehouden dan wel in de paus wordt voortgezet.

Daarentegen is de bewering van de Vermittelungstheologie geheel onhoudbaar, dat de Schrift uit de kerk is voortgekomen en dat zij dus eigenlijk de Verfasserin der Bibel is. Dat kan men alleen beweren, als men het eigenlijke ambt van de profeten en apostelen miskent, de inspiratie met de wedergeboorte vereenzelvigt en de Schrift geheel en al van de openbaring losmaakt. Naar de leer van de Schrift is de inspiratie echter een bijzondere werkzaamheid van de Heilige Geest, een speciale gave aan profeten en apostelen, waardoor zij het woord van God zuiver en onvervalst aan de kerk van alle eeuwen hebben kunnen overleveren. De Schrift is dus niet uit de kerk voortgekomen, maar door een bijzondere werking van de Heilige Geest in de profeten en apostelen aan de kerk gegeven. De Schrift behoort mede tot de openbaring, welke door God aan zijn volk is geschonken. Hierin zijn Rome en de Reformatie eenstemmig. Maar de Hervorming houdt tegenover Rome staande, dat die bijzondere werkzaamheid van de Heilige Geest thans heeft opgehouden, m.a.w. dat het apostolaat niet meer bestaat en in de paus niet wordt voortgezet. De apostelen hebben hun getuigenis aangaande Christus volledig en zuiver in de Heilige Schriften neergelegd. Door deze hebben zij de openbaring Gods tot eigendom van de mensheid gemaakt. De Schrift is het volkomen in de wereld ingegane woord van God. Zij maakt dat woord algemeen en eeuwig, ontrukt het aan de dwaling en leugen, aan de vergetelheid en de vergankelijkheid. Naarmate de mensheid groter, het leven korter, het geheugen zwakker, de wetenschap uitgebreider, de dwaling ernstiger en de leugen driester wordt, neemt de necessitas S. Scripturae toe. Op elk gebied wint het schrift en de pers in betekenis. De boekdrukkunst was een reuzenstap ten hemel en ter hel. Ook in deze ontwikkelingsgang deelt de Heilige Schrift. Haar noodzakelijkheid treedt hoe langer hoe duidelijker aan het licht. Zij wordt verbreid en tot algemeen eigendom gemaakt zoals nooit te voren. In honderden talen wordt zij overgezet. Zij komt onder ieders oog en in ieders hand. Meer en meer blijkt zij het geschikte middel te zijn, om de waarheid ter kennis van alle mensen te brengen. Dat daarnaast de religieuze literatuur voor velen het voornaamste voedsel blijft voor hun geestelijk leven, bewijst niets tegen de noodzakelijkheid van de Heilige Schrift. Want alle Christelijke waarheid wordt toch rechtstreeks of zijdelings uit haar geput. Ook de afgeleide beek ontvangt het water uit de bron. Het is een onhoudbaar beweren, dat ons nu nog iets van Christelijke waarheid zou toekomen buiten en zonder de Heilige Schrift. In de eerste eeuw was zo iets mogelijk, maar thans zijn de stromen van traditie en Schrift reeds lang samengevloeid en de eerste reeds lang in de tweede opgenomen. Rome kan dit alleen staande houden door zijn leer van de voortduring van het apostolaat en de onfeilbaarheid van de paus. Maar voor een Protestant is dit onmogelijk. Het Christelijk karakter van de waarheid kan enkel en alleen daardoor worden betoogd, dat zij met al haar vezels wortelt in de Heilige Schrift. Er is geen kennis van Christus dan uit de Schrift, geen gemeenschap met Hem dan door gemeenschap aan het woord van de apostelen2.

1 Zanchius, Op. VIII 343 v. Polanus, Synt. theol. Ic.15. Synopsis pur. theol., disp. 2. Gerhard, Loci theol. Icap. 1 par. 5 v.

2 Ursinus, Tract. theol. bl. 1 v. Zanchius, Op. VIII 343 v. Polanus, Synt. Theol. Ic. 15. Synopsis pur. theol., disp. 2. Turretinus, Theol. El. loc. 2. qu. 1-3. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 25, 26 enz.

x
This website is using cookies. Accept