Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Hoofdstuk III. Principium Internum

Par. 15. Betekenis van het Principium Internum

verg. de literatuur bij par. 6 v.

130. Aan het principium externum, dat in het vorige hoofdstuk besproken werd, moet in de mens zelf een principium internum beantwoorden. Door Herbert Spencer wordt het leven omschreven als the continuous adjustment of internal relations to external relations1; en inderdaad berust alle leven bij de mens op een wederkerige correspondentie van subject en object. De mens is in elk opzicht afhankelijk van de wereld buiten hem; hij is op geen enkel gebied autonoom, hij leeft van gegeven d.i. van genade. Maar wederkerig is hij op heel die wereld buiten hem aangelegd, hij staat door allerlei relaties met haar in verband. Zijn lichaam is uit het stof van de aarde genomen, uit dezelfde elementen samengesteld als andere lichamen, en daarom aan de fysische wereld verwant. Zijn vegetatief leven wordt uit de aarde gevoed; voedsel, deksel en kleding worden hem door de natuur geschonken; licht en lucht, wisseling van dag en nacht heeft hij nodig voor zijn lichamelijk leven; hij is een mikrokosmos, aards uit de aarde. Als anima sensitiva ontving hij in de zintuigen organen, waardoor hij de wereld buiten zich in haar verschillende verhoudingen gewaarworden en zich voorstellen kan. Door de logos, die in hem is, verheft hij zich tot de wereld van de verstandelijke dingen en spoort hij de logos op, die in het zienlijke zich belichaamd heeft. En ook staat de mens religieus en ethisch met een waarachtige wereld van ideale en geestelijke goederen in verband en heeft hij een facultas ontvangen, om deze wereld gewaar te worden en te kennen. Het onderzoek naar het wezen van de religie leidde ons vroeger reeds tot een zekere godsdienstige aanleg in de mens, tot een vatbaarheid van zijn natuur, om het goddelijke gewaar te worden. De Schrift drukt dit zo uit, dat de mens naar Gods beeld is geschapen, dat hij zijn geslacht is en dat hij in de nouv een orgaan bezit, om Gods openbaring in zijn schepping op te merken. Religie veronderstelt, dat de mens aan God verwant is.

Maar deze religieuze vatbaarheid mag eigen zijn aan de menselijke natuur, zij komt in de werkelijkheid nooit zuiver en zonder inhoud voor. Welke rijke aanleg er voor wetenschap of kunst ook in een kind verscholen mag zijn, het wordt toch in een toestand van hulpeloosheid geboren. Het hangt af van de genade van zijn omgeving. Spijs en drank, deksel en kleding, voorstellingen en begrippen, gewaarwordingen en begeerten ontvangen wij van de kring, waarin wij geboren en opgevoed worden. Ook de religie wordt ons ingeprent door onze ouders en verzorgers. Het is met de godsdienst als met de taal. Het spraakvermogen brengen wij bij de geboorte mee; maar de taal, waarin wij later onze gedachten zullen uitdrukken, wordt ons geschonken door de omgeving. Schopenhauer maakt daarom de juiste opmerking, dat de godsdiensten boven de wijsgerige stelsels een groot voorrecht genieten, omdat zij de kinderen van van de jeugd aan ingeprent worden2. De religie groeit van kindsbeen af samen met het innigste en tederste leven en is mede daarom bijna onuitroeibaar. De regel is, dat iemand sterft in de godsdienst, in welke hij geboren werd. De Mohammedaan, de Christen, de Roomse, de Protestant blijven gemeenlijk tot hun dood toe aan de godsdienst van hun jeugd en hun ouders getrouw. Behalve in tijden van godsdienstige crisis, zoals bij de opkomst van het Christendom, het Mohammedanisme, de Reformatie, zijn bekeringen zeldzaam; verandering van godsdienst is uitzondering, geen regel. Zelfs leven en sterven de meeste mensen, zonder ooit door erustigen twijfel in hun godsdienstig geloof te worden geschokt. De vraag, waarom ze geloven aan de waarheid van de godsdienstige voorstellingen, in welke zij opgevoed zijn, komt in de gedachte niet op. Zij geloven, vinden meer of minder bevrediging in hun geloof en denken over de gronden, waarop hun overtuiging rust, niet na. Als het geloof krachtig is, is er voor zulk een onderzoek naar de gronden van het geloof geen plaats. Wie honger heeft, onderzoekt niet eerst naar de manier, waarop het brood bereid is, dat hem voorgezet wordt. Primum vivere, deinde philosophari. Er is groot verschil tussen het leven en de reflectie. Het is geen bewijs van rijkdom maar van armoede van het godsdienstige leven, als aan de formele kwesties de meeste aandacht wordt gewijd. Als de filosofische denkkracht uitgeput is, werpt men zich op de geschiedenis van de filosofie. Als men niet meer leeft in de belijdenis van de kerk, wordt haar oorsprong en geschiedenis onderzocht. En als het geloof zijn kracht en vertrouwen verliest, wordt een onderzoek ingesteld naar de gronden, waarop het rust.

Toch heeft zodanig onderzoek zijn goede en nuttige zijde. Kant heeft heel de filosofie omgezet in een kritiek van het kenvermogen. En niemand zal de onderzoekingen minachten, die sindsdien aan de aard en de zekerheid van onze kennis zijn gewijd. Maar toch wordt te hoog gespannen verwachting hier altijd door teleurstelling gevolgd. De problemen zijn hier zo ingewikkeld, dat oplossing onbereikbaar schijnt. Alle pogingen, om in deze vraag tot een bevredigend antwoord te komen, worden door erustige bezwaren gedrukt. Soms gaan er stemmen op, die van verder onderzoek afmanen, omdat het volkomen nutteloos is. Op de wetenschap zelf hebben deze formele kwesties toch geen invloed. Of men idealist of empirist, realist of nominalist zij, er is toch geen wetenschap te verkrijgen dan langs de weg van waarneming en denken. Ook in de theologie en de religie is er reden, om voor overdreven verwachtingen te waarschuwen. De Erkenntnisstheorie vergoedt het geloof niet; de pars formalis van de dogmatiek kan de pars materialis niet vervangen. Zelfs is het onderzoek naar de gronden van het geloof nog veel moeilijker dan dat naar de gronden van het weten. Vooreerst is het voor de gelovigen in het algemeen ondoenlijk, om in wetenschappelijke zin zich rekenschap te geven van de redenen, waarom zij geloven. Hun leven uit het geloof is voor hen zelf bewijs genoeg van de waarheid en waarde van dat geloof. Wie honger heeft en eet, ondervindt daardoor vanzelf de voedende kracht van het brood en heeft aan onderzoek naar zijn chemische bestanddelen geen behoefte. Voorts is het ook zelfs voor wetenschappelijke theologen een overdreven eis, dat zij vooraf het wetenschappelijk recht moeten bewijzen van de Erkenntnisstheorie, waarvan zij uitgaan, voordat zij een aanvang mogen maken met de theologische arbeid3. Een theoloog is toch geen filosoof. Al is wijsgerige vorming voor de godgeleerde onmisbaar, hij behoeft toch niet eerst alle wijsgerige Erkenntnisstheorieën onderzocht te hebben, eer hij als theoloog optreden kan. De theologie brengt haar eigen kenleer mee en is wel van de filosofie maar niet van enig filosofisch stelsel afhankelijk. En eindelijk ligt het voorwerp van het onderzoek hier zo diep in het zielenleven verborgen en is zo innig saamgeweven met de fijnste en tederste roerselen van het menselijk hart, dat het bijna geheel aan onze eigen en veelmeer nog aan andere waarneming ontsnapt. De religie wortelt dieper in de menselijke natuur dan enige andere kracht. Voor haar heeft de mens alles over, zijn geld en zijn goed, zijn vrouw en zijn kind, zijn naam, zijn eer, zijn leven. Alleen de religie heeft bloedgetuigen, martelaars. Haar behoudende, kan de mens alles verliezen, met haar behoudt hij toch zichzelf. Maar haar verloochenend, gaat hij zelf verloren. Wie zal dan van dit leven, dat met het leven van de mens zelf één is, de wortel kunnen naspeuren? Wie zal de grond kunnen blootleggen, waarop het geloven rust? Het geloof zelf is reeds zulk een wondere en geheimzinnige kracht. Wij omschrijven het door kennen, toestemmen, vertrouwen enz., maar gevoelen terstond de zwakheid van deze bepaling, en hebben na lange redenering tenslotte nog niets of zeer weinig gezegd. De vraag: hoe en waarom weet ik? is zo moeilijk, dat alle wijsgerige denkkracht het antwoord nog niet heeft gevonden. Maar nog moeilijker is de vraag: hoe en waarom geloof ik? Zij is voor onszelf een raadsel, want wij kunnen niet afdalen in de diepten van ons eigen gemoed en niet doordringen met onze blik in het duister, dat achter ons bewustzijn ligt. En voor anderen is zij nog groter verborgenheid. Want voor onszelf gelden als gronden van het geloof nog allerlei stemmingen en aandoeningen, overleggingen en gezindheden, die met het geloof gepaard gaan en ons onlosmakelijk vasthechten aan het voorwerp van ons geloofs. Maar aan anderen kunnen wij deze niet meedelen; ze zijn voor geen openbaring bestemd en voor geen mededeling vatbaar. Als wij het soms beproeven, verliezen zij onder de mededeling haar kracht en waarde; wij voelen er onszelf het minst door bevredigd. En dikwijls is het einde, dat wat als grond werd aangegeven, de toets niet kan doorstaan en blijkt geen grond te zijn. Desalniettemin houdt het geloof ondanks alle redenering zich staande en spreekt: ik kan niet anders, God helpe mij.

1 Principles of Psychology par. 120.

2 Die Welt als Wille und Vorstellung, 6e Aufl. II 181.

3 A. Ritschl, Theologie und Metaphysik 1881 blv 38.

x
This website is using cookies. Accept