Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

145. Deze ethische, praktische methode tot rechtvaardiging van religie en Christendom, welke aan de religieus-empirische nauw verwant blijkt, verdient zeker met deze de voorkeur boven de historische en speculatieve bewijsvoering. Zij vat de religie niet enkel op als leer, die voor het verstand gerechtvaardigd, noch als een toestand van het subject, die denkend ontleed moeten worden. Maar zij ziet in de religie een historische, objectieve macht, die aan de zedelijke behoeften van de mens beantwoordt en daarin haar bewijs en haar rechtvaardiging vindt. Maar toch is ook deze methode aan ernstige bedenkingen onderhevig. In de eerste plaats is de overeenstemming van een religie met de zedelijke behoeften van de mens zeer zeker van grote betekenis. De bevrediging van hart en geweten is het zegel en de kroon van de religie. Een godsdienst, die niet troosten kan in rouw en smart, in leven en sterven, kan de ware godsdienst niet zijn. Van andere wetenschappen, logica, mathesis, natuurkunde enz. verwachten wij niet, dat zij troost zullen bieden aan de schuldige consciëntie en het bedroefde gemoed. Maar een religie, die aan ziek- en sterfbed verlegen staat, die het twijfelende niet bevestigen en het nedergebogene niet oprichten kan, is die naam niet waard1. De zo dikwijls gemaakte tegenstelling tussen waarheid en troost hoort in de religie niet thuis. Een waarheid, die geen troost bevat, die niet samenhangt met het religieus-ethische leven van de mens, houdt daardoor ook op, een religieuze waarheid te zijn. Gelijk de medische wetenschap in al haar onderdelen beheerst wordt door de genezing van het zieke, zo is het in de religie de mens om vrede en zaligheid te doen. Maar hoe hoog deze troost in de religie ook mag worden geschat en hoezeer hij met andere bewijzen als een krachtig motivum credibilitatis in aanmerking mag komen; toch is hij, alleen en op zichzelf gesteld, als bewijs onvoldoende. Immers, enige troost en bevrediging is er te vinden in alle religies; de ervaringen van ellende en schuld, van twijfel en vertrouwen, van lijdzaamheid en hoop zijn niet alleen bij de Christenen, maar ook in meerdere of mindere mate bij Mohammedanen, Boeddhisten enz. aanwezig. Een religie, die geen troost biedt en geen bevrediging schenkt aan de zedelijke behoeften van de mens, is zeker vals; maar omgekeerd is nog niet elke religie de ware, waarin de mens zijn troost en zijn bevrediging zoekt. Voorts zijn de behoeften van hart en geweten, waaraan een of andere religie voldoet, of zelf onder de invloed van die religie gewekt, en dan is haar bevrediging vrij natuurlijk en een weinig krachtig bewijs; of ze zijn buiten die religie om, onder andere invloeden en onder de werking van een andere godsdienst, ontstaan, en dan is juist die eigenaardige behoefte, welke deze religie onderstelt, niet aanwezig en de bevrediging ontbreekt geheel. Van een onbewuste aspiratie van de ziel naar het Christendom wordt in de werkelijkheid bijna niets gevonden. Van een rijpheid van de volken voor het Evangelie leert de geschiedenis van de zending bitter weinig. Het Evangelie is niet naar de mens, niet naar de behoeften, gelijk de mens die zelf zich voorstelt. Buiten de openbaring kent ook de mens zichzelf niet. De menigmaal herhaalde bewering, dat het Christendom aan ‘s mensen behoeften beantwoordt, brengt het ernstig gevaar met zich, dat de waarheid pasklaar gemaakt wordt voor de menselijke natuur. De stelling, dat de waarheid echt menselijk is omdat ze goddelijk is, slaat zo licht in het tegendeel om, dat ze slechts goddelijk is, omdat ze menselijk is. De prediking naar de mond in plaats van naar het hart van Jeruzalem is ook op Christelijke kansels niet ongewoon. Van de religieuze ervaring behoeven wij hier niet meer te spreken; hoe belangrijk ze is, als voldoende bewijsgrond voor de waarheid van het Christendom kan zij geen dienst doen. En wie haar verheft tot kenbron of norma van de geloofswaarheid, berooft deze langzamerhand van haar historisch karakter en laat ze in enige algemene, religieus-ethische stellingen opgaan. Dat is echter niet anders dan een nieuwe vorm voor de reeds meermalen te vergeefs beproefde scheiding tussen idee en feit in het Christendom. De vrucht kan niet langer geplukt worden, als de boom wordt omgehouwen; en het frisse, heldere water stroomt niet meer, wanneer de bron wordt gestopt.

In plaats van in de bevrediging van hart en geweten, hebben anderen in zogenaamde Werthurtheile de inhoud en het bewijs van de Christelijke religie gezocht. Indien daarmee niets anders bedoeld werd, dan dat een dogma altijd een religieus-ethische waarde bevatten moet, zou niemand tegen deze Werthurtheile enig bezwaar kunnen inbrengen; in elk dogma moet men inderdaad het hart van de religie horen slaan. Ook zou men met de Werthurtheile nog genoegen kunnen nemen, wanneer Ritschl er alleen mee te kennen had willen geven, dat wij ten aanzien van de geloofswaarheden niet tot volstrekte zekerheid kunnen komen door wijsgerige redenering of verstandelijke bewijzen, maar alleen durch Erfahrung der in den Glaubensvorstellungen ausgedrückten Werte2. Dan toch zou de subjectieve waardering de objectieve realiteit van de geloofswaarheid onderstellen, en uitsluitend dienst doen als een middel, om van die realiteit subjectief verzekerd te worden; de waarde van een ding zou dan niet zijn de grond van zijn bestaan, maar alleen subjectief ons het zijn doen erkennen. Maar ook de volgelingen van Ritschl geven toe, dat hij op dit punt zich niet helder uitgelaten en tot misverstand aanleiding gegeven heeft, en dat de uitdrukking Werthurtheile zich gemakkelijk voor verkeerde opvatting leent. Dit is in elk geval zeker, indien de waarderingsoordelen van alle metafysica worden losgemaakt, kunnen zij niet de grondslag en de inhoud van de dogmatiek zijn. Religie sluit de overtuiging in van de realiteit van haar object. Religieuze en ethische waardering veronderstelt de waarheid van de persoon of de zaak, op welke zij betrekking heeft. Werthurtheile zijn daarom van Seinsurtheile afhankelijk; zij staan en vallen met deze. Indien de waardering van een voorwerp niet in zijn realiteit is gegrond, vwordt zij niets dan een inbeelding, een schepping van de fantasie of een ideaalvorming in de zin van Lange en Pierson. Het gaat daarom niet aan, om te zeggen3: laten de feiten zo of anders zijn, de waardering beslist; want met de feiten verandert ook deze. Indien Israëls volk en godsdienst zich ontwikkeld heeft, als de nieuwere kritiek het voorstelt, moet de waardering van het Oude Testament principiëel worden gewijzigd. Een moderne historiebeschouwing en een orthodoxe waardering passen slecht bij elkaar. Indien Christus niet waarachtig God is, dan kan hij ook voor de Christen niet de waarde van God hebben. En zo is het met alle dogmata. Religieuze waardering staat met de objectieve waarheid in het nauwste verband. Er zouden heel wat nevelen verdwijnen, als naar Biedermann’s wens het Modestichwort: Werthurtheile gebannen werd4. Langzamerhand wint de overtuiging veld, dat religieus-ethische ervaring en waardering, van hoe groot gewicht ook, toch niet de waarheid van haar object kunnen waarborgen noch ook de maatstaf kunnen zijn voor de inhoud van de dogmatiek. Ook psychologisch is deze voorstelling niet te rechtvaardigen. Want de beslissing over de realiteit van de dingen komt niet toe aan wil of gevoel, aan hart of geweten, maar aan het bewustzijn. Eerst als de realiteit van een ding voor het bewustzijn vaststaat, kunnen de andere vermogens van de ziel daarmee werkzaam worden. Het wensen, gevoelen, ervaren, verbeelden sluit in gene dele in de realiteit van hun objecten. De weg tot het hart ligt gebaand door het hoofd.

Toch hebben velen, ofschoon de zwakheid inziende van het ervarings- en waarderingsbewijs, er nog iets van trachten te redden door middel van de postulaatstheorie van Kant. Men geeft dan wel toe, dat de zedelijke natuur van de mens niet mag doen besluiten tot de realiteit van allerlei godsdienstige voorstellingen of ook tot de waarheid van de Christelijke religie; maar toch wordt aan haar het recht ontleend, om het werkelijk bestaan te postuleren van al datgene, wat met die zedelijke natuur noodwendig samenhangt, en zonder hetwelk zij ondermijnd en vernietigd wordt. Maar waarin dit bestaat, kan niemand aangeven; de gevoelens lopen verre uiteen. Wie kan ook in het afgetrokkene bepalen, wat met de zedelijke natuur van de mens onmiddellijk en rechtstreeks gegeven is? Bij ieder is die zedelijke natuur verschillend naar gelang van de omgeving, waarin zij gevormd is. Elk postuleert juist zoveel, als waaraan hij voor zijn religie genoeg heeft. Kant leidde uit de praktische rede datgene af, wat de inhoud uitmaakte van zijn moralische Vernunftreligion, het bestaan van vrijheid, God en onsterfelijkheid. Fichte had genoeg aan de zedelijke wereldorde. En Rauwenhoff beweert, dat het geloof in onszelf noodwendig postuleert het geloof aan een zodanige gesteldheid van de wereld, dat de wet van het plichtbesef daarin heersen kan5. Waarin deze gesteldheid bestaat, wordt ons niet nader gezegd. De zedelijke wereldorde, door Rauwenhoff gepostuleerd, is niets anders dan het goede in ons6. Maar daarmee komen wij geen stap verder. Want deze macht van het goede is ook thans reeds in de mens aanwezig en valt geheel samen met die zedelijke natuur, op welke juist het postulaat was gebouwd. Of het postulaat nog iets meer insluit, bijv. dat het goede triomferen zal, dat eens alle mensen het zullen kunnen en willen volbrengen, daarover wordt het zwijgen bewaard. Rauwenhoff verwacht deze triomf van het goede; maar op welke grond, zegt hij niet. Indien echter de tegenwoordige gesteldheid van de wereld bestaanbaar is met de heerschappij van de zedewet in ons, waarom zou zij het dan ook niet kunnen zijn in de toekomst? Wat recht geeft de zedelijke natuur van de mens, om aan het eind de volkomen zegepraal van het goede, de harmonie van deugd en geluk, de overeenstemming van natuurlijke en zedelijke wereldorde te eisen? Bij Rauwenhoff is de postulaatstheorie daarmee geëindigd, dat zij tot het punt van uitgang is teruggekeerd; zij gaf aan het eind niet meer, dan zij reeds bevatte in het begin. Maar afgezien van haar povere resultaten, rijst de vraag, of de grondslag betrouwbaar is, waarop het postulaat wordt gebouwd? Voor de moderne godsdienstwijsgeer is dit niet boven alle bedenking verheven. In de religie wil hij van een oorspronkelijke religieuze natuur van de mens niet weten. Dat zou met een wetenschappelijke verklaring in strijd zijn. De religie moet afgeleid worden uit factoren, die elk op zichzelf nog niet religieus zijn. Maar toegekomen aan de zedelijke natuur van de mens, schijnt hij de eis van zijn wetenschappelijke verklaring geheel te vergeten. Zonder zich te bekommeren om de bezwaren, van de zijde van de materialistische wetenschap ingebracht, gaat hij van de zedelijke natuur van de mens als van een vaststaande, onveranderlijke, oorspronkelijke eigenschap uit en bouwt daarop de realiteit van een zedelijke wereldorde of zelfs van een gehele metafysische wereld. Het recht daartoe had tenminste moeten aangetoond zijn. Indien dit onderzoek vooraf ingesteld zou zijn, dan zou misschien gebleken zijn, dat de zedelijke natuur van de mens zelf reeds de religie veronderstelt. In erkenntnisstheoretische zin mag men evenals bij het moreel bewijs voor het bestaan van God uit het zedelijke opklimmen tot het religieuze; logisch en reëel gaat toch de religie aan het ethische vooraf. Er is geen moraal zonder metafysica. Het idee van plicht involveert die van een absolute macht, die bindt in het geweten7.

1 Gottschick, Die Kirchlichkeit der s. g. Kirchl. Theol. bl. 4 v.

2 Zo wordt Ritschl door Traub uitgelegd, Ritschls Erkenntnistheorie, Zeits. f. Th. u. K. 1894, verg. ook Zeits. f. Th. u. K. 1902. bl. 497-548.

3 Zoals bijv. O. Ritschl doet in zijn: Theol. Wissenschaft und relig. Spekulation, Zeits. f. Th. u. K. 1902 bl. 202-248. 255-315.

4 Biedermann, Christl. Dogm. 12 54. Verg. verder de litt. boven bl. 168 en voorts: Scheibe, Die Bedeutung der Werthurtheile für das relig. Erkennen. Halle 1893. O. Ritschl, Ueber Werthurtheile. Freiburg 1895, aangekondigd door Kaftan, Theol. Litt. Z. 1895 col. 194. Traub, Stud. u. Krit. 1895 bl. 489 v. Max Reischle, Werturteile und Glaubensurteile, Halle 1900. Wobbermin, Theol. u. Metaph. 95 v. Girgensohn, Die Religion, ihre psych. Formen und ihre Zentralidee. Leipzig 1903 bl. 105 v. Pastor Kähler, Beweis d. Glaubens 1903 bl. 309-326.

5 Rauwenhoff, Wijsbeg. v.d. godsd. 343.

6 t.a.p. bl. 536 v.

7 Over Rauwenhoff’s Wijsb.v. d. godsd. wordt litt. opgegeven door Kuenen in zijn levensbericht van R., Maatsch. v. Ned. Lett. 1889 bl.126, en verg. daarbij de Bussy, Gids Oct. 1889. Cannegieter, De godsdienst uit plichtsbesef enz. Leiden 1890.

x
This website is using cookies. Accept