Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

149. Dit geloof brengt naar de Schrift een eigen zekerheid mee. Het is een ipostasiv en elegcov van de gehoopte en ongeziene dingen, Hebr. 11:1; niet omdat het in zichzelf zo hecht en vast is, maar omdat het op Gods getuigenis en belofte steunt, gelijk het vervolg van Hebr. 11 duidelijk leert. Het maakt de onzienlijke goederen van het heil zo zeker voor ons, ja veel zekerder, dan eigen inzicht of een wetenschappelijk bewijs dat ooit zouden vermogen te doen. Daarom is er in de Schrift sprake van de parrhsia, Hebr. 4:16, pepoiyhsiv, Ef. 3:12, plhroforia, Hebr. 6:11,12; 10:22 van het geloof; en wordt er yarsov, Matt. 9:2, kauchsiv, Rom. 5:12, cara, 1 Petr. 1:8 enz. aan toegeschreven. Het staat tegenover twijfel, zorg, vrees, wantrouwen, Matt. 6:31; 8:26; 10:31; 14:31; 21:21, Mark. 4:40, Luk. 8:25, Joh. 14:1, Rom. 4:20, Jak. 1:16. Zekerheid is door heel de Schrift heen een kenmerk van het geloof. Zelfs te midden van de zwaarste aanvechtingen, als alles tegen is, op hoop tegen hoop, houdt de gelovige zich staande als ziende de Onzienlijke, Job 19:25, Ps. 23; 32; 51; Rom. 4:20-21; 5:1; 8:38, Hebr 11 enz.. Eerder geeft de gelovige alles prijs, dan dat hij zijn geloof verloochent. Niets is hem te kostbaar voor zijn geloof, noch zijn geld noch zijn goed, noch zijn eer noch zijn leven. Het geloof is h nikh h nikhsasa ton kosmon, 1 Joh. 5:4.

Deze zekerheid van het geloof was aan de wetenschap onbekend. Zij deed met het Christendom haar intrede in de wereld1. De Griekse filosofie erkende twee soorten van zekerheid, één, die uit de zinlijke waarneming, en een andere, welke door het denken werd verkregen. Gewoonlijk werd de eerste ver beneden de tweede gesteld; de zinlijke waarneming gaf slechts doxa, maar het denken leidde tot episthmh. Aristoteles onderscheidde in de laatste weer tussen die, welke op bewijzen, en die, welke op evidentie rustte. Er waren in de wetenschap dus drie wegen, om tot zekerheid te komen: de waarneming, de argumentatie en de evidentie. Deze drieërlei zekerheid kreeg burgerrecht in de wijsbegeerte, met die verstande, dat de empiristen de zekerheid voornamelijk zochten in de waarneming en de rationalisten in het denken. Naast deze wetenschappelijke zekerheid plaatste het Christendom de zekerheid van het geloof. Concreet en praktisch werd deze zekerheid aan de sceptische wereld vertoond in de gelovige gemeente, vooral in haar martelaars en bloedgetuigen. En theoretisch werd zij uitgesproken en ontwikkeld in de Christelijke theologie. Er is in de leer van de zekerheid van het geloof een belangrijk verschil tussen Rome en de Hervorming ten aanzien van de vraag, of de certitudo fidei ook insluit de certitudo salutis, de volstrekte verzekerdheid van eigen zaligheid. Van Augustinus af aan is deze certitudo salutis door de Roomse kerk en theologie ontkend en bestreden. Rome beweert, dat volstrekte verzekerdheid van de zaligheid slechts het deel is van enkele gelovigen, die haar door een bijzondere openbaring ontvangen hebben, maar volstrekt niet voortvloeit uit de natuur van het geloof. Gewone gelovigen hebben ten aanzien van hun zaligheid slechts een certitudo moralis, conjecturalis, maar geen certitudo fidei. Voor deze zekerheid is er in het Roomse stelsel geen plaats, omdat zij alleen bestaanbaar is bij de belijdenis van Gods verkiezende liefde, en de leken onafhankelijk maken zou van kerk en priester2. Wel erkennen echter de Roomse godgeleerden de certitudo fidei ten opzichte van de objectieve waarheden van de openbaring. Facilius, zei Augustinus3, dubitarem vivere me, quam non esse veritatem, quae per ea, quae facta sunt, intellecta conspicitur. Albertus Magnus maakte onderscheid tussen geloof in de filosofie en in de theologie. Daar is geloof niets anders dan credulitas en geen weg tot kennis; maar in theologicis fides lumen est, certissimam faciens adhaesionem et assensum....et ideo est via et medium ad scientiam veritatis divinorum4. En daarmee stemmen over het algemeen de Protestantse theologen overeen. Niemand heeft krasser en sterker deze zekerheid van het geloof uitgesproken dan Calvijn. Het geloof is bij hem certa, firma, plena et fixa certitudo, meer certitudo dan apprehensio, cordis fiducia et securitas5. Zowel bij Lutherse als Gereformeerde theologen is het geloof een firmus assensus, een certa cognitio, die alle twijfel en alle onzekerheid buitensluit6.

Door de wetenschap, bepaaldelijk door de wijsbegeerte, is aan deze geloofszekerheid over het algemeen weinig aandacht gewijd. Eerst Kant heeft ze in gewijzigde zin opgenomen en erkend. Kant nam in hoofdzaak drie soorten van zekerheid aan. De eerste is de empirische, problematische zekerheid, welke berust op eigen of andere waarneming en bestaat in een menen, in een theoretisch of praktisch geloven. Vervolgens is er een logische, wetenschappelijke, apodictische zekerheid, die weer tweeledig is en of een intuïtief, zoals in de mathesis, of, gelijk in de filosofie, een discursief karakter draagt. Dit zijn dezelfde soorten van zekerheid, die ook reeds in de Griekse filosofie werden aangenomen. Maar bij deze ruimt Kant nu ook nog een plaats in voor de morele, assertorische zekerheid. Het bovenzinlijke en het bovennatuurlijke is n.l. volgens Kant onkenbaar. God heeft de kennis daarvan met opzet ons onthouden, opdat wij de bestemming van de mens niet in het weten zouden stellen maar in het handelen, in de vervulling van zijn zedelijke roeping. Met het oog op deze ethische bestemming neemt de mens de waarheid van sommige stellingen aan, zonder welke hij deze ethische taak niet vervullen kan. Zo gelooft hij op praktische, psychologische gronden aan het bestaan van God, de ziel en de onsterfelijkheid. Dit is moreel geloof. De zekerheid, welke de mens door dit geloof verkrijgt, is niet theoretisch van aard, maar praktisch, moreel. Zij doet hem zeggen, niet: ik ben zeker; noch ook: het is moreel zeker; maar ik ben moreel zeker. Er is dus drieërlei zekerheid, een empirische, logische en morele, uitgedrukt en weergegeven door de woorden menen, weten en geloven7. De wijsbegeerte na Kant heeft deze leer van de zekerheid van Kant wel ten dele overgenomen, maar er niets wezenlijk nieuws aan toegevoegd8.

Daarentegen heeft Kants leer van de morele zekerheid op de theologie grote invloed geoefend. Toen de autoriteit van Schrift en kerk was ondermijnd, heeft men in haar het fundament van religie en theologie gezocht. De bekende tekst Joh. 7:17, door Kant Zelf reeds aangehaald9, is het uitgangspunt van deze richting geworden. Inderdaad ligt er in deze morele zekerheid een diepe waarheid, en dankbaar mag erkend worden, dat Kant haar een plaats heeft ingeruimd in zijn filosofie. Van de onzienlijke dingen hebben wij een heel andere zekerheid dan van die, welke wij met onze zintuigen kunnen waarnemen of met ons denken kunnen bewijzen. Het geloof aan de dingen, die men hoopt en niet ziet, gaat ook niet om buiten de wil, buiten de zedelijke gesteldheid en de geestelijke ervaring. Maar toch verdient het geen aanbeveling, om de geloofszekerheid van de Heilige Schrift, van de gemeente en van de Christelijke theologie in te wisselen voor de morele zekerheid van Kant. Vooreerst is de opmerking niet overbodig, dat zekerheid altijd een toestand is van het bewustzijn. De menselijke geest kan ten aanzien van een vraag of een stelling in een verschillende toestand verkeren; hij kan er tegenover staan in een toestand van onzekerheid, twijfel, vermoeden, mening enz. maar ook in een toestand van volstrekte zekerheid. Zekerheid is de rust van het menselijk bewustzijn in de gevonden en erkende waarheid. Het verstand streeft nl. naar kennis, naar waarheid. Dat is de aard en de natuur van het verstand; het ware is zijn goed, zijn rijkdom, de vervulling van zijn behoefte. Wanneer het die waarheid vindt, is het daarom bevredigd; het rust daarin, het voelt zich veilig en zeker. Zekerheid is rust, vrede, vreugde, zaligheid; in veritate requies. Zekerheid is de normale toestand van de menselijke geest, evenals de gezondheid die van het lichaam. Twijfel, onzekerheid daarentegen is onrust, onvrede, ellende. Strikt genomen is dus niet de zekerheid zelf moreel; zij heet alleen zo, omdat de gronden, waarop de waarheid bij haar rust, van morele aard zijn. Maar vervolgens zijn de gronden, waarop de wetenschappelijke en de morele waarheid rust, niet zo als theoretisch en praktisch van elkaar te scheiden en tegenover elkaar te stellen. Er bestaat in de werkelijkheid zulk een dualisme niet, als Kant in zijn tweeërlei zekerheid aanneemt. Subjectief zijn hoofd en hart, en objectief zijn de zienlijke en onzienlijke dingen niet zo in tweeën te delen. Het hart oefent ook invloed bij het wetenschappelijk onderzoek. De pistiv in ruime zin neemt ook daar een grote plaats in. Veel van wat in de wetenschap voor vast en zeker doorgaat, rust op morele of immorele gronden. En omgekeerd is het toch het bewustzijn, dat ook bij de morele zekerheid de zedelijke gronden weegt en beoordeelt, waarop een of andere stelling als waar wordt erkend en aangenomen. De wil mag het verstand tot het aannemen van een of andere waarheid bewegen, dat aannemen zelf is toch een daad van het verstand; en het verstand kan dit alleen doen, omdat het zelf in meerdere of mindere mate de waarheid erkent en inziet. De geloofszekerheid komt niet tot stand door theoretische bewijzen maar evenmin door een wilsbesluit. Eindelijk zijn er vroeger reeds tegen de postulaatstheorie van Kant verschillende bezwaren ingebracht. Ze kunnen nog vermeerderd worden met deze vragen: Komt het overeen met de natuur van de ware zedelijkheid, die toch ook in ootmoed, nederigheid enz. bestaat, om op grond van onze zedelijke natuur en bestemming het bestaan van God en van de onsterfelijkheid te postuleren? Blijft de morele zekerheid ook dan nog haar kracht behouden, als de zedelijke mens in zonden valt, in aanvechting en bestrijding verkeert, en door de twijfel heen en weer wordt geslingerd? Zijn zedelijke gronden voldoende, om tegenover de bestrijding van de wetenschap daarop het geloof aan Gods bestaan, het bewustzijn van de vergeving, de hoop van de zaligheid te bouwen? Maar al was de morele zekerheid ook genoegzaam voor de wijsgeer, zij is onbruikbaar voor de Christen. Want al kon de Vernunftreligion van Kant op haar als op een vaste grondslag rusten, zij is niet in staat, om de waarheid van de Christelijke religie te dragen.

Om al deze redenen kan de morele zekerheid van Kant de Christelijke geloofszekerheid niet vervangen. Ten overvloede wordt dit nog bewezen door het onderscheid, dat Kant maakt tussen menen, geloven en weten. Menen was volgens hem een voor waar houden op onvoldoende, geloven op subjectief voldoende en weten op objectief voldoende gronden10. Nu is dit onderscheid juist ten aanzien van het geloven in het dagelijks leven en met betrekking tot zulke dingen, die geweten kunnen worden. Dan is inderdaad geloven een mindere en zwakkere graad van het weten. Maar in de religie is geloof de zekerheid zelf. Juister werd het onderscheid reeds door Augustinus bepaald. Hij zegt: tria sunt item velut finitima sibimet in animis hominum distinctione dignissima: intelligere, credere, opinari. Quae si per se ipsa considerentur, primum semper sine vitio est, secundum aliquando cum vitio, tertium nunquam sine vitio11. Inter credere autem atque opinari hoc distat, quod aliquando ille, qui credit, sentit se ignorare quod credit, quamvis de re, quam se ignorare novit, omnino non dubitet, sic enim firme credit; qui autem opinatur, putat se scire, quod nescit12. Thomas omschrijft het onderscheid aldus: de ratione opinionis est quod accipiatur unum cum formidine alterius oppositi; unde non habet firmam inhaesionem. De ratione vero scientiae est quod habeat firmam inhaesionem cum visione intellectiva; habet enim certitudinem procedentem ex intellectu principiorum. Fides autern medio modo se habet; excedit enim opinionem in hoc quod habet firmam inhaesionem; deficit vero ascientia in eo quod non habet visionern13. In gelijke zin gat Zanchius deze definitie: opinio is een cognitio neque certa neque evidens, fides is een cognitio certa sed non evidens, scientia is een cognitio aeque certa ac evidens14. Geloven en weten zijn dus niet in zekerheid onderscheiden. Het geloof brengt een even sterke zekerheid mee als het weten. Ja de geloofszekerheid is van beide de intensief sterkste; zij is bijna onwankelbaar en onuitroeibaar. Voor het geloof heeft iemand zijn leven en alles over. Galilei nam tot driemaal toe zijn instemming terug met het Kopernikaanse stelsel15. Kepler hield zich tegen zijn overtuiging te Graz bezig met de astrologie om in zijn onderhoud te voorzien; de behoeftige moeder (astronomie) moest leven van de dwaze dochter (astrologie). Wie geeft voor een wetenschappelijke thesis, bijv. dat de aarde om de zon draait, zijn leven prijs? Maar de religie kweekt martelaars. De geloofszekerheid gaat in intensieve kracht de wetenschappelijke zekerheid ver te boven. Bonaventura maakt echter in de zekerheid terecht onderscheid tussen de certitudo adhaesionis en de certitudo speculationis16. De eerste is bij de geloofszekerheid groter dan bij de wetenschappelijke zekerheid, want dikwijls zijn geen argumenten, geen vleierijen, geen pijnigingen in staat, om iemand in zijn geloof aan het wankelen te brengen. Hij klemt met heel zijn ziel aan het voorwerp van het geloof zich vast. Maar de certitudo speculationis behoeft wel niet altijd, maar kan soms toch sterker zijn in de wetenschap dan in het geloof. Het is dezelfde gedachte, die Augustinus uitsprak: weten is altijd sine vitio, maar geloven geschiedt aliq uando cum vitio. Het geloven zelf is geen bewijs voor de waarheid van het geloofde. Er is groot verschil tussen subjectieve verzekerdheid en objectieve waarheid. Alles hangt bij het geloof van de gronden af, waarop het rust.

1 Janet et Séailles, Histoire de la filosofie. Paris 1887 bl. 668.

2 Verg. Augustinus, de bono persev. c. 8, 13, 22. de civ. Dei.c. 12. Epist.107 enz. G. J. Vossius, Historia pelagiana 1655 bl. 578 v. Commentaren op Sent. I dist. 17. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 112 art. 5. Bellarminus, de Justif. I c. 10. III c. 2 v. Conc. Trid. sess. 6 cap. 9 can. 13, 14, en later bij de leer des geloofs.

3 Conf. VII 10.

4 Bij Stöckl, Philos. der M. A. II 365, cf. verder Thomas, S. Theol. II 2 qu. 4 art. 8. Bellarminus, de Justif. III c. 2. Billuart, Summa S. Thornae VIII bl. 86 v. Dens, Theol. II 241 v. Daelman, Theol. I bl. 12 v.

5 Inst. I 7, 5; II 2, 8; III 2, 14 v. 14, 8; 24, 4, enz.

6 Schmid, Dogm. der ev. luth. K. bl. 299 v. Hase, Hutt. Rediv. par. 108. Heid. Catech. vr. 21. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. bl. 384 v.

7 Kritik der reinen Vernunft, Methodenlehre II 3, ed. Kirchmann bl. 632 v.

8 Verg. Dr. Franz Grung, Das Problem der Gewissheit. Heidelb. 1886.

9 Rel. innerhalb der Gr. usw. ed. Rosenkranz bl. 135.

10 Kritik der reinen Vernunft, Ed. Kirchmann bl. 632 v.

11 Augustinus, de util. cred. c. 11.

12 Id. de mendac. c. 3.

13 Thomas, S. Theol. II 1 qu. 67 art. 3.

14 Zanchius, Op. II 196.

15 Zöckler, Gesch. der Beziehungen zw. Theol. u. Naturw. I 534 v.

16 Sent. III dist. 23 art. 1 qu. 4, cf. Stöckl, Philos. des M. A. II 883.

x
This website is using cookies. Accept