Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

152. Zowel de Roomse als de Protestantse theologie is bij het onderzoek naar de diepste grond van het geloof uitgekomen bij het religieuze subject en moet haar positie nemen in het geloof van de gemeente. Elke andere weg, tot bewijs van de religieuze waarheid ingeslagen, is gebleken een impasse te zijn. Schijnbaar is dit een teleurstelling, en zo wordt ze ook gevoeld door elk, die het eigenlijk wezen van openbaring en godsdienst miskent en ze verandert in een verstandelijk bewijsbare leer. Maar feitelijk is deze uitkomst voor de theologie een winst. Want zij bewijst, dat de theologie tot het inzicht gekomen is van de eigensoortigheid van de religie en dat zij in dezelfde conditie verkeert als alle andere wetenschappen. Het subjectieve uitgangspunt is toch volstrekt niet alleen aan de theologie eigen. Al het objectieve is slechts van uit het subject te benaderen; het Ding an sich is onkenbaar en bestaat voor ons niet. De wereld van de klanken heeft slechts realiteit voor de horenden, de wereld van de gedachten alleen voor de denkende geest. Het is vergeefse moeite, aan de blinde het objectief bestaan van de kleuren te willen bewijzen. Alle leven en kennen berust op een samenstemming van subject en object. En de mens is daarom zo rijk, omdat hij door de verschillendste en de veelvuldigste relaties aan de objectieve wereld verbonden is. Hij is aan de hele wereld verwant; fysisch, vegetatief, sensitief, intellectueel, ethisch, religieus staat hij met die wereld in harmonie; hij is een mikrokosmos. Nu gaat de Schrift ons voor, om al deze relaties van de mens tot de wereld religieus op te vatten en theïstisch te verklaren. De mens heeft zich niet zelf in deze verhouding tot de kosmos gesteld. Hij is van huis uit op die wereld aangelegd, en deze wederkerig op hem. omdat hij beeld van God is, is hij ook heer van de aarde. En niet alleen is het God, die deze banden eenmaal tussen mens en wereld gelegd heeft; Hij is het ook, die ze voortdurend van ogenblik tot ogenblik in stand houdt en werken doet. Het is eenzelfde Logos, waardoor alle dingen in en buiten de mens zijn gemaakt. Hij is vóór alle dingen en deze bestaan nog altijd te samen door Hem, Joh. 1:3, Col. 1:15. Nog nader doet de Schrift ons de Geest van God kennen als principe en auteur van alle leven in mens en wereld, Gen. 1:2; Ps. 33:6; 104:30; 139:7; Job 26:13; 33:4, bepaaldelijk ook van het intellectuele, ethische en religieuze leven, Job 32:8, Jes. 11:2. Natuurlijk is de werking van die Geest verschillend, overeenkomstig de verhoudingen, waarin de mens tot de wereld staat. Fysisch bestaat ze nog slechts in de aandrift, die mens en dier hun spijze van God doet zoeken, Ps. 104:20-30. Ze is dan nog gelijk aan het instinct, dat onbewust de handeling leidt. Maar een hogere vorm neemt deze werking van Gods Geest aan in het intellectuele, ethische en religieuze leven van de mens. Ze wordt dan tot ratio, conscientia, sensus divinitatis, welke geen rustende vermogens maar vatbaarheden zijn, die door inwerking van verwante verschijnselen uit de buiten wereld tot actie overgaan.

Deze actie kan nu de naam van getuigenis dragen, door de menselijken geest gegeven aan de corresponderende verschijnselen buiten hem. Onze geest doet niets anders dan altijd door getuigenis geven aan de waarheid, die van buiten tot ons komt. Hij brengt die waarheid niet denkende en redenerende uit zichzelf voort; hij produceert en schept ze niet, hij reproduceert en denkt ze slechts na. De waarheid bestaat vóór en onafhankelijk van de menselijke geest; zij rust in zichzelf, in de Logos, waarin alles bestand heeft. Van de kant van de mens is alleen nodig, dat hij de waarheid inziet en in zich opneemt; dat hij er zijn getuigenis aan geeft en ze denkend en kennend verzegelt. Zo getuigde Jezus hetgeen hij Gezien en gehoord had, Joh. 3:32. Hij gaf van de waarheid getuigenis, Joh. 18:37, en zo waren de apostelen getuigen van het woord van het leven, dat zij in Christus aanschouwd en getast hadden, Joh. 15:27, 1 Joh. 1:3. Zulk een getuigenis geven aan de waarheid is voor de menselijke geest rust, vreugde, zaligheid. De afstand tussen ons en de waarheid is dan weggevallen; zij heeft ons, wij hebben haar gevonden. Er is onmiddellijke aanraking. Zij maakt ons door zichzelf tot haar getuigen. Alle waarheid maakt van hem, die haar kent, een getuige, een verkondiger, een profeet. Ingaande in onze geest, brengt zij haar eigen getuigenis mee; zij brengt dit zelf in ons voort. Religieus opgevat, is het de Logos zelf, die door onze geest heen aan de Logos in de wereld getuigenis geeft. Het is eenzelfde geest, die de waarheid objectief voor ons uitspreidt en ze subjectief in onze geest tot zekerheid verheft. Het is zijn getuigenis, dat in ons bewustzijn gegeven wordt aan de gedachten, welke God in de schepselen heeft belichaamd. Bovenal in de religie is dit getuigenis van de Heilige Geest aan de waarheid duidelijk. God laat zich niet onbetuigd. Hij openbaart zijn dunamiv en yeiothv in de schepselen, en geeft zelf daaraan in onze nouv door zijn Geest getuigenis. Alle kennen van de waarheid is wezenlijk een getuigenis, dat de geest van de mens aangaande haar aflegt, en in de diepste grond een getuigenis van de Geest van God aan het Woord, waardoor alle dingen zijn gemaakt.

Dit getuigenis van de geest van de mens aan de waarheid is veronderstelling en grondslag, en tevens ook analogie van het testimonium Spiritus Sancti. Calvijn en anderen wezen reeds op deze overeenkomst1. Maar analogie is geen identiteit. De Christelijke religie heeft tot principium externum niet de algemene openbaring van God in de natuur, maar een bijzondere openbaring van God in Christus. Daarmee moet het principium internum overeenstemmen. De nouv van de psychische mens is onvoldoende, om de dingen van de Geest van God te onderscheiden. God kan alleen door God worden gekend. o wn ek tou yeou ta rhmata tou yeou akouei, Joh. 8:47, 3:21, 7:17, 10:3 v., Joh. 18:37. Niemand kan over God spreken, dan die uit en door Hem spreekt. Daarom kan ook alleen diezelfde Geest, die door profeten en apostelen heeft gesproken, in onze harten aan de waarheid getuigenis geven en deze daardoor boven allen twijfel verheffen en tot volstrekte zekerheid brengen. Zulk een getuigenis van de Heilige Geest in de harten van de gelovigen wordt in de Schrift zeer duidelijk geleerd. In de objectieve openbaring, d.i. in de persoon van Christus en in de Schrift als zijn woord, ligt alles besloten, wat de mens tot de kennis en de dienst van God nodig heeft. De openbaring van God is in Christus voltooid en in de Schrift volkomen genoegzaam beschreven. Maar deze openbaring in Christus en in zijn woord is middel, geen doel. Doel is de schepping van een nieuwe mensheid, die het beeld van God ten volle ontvouwt. Daarom moet heel de openbaring overgeleid worden uit Christus in de gemeente, uit de Schrift in het bewustzijn; God zoekt een woning in de mens. Dit grote, goddelijke werk van de toepassing van het heil, van de leiding in alle waarheid is opgedragen aan de Heilige Geest. Reeds in de dagen van het Oude Verbond was Hij de auteur van alle religieus-ethische kennis en leven, Ps. 51:13 [Ps. 51:11]; 143:10; Jes. 63:10. Maar Israël verkeerde in een staat van onmondigheid en was onder de verzorging van de wet gesteld, Gal. 4:1 v. De Heilige Geest was nog niet, omdat Christus nog niet was verheerlijkt, Joh. 7:39. Daarom zagen de profeten met verlangen uit naar de dagen van het Nieuwe Verbond, waarin allen door de Heere geleerd en allen door de Heilige Geest geleid zouden worden, Jer. 31:34; Ezech. 36:25 v., Joël 2:28 v. Naar de belofte wordt deze Geest uitgestort op de Pinksterdag. Heel zijn werkzaamheid wordt door Jezus een getuigen, een verheerlijken van Hemzelf genoemd, Joh. 15:26, 16:14. De Heilige Geest is de waarachtige en de almachtige Getuige voor Christus. Heel de wereld staat vijandig tegen Christus over, niemand neemt het voor Hem op. Maar de Heilige Geest treedt bij die wereld als parakleet, als de verdediger van Christus op. Dat doet Hij allereerst in de Schrift; deze is het getuigenis, de pleitrede van de Heilige Geest voor Christus, die Hij uitspreekt en handhaaft al de eeuwen door. Dit testimonium Spiritus Sancti in S. Scriptura gaat vooraf en ligt ten grondslag aan het getuigenis, dat de Heilige Geest aflegt in de harten van de gelovigen. Gelijk de gedachten van God objectief in de wereld belichaamd zijn en daaruit door de menselijke geest worden afgeleid, zo is ook het woord van de openbaring eerst volkomen beschreven in de Heilige Schriftuur, om daarna verzegeld te worden in onze harten door het getuigenis van de Heilige Geest. Ook hier bestaat de werkzaamheid van de geest van de mens in niets anders, dan in het getuigenis geven aan de waarheid, in het nadenken van wat God voorgedacht heeft. Het testimonium Sp. S. in de gelovigen blijkt hier al geen nieuwe openbaring of mededeling van onbekende waarheden te zijn. Het is wezenlijk onderscheiden van profetie en inspiratie; het doet alleen de waarheid, die buiten en onafhankelijk van ons bestaat, als waarheid verstaan en verzekert en verzegelt ze daarom in het menselijk bewustzijn. De verhouding van het getuigenis van de Heilige Geest in de harten van de gelovigen tot de waarheid van de openbaring in de Heilige Schrift is m.n. geen andere, dan die van de menselijke geest tot het voorwerp van zijn kennis. Het subject schept de waarheid niet; het erkent en beaamt ze slechts.

Maar de analogie strekt zich nog verder uit. De objecten van het menselijk weten zijn alle autopista, ze rusten in zichzelf, hun bestaan kan erkend maar niet bewezen worden. Bewijzen in strikte zin zijn er alleen mogelijk ten aanzien van afgeleide stellingen, en bestaan dan daaruit, dat deze tot algemene stellingen worden herleid. Bewijzen is: het onbekende terugleiden tot het bekende, het bijzondere tot het algemene., het onzekere tot het vaststaande. Misschien is het nog juister te zeggen, dat bewijzen bestaat in het herleiden van onzekere en betwijfelde stellingen tot zulke, die nu eenmaal algemeen als vaststaande worden aangenomen. Want de prima principia, waar alle bewijzen tenslotte op rusten, zijn zelf voor geen bewijs vatbaar; zij staan alleen vast door en voor het geloof. Bewijzen zijn daarom alleen van kracht voor hem, die in deze principia met ons overeenstemt. Contra principia negantem non est disputandum. Zo kan in de moraal het stelen als ongeoorloofd worden bewezen aan hem, die het gezag van de zedewet erkent, maar elk bewijs is krachteloos tegenover wie dit gezag loochent. De zedewet zelf is autopistov, zij rust in zichzelf, zij is als de zon die alleen gezien wordt bij haar eigen stralen; zij hangt van geen bewijs en redenering af; zij is machtig, doordat zij er is, zichzelf poneert en handhaaft; haar macht bestaat in haar gezag, in de goddelijke majesteit, waarmee zij haar: gij zult, in onze consciëntie horen doet. De zedewet zou zichzelf verzwakken, als zij met ons ging redeneren en zich onderwierp aan ons oordeel. Zij treedt categorisch op, en wil van geen excepties, van geen verontschuldigingen weten. Op de vraag: waarom onderwerpt gij u aan de zedewet? is er maar één antwoord mogelijk: omdat zij mij Gods wil openbaart. Maar als dan verder gevraagd wordt: waarom gelooft gij, dat die zedewet Gods wil is? is er geen afdoend antwoord meer te geven. Wie dan toch antwoorden wil, slaat een zijweg in en beroept zich op allerlei notae en criteria, waarin die goddelijkheid van de zedewet zich aan hem kenbaar maakt. Maar afdoende bewijzen zijn dit niet. En zo is het gesteld met alle principia. Zij rusten in zichzelf en staan alleen vast voor het geloof. Op dezelfde wijze verhoudt het zich in de theologie. Bewijzen zijn hier alleen mogelijk ten aanzien van de afgeleide stellingen. De Godheid van Christus kan bewezen worden aan hem, die het gezag van de Schrift erkent. Maar de autoriteit van de Schrift rust in zichzelf en is voor geen bewijs vatbaar. De Heilige Schrift is autopistov en daarom de laatste grond van het geloof. Een diepere grond is niet aan te voeren. Op de vraag: waarom gelooft gij de Schrift? is het enige antwoord, omdat zij Gods woord is. Maar als dan verder gevraagd wordt: waarom gelooft gij, dat de Heilige Schrift Gods woord is? moet de Christen het antwoord schuldig blijven. Wel zal hij dan een beroep doen op de notae en criteria van de Schrift, op de majesteit van haar stijl, de verhevenheid van haar inhoud, de diepte van haar gedachten, het zegenrijke van haar vruchten enz.; maar dat zijn toch niet de gronden van zijn geloof, het zijn slechts eigenschappen en kenmerken, die later door het gelovig denken in de Schrift worden ontdekt, evenals de bewijzen voor Gods bestaan niet aan het geloof voorafgaan en dit schragen, maar eruit voortvloeien en erdoor uitgedacht zijn. Alle bewijzen voor het geloof aan de Schrift, ontleend aan haar notae en criteria, tonen ten duidelijkste aan, dat er geen diepere grond kan aangegeven worden. Het Deus dixit is primum principium, waartoe alle dogmata, ook dat aangaande de Schrift, kunnen herleid worden. De band van de ziel aan de Schrift als het woord van God ligt achter het bewustzijn, en onder de bewijzen; hij is mystiek van aard, evenals het geloof aan de principia in de verschillende wetenschappen.

1 Calvijn, Instit. II 8, 1. Maresius, Syst. Theol. 133. Alsted, Theol. schol. did. bl. 31. Verg. ook Rabus, Vorn Wirken und Wohnen des göttl. Geistes in der Menschenseele, Neue Kirchl. Zeits. 1904 bl. 768 v. 825 v.

x
This website is using cookies. Accept