Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 22. Geloof en Theologie.

Thomas, S. Theol. I qu. 1. S. c. Gent. Ic. 1-8. Heinrich, Dogm. II 717 v. Scheeben, Dogm. I358 v. Denzinger, Vier Bücher v.d. rel. Erk. II 538 v. Kleutgen, Theol. der Vorzeit V. Gerhard, Loci Comm., prooemium de natura theol. Fr. Junius, Op. I 1375 v. Polanus, Synt. Theol. I c. 1-4. Voetius, Disp. I 1-14. Turretinus, Theol. El. Loc. I. Bretschneider, Syst. Entw. par. 1 v. Lobstein, Einl. in die ev. Dogm. bl. 56-71. Kuyper, Enc. II 277 v.

156. De Christelijke kerk heeft zich met het geloof niet tevreden gesteld, maar bijna van begin af aan naar kennis van de religieuze waarheid gestreefd en aan een bijzondere wetenschap, de theologie, het aanzijn geschonken. Toch kan niet gezegd worden, dat deze drang naar wetenschap in het geloof als zodanig ligt opgesloten. Want het geloof is zekerheid en sluit alle twijfel uit; het rust in het woord van God en heeft daaraan genoeg. Nobis curiositate opus non est post Christum Jesum, nec inquisitione post evangelium. Cum credimus, nihil desideramus ultra credere1. Die Frömmigkeit ist ihrer selbst unmittelbar gewiss2. Het recht en de waarde van de theologische wetenschap is daarom in de Christelijke kerk meermalen bestreden. Tijdens de monofysitische en monotheletische twisten was er reeds een partij van de Gnosimachi, die alle wetenschap voor de Christenen onnodig achtten. Zij leerden, dat God van de Christen niets verlangt dan goede werken en dat het beter was, simplici rudique animo institutum suum persequi, quam multam curam in cognoscendis decretis atque sententiis ponere3. Tegen het einde van de Middeleeuwen was de afkeer van de theologie algemeen. De scholastiek had alle vertrouwen verloren. In alle kringen en onder alle secten was er een sterk verlangen naar een meer eenvoudig, praktisch Christendom4. Het humanisme zag met minachting neer op de scholastiek. En sindsdien heeft de oppositie tegen de scholastiek in de Roomse kerk bijna nimmer gezwegen. Bajus, Jansenius, Launoy, vele theologen in de achttiende en in de negentiende eeuw, zoals bijv. Gunther, hebben tegen de scholastische theologie allerlei ernstige beschuldigingen ingebracht5.

De Reformatie nam aanvankelijk hetzelfde standpunt in. Luthers oordeel over Aristoteles, de scholastiek en de rede is bekend. Melanchton schreef in de eerste uitgave van zijn loci: hoc est Christum cognoscere, beneficia ejus cognoscere, non quod isti (scholastici) docent, ejus naturas, modos incarnationis intueri. Zwingli zei, dat Christen te zijn niet bestond in schwatzen von Christo, sunder wandeln wie er gewandlet hat. Calvijn legt ook sterke nadruk op deze praktische zijde van het geloof6. Maar velen gingen verder dan de Hervormers en verwierpen alle theologie. Carlstadt veroordeelde met beroep op Matt. 23:8 alle wetenschappelijke titels en ging leven als een boer onder de boeren. De Wederdopers en de Mennonieten wilden van een wetenschappelijke opleiding tot de bediening van het woord niets weten, en gaven het recht tot “vermanen” aan alle gelovigen. Menno Simons velde over de kerk en haar dienaren, over studie en geleerdheid menigmaal een zeer streng oordeel7. Eerst later kregen de Mennonietische leraren een wetenschappelijke opleiding8. En toen in de zeventiende eeuw in de Protestantse kerken de scholastische behandeling van de theologie veld won, kwam er van alle kant reactie. Calixtus en Coccejus, Spener en Zinzendorf, Fox en Wesley enz., zij allen werden gedreven door het verlangen naar meer eenvoud en waarheid in de leer van het geloof. Daartoe moest men van de leer teruggaan tot het leven, van de belijdenis tot de Schrift, van de theologie tot de religie. Zelfs het deïsme en het rationalisme waren aan dit streven verwant; het algemene en gemeenschappelijke zoekende, dat aan alle godsdiensten en belijdenissen ten grondslag lag, beriepen zij zich van de Christliche Religion op de Religion Christi, van de statutarische Religion op de Vernunftreligion. Door de agnostische richting van de filosofie, de gevoelstheologie van Schleiermacher, de historische kritiek van de Schrift en andere invloeden is dit streven nog toegenomen. De afkeer van de dogmatiek is thans algemeen. Velen zien reikhalzend uit naar een nieuw woord, een nieuw dogma, verlangen een religie zonder theologie, een leven zonder leer, en ijveren voor een praktisch, ondogmatisch Christendom (Dreyer, Egidy, Drummond, Tolstoï enz.). Tot op zekere hoogte heeft dit streven zijn wetenschappelijke verdediging gevonden in de school van Ritschl. Zij trad op met de eis, dat de theologie geheel en al van de metafysica moest worden verlost, en tot de openbaring in de persoon van Christus terugkeren moest. Harnack en E. Hatch pasten dit beginsel toe op de historie van de dogmata, en trachtten aan te tonen, dat de theologie een vrucht was van het ter kwader uur gesloten huwelijk tussen het oorspronkelijk Christendom en de Griekse filosofie9. De beschuldigingen, door al deze richtingen tegen de theologie, bepaaldelijk tegen de dogmatiek ingebracht, komen hierop neer, dat zij de zuiverheid en de eenvoud van de Christelijke religie vervalst; de religie verandert in een leer, die verstandelijk moet bewezen en aangenomen worden; het religieuze leven doodt, een koude dorre orthodoxie bevordert en de fides implicita noodzakelijk maakt; en eindelijk ook nog de religie als leer met de wetenschap in conflict brengt, en de ontwikkelde standen van het Christelijk geloof vervreemdt10.

Niemand zal ontkennen, dat er ernst en waarheid ligt in deze klachten over de theologie. Zij is menigmaal haar doel voorbijgestreefd en in battologie ontaard. Zij heeft al te dikwijls vergeten, dat ons kennen op aarde een kennen ten dele en een zien in een duistere rede is. Soms scheen zij van de gedachte uit te gaan, dat ze alle mogelijke vragen beantwoorden en alle kwesties oplossen kon. Bescheidenheid, tederheid, eenvoud hebben haar dikwijls ontbroken. Dat was te erger, omdat de theologie te doen heeft met de diepste problemen en in aanraking komt met de fijnste roerselen van het menselijk hart. Meer dan enige andere wetenschap past haar de vermaning, mh uperfronein par o dei fronein. Beter een eerlijk non liquet dan een gewaagde gissing. Nescire velle, quae Magister optimus docere non vult, erudita inscitia est. Maar daarmee is toch de theologie nog niet in beginsel veroordeeld. Immers, indien de openbaring alleen bestond in mededeling van leven en de religie alleen in gemoedsstemmingen, er zou voor een eigenlijke theologie geen plaats zijn. Maar de openbaring is een systeem van woorden en daden van God; zij bevat een wereld van gedachten; zij heeft haar centrum in de vleeswording van de Logos. En de religie is geen gevoel en aandoening alleen, maar zij is ook geloof, een bewust leven, een dienen van God met hart en hoofd te samen. En daarom kan die openbaring van God worden ingedacht, opdat zij te beter ingaat in het menselijk bewustzijn. Zelfs kan het van de theologie daarbij niet euvel geduid worden, als zij op helderheid in het denken, klaarheid in de onderscheiding, nauwkeurigheid in de uitdrukking zich toelegt. In alle wetenschappen wordt zulk een praecisitas nagestreefd en op prijs gesteld; in de theologie is zij evenzeer op haar plaats. Het gevaar, dat zij daardoor ontaarden zal in spitsvondigheden en haarkloverijen, bestaat in de andere wetenschappen, bijv. van het recht, van de letteren, evenzeer. Maar niemand zal daarom het recht van die wetenschappen betwisten.

Ook de theologie heeft haar perioden van bloei en verval; maar het gaat niet aan, haar zelf te veroordelen om het misbruik, dat van haar is gemaakt. Abusus non tollit usum. Voorts is ons reeds vroeger gebleken, dat de scheiding tussen de Christelijke religie aan de ene en de metafysica enz. aan de andere zijde evenmin zuiver gedacht als praktisch uitvoerbaar is. De historie heeft dit reeds herhaalde malen bewezen en toont het heden ten dage opnieuw. Om toch zulk een scheiding enigszins mogelijk te maken, zijn alle bovengenoemde richtingen gedwongen, zich van het Evangelie van Christus een eenzijdige en onvolledige voorstelling te vormen. Bijna nimmer gaan zij terug tot de hele Schrift, maar altijd tot een gedeelte; tot het Nieuwe Testament alleen, of tot de Evangeliën, of tot de bergrede, of zelfs tot één enkelen tekst. Franciscus van Assisi bijv. richtte heel zijn leven in naar Matt. 10:9-1011 Tolstoï vindt de kern van het Evangelie in Matt. 5:38-39. Drummond zoekt in de liefde van 1 Cor. 13 het summum bonum. Ritschl verandert de dogmata in religieus-ethische

waarderingsoordelen. Harnack komt in de opvatting van het oorspronkelijk Evangelie met Ritschl overeen, en vindt het wezen van het Christendom in de prediking van het vaderschap van God en de adel van de menselijke ziel. En velen vragen thans, waarom de Christelijke kerken toch niet met de bergrede tevreden zijn geweest. Wat het wezen van het Christendom is, waarin de openbaring of het woord van God bestaat, wie de persoon van Christus is, wordt niet door de apostelen uitgemaakt; ieder stelt het voor zichzelf naar zijn eigen inzichten vast. Gevolg daarvan is, dat al deze richtingen niet alleen de kerk, de belijdenis, de theologie maar ook de apostelen tegen Jezus en tegen het oorspronkelijk Evangelie moeten overstellen. Harnack bijv. erkent, dat ook de apostolisch-katholieke leer in het Nieuwe Testament het Evangelie van Jezus niet zuiver meer reproduceert12. De invloed is er al in merkbaar van het Judaïsme, het Hellenisme en de Grieks-Romeinse Religionsphilosophie. Reeds de apostelen, inzonderheid Paulus en Johannes, hebben het Evangelie vervalst. Ernst von Bunsen betoogde reeds in 1893, dat Paulus het Evangelie van Jezus heeft veranderd in een speculatieve theologie en vindt daarin bij velen instemming13. Als een feit, zoals de opstanding van Christus, toch niet uit het oorspronkelijk Evangelie kan weggenomen worden, tracht men het van zijn religieuze waarde te beroven14.

Uit deze beschouwing vloeit dan verder voort, dat de historie van het dogma niet tot haar recht kan komen. Zij wordt één grote aberratie van de menselijke, van de Christelijke geest. De belofte van de Geest, die in alle waarheid zou leiden, blijkt ijdel te zijn geweest. De mogelijkheid zelfs om de waarheid te kennen, wordt aan de kerk ontnomen, omdat reeds de apostelen haar op een dwaalspoor hebben geleid. De leer van de logos, van de triniteit, van de eerste en de tweede Adam enz., allemaal dogmata, die de inmenging van de Griekse filosofie moeten bewijzen, wordt wel niet woordelijk maar toch zakelijk reeds in de Schrift gevonden. In één woord, de geschiedenis van de dogmata is evenals bij Strausz de geschiedenis van hun kritiek15. Niet de kerk heeft de wereld, maar de wereld heeft de kerk overwonnen. Eindelijk dreigt bij deze eenzijdige opvatting van het oorspronkelijk Evangelie nog het gevaar, dat men de gemeenschap verliest met de kerk van alle eeuwen en daardoor met de tijd, in welke men leeft. Dat is het oordeel van alle secten geweest. Afgesneden van de kerken en de theologie verachtende, hebben zij de invloed op haar eeuw en de band met de cultuur verloren. Gemeente en wereld, kerk en school, religie en wetenschap vallen dualistisch uit elkaar. Daarentegen heeft de theologie de heerlijke roeping, om deze beide met elkaar in verband te houden; om enerzijds het Christelijk leven te bewaren voor allerlei geestelijke ziekten van mysticisme en separatisme, en anderzijds het wetenschappelijk denken van de dwaling en leugen te bevrijden door de waarheid van Christus. Het recht van de theologie is in het wezen van de Christelijke religie gegrond. De openbaring richt zich tot de hele mens, en heeft heel de wereld tot haar object. Op alle terrein bindt zij de strijd tegen de leugen aan. Zij biedt stof aan het diepste denken en plant op wetenschappelijk terrein de kennis van God naast en in organisch verband met die van mens en wereld16.

1 Tertullianus, de praescr. haer. 8.

2 Rothe, Theol. Ethik. par. 7. Verg. Kuyper, Enc. II 278. 541.

3 Johannes Damascenus, de haeresibus, Opera Omnia, Basileae 1575 bl. 585.

4 Harnack, D. G. III2 573.

5 Kleutgen, Theol. der Vorzeit IV2 133 v. Denzinger, Vier Bücher v.d. rel. Erk. II 566 v.

6 Köstlin, Luthers Theol. I106 v. Melanchton, Loci Comm. ed. Augusti 1821 bl. 9. H. Bavinck, De Ethiek van Zwingli hl. 119 v. Calvijn, Inst. I 2, 2. I 5, 9. I 12, 1. Comm. op Rom. 1:19.

7 Alle de Godtgel. Wercken. Amst. 1681. bl. 34 v. 59 v. 260. 270 enz.

8 De Hoop Scheffer, Art. Mennoniten, PRE2 IX 575. Sepp, Kerkhist. Studiën. Leiden 1885 bl. 84. 85.

9 Harnack in zijn Dogmengeschichte. Hatch, The influence of Greek ideas and usages upon the Christian Church. London 1890, in het Duits vertaald door E. Preuschen, onder de titel: Griechentum und Christentum. Freiburg 1882. Verg. ook Kaftan, Die Wahrheit der christl. Religion 1889, en de Dogmengeschichte van Loofs en van Seeberg.

10 Verg. bijv. Kaftan, Glaube und Dogma 3 1889.

11 Over Fr. van Assisi verg. Reuter, Gesch. der rel. Aufkl. im M. A. II 184 186. Paul Babatier, Leben des h. Fr. v. A. deutsch von M. L. Berlin 1895 bl. 53.

12 Harnack, D. G. I53 v.

13 Ernst Bunsen, Die Reconstruction der kirchl. Autorität. Leipzig Brockhaus 1893. Verg. boven bl. 106.

14 Harnack, D. G. I74.

15 Ook Sabatier zegt: L’histoire d’un dogma en est la véritable critique, Les religions d’ autorité et la religion de l’esprit. Paris 1904 bl. XI. Verg. Esquisse bl.208 v.

16 Over de dogmenhistorische beschouwingen van Harnack en Hatch kunnen geraadpleegd worden Pfleiderer, Entw. der prot. Theol. bl. 369 v. Kuenen, Theol. Tijdschr. 1891 bl. 487 v. Van Rhijn, Theol. Studiën 1891 bl. 365 v., Dr. W Schmidt, Der alte Glaube und die Wahrheit des Christ. Berlin, Wigandt 1894. Henri Bois, Le dogma grec. Paris, Fischbacher 1892. Loofs, art. Dogmengesch. PRE3 IV 752-764 Sousset, Theol. Rundschau 1904 bl. 266 v. Dorner, Die Hellenisirung des altkirchl. Dogmas, Die Studierstube April 1906 bl.198-208. Verg. boven bl. 105 v.

x
This website is using cookies. Accept