Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Tweede Deel

Hoofdstuk IV. Over God

Par. 23. De Onbegrijpelijkheid Gods.

Davidson, Theol. of the Old Test. Edinburgh 1904 bl. 30 v. W. Mijlter, Die Entwicklung der alttest. Gottesidie in vorexilischer Zeit. Gütersloh 1903. Van Leeuwen, Bijb. Godsg. I. De leer aangaande God. Utrecht 1892. Augustinus, de doctr. christ.I 6. Damascenus, de fide orthod. I 1-4. Thomas, S. Theol. I qu. 12.13. Zanchius, de natura Dei, Op. II 9. 10. Kant, Kritik der reinen Vernunft. Spencer, First Principles 1887 bl. 68-97. W. Ganz, Der Agnostizismus H. Spencers mit Rücksicht auf A. Comte und F.A. Lange. Greifswald 1902. G.J. Lucas, Agnosticism and religion, being an examination of Spencers religion of the unknowable preceded by a history of agnosticism. Baltimore 1895. Hobson, English theistic thought at the close of the 19th century, Presb. and Ref. Review Oct. 1901 bl. 509-559. Caldecott, The philosophy of religion in England and America. New York Macmillan 1901. James Orr, Christian View of God and the world. Edinburgh 1893 bl. 91 v. James Martineau, A study of religion 1888. John Caird, An introduction to the philos. of religion 1880 bl. 8-38. Iverach Is God knowable? London 1884. Knight, Aspects of Theism. London 1893. Hodge, Syst. Theol. I 335 v. A.B. Bruce, Apologetics. Edinburgh 1892 bl. 146 v. James Ward, Naturalism and Agnosticism. Gifford lectures 1896-1898. Robert Flint, Antitheistic theories 1885. Id. Agnosticism. Edinburgh 1903. R.A. Armstrong, Agnosticism and Theism in the 19th century. London 1905. Caro, L’idee de Dieu et ses nouveaux critiques. Paris 1905. Uhlmann, Die Persönlichkeit Gottes und ihre modernen Gegner. Freiburg 1906. Köstlin, art. Gott in PRE3.

161. Het mysterie is het levenselement der dogmatiek. Wel verstaat de Schrift onder musthrion geen abstract-bovennatuurlijke waarheid in Roomse zin; maar zij is even ver verwijderd van de gedachte, dat de gelovige de geopenbaarde mysteriën in wetenschappelijke zin verstaan en begrijpen zou1. Veeleer gaat de kennis, welke God van Zichzelf in natuur en Schrift heeft geopenbaard, de voorstelling en het begrip van de mens zeer verre te boven. In zoverre is het alles mysterie, waar de dogmatiek over handelt. Zij heeft het immers niet te doen met eindige schepselen, maar van het begin tot het einde verheft zij zich boven alle creatuur tot de Eeuwige en de Oneindige Zelf. Reeds terstond bij het begin van haar arbeid staat zij voor de Onbegrijpelijke. Van Hem neemt zij haar aanvang, want uit Hem zijn alle dingen. Maar ook in de verdere loci, als ze afdaalt tot de schepselen, beschouwt zij deze niet anders dan in hun relatie tot God, gelijk ze uit en door en tot Hem zijn. Zo is dan de kennis Gods het enige dogma, de uitsluitende inhoud der gehele dogmatiek. Alle leerstukken, die in haar behandeld worden, over de wereld, over de mens, over Christus enz., zijn maar de explicatie van het éne, centrale dogma der cognitio Dei. Van Hem uit wordt alles beschouwd. Onder Hem wordt alles gesubsumeerd. Tot Hem wordt alles teruggeleid. Het is altijd God en God alleen, wiens glorie in schepping en herschepping, in natuur en genade, in wereld en kerk zij te overdenken en te beschrijven heeft. Het is Zijn kennis alleen, die ze uitstallen en ten toon spreiden moet. Daardoor wordt de dogmatiek geen dorre, schoolse wetenschap, zonder vrucht voor het leven. Hoe meer zij Hem overdenkt, wiens kennis haar enige inhoud is, des te meer zal zij overgaan in bewondering en aanbidding. Indien zij maar nimmer vergeet, om over de zaken in plaats van over de woorden te denken en te spreken; indien ze maar een Theologie der Thatsachen blijft en niet ontaard in een Theologie der Retorik, is zij als wetenschappelijke beschrijving van de kennis Gods ook ten hoogste vruchtbaar voor het leven. De kennis van Gods in Christus is immers het leven zelf, Ps. 89:15 [Ps. 89:14]; Jer. 31:34; Joh 17:3 Daarom begeerde Augustinus niets anders en niets meer te kennen dan God en zichzelf: Deum et animam scire cupio. Nihilne plus? Nihil omnino. Daarom begon Calvijn zijn Institutie met de kennis Gods en van ons zelf. En daarom gaf de Catechismus van Genève op de eerste vraag: quis humanae vitae praecipuus est finis? ten antwoord: ut Deum, a quo conditi sunt homines, ipsi noverint2.

Maar zodra wij ons gewagen om over God te spreken, rijst de vraag, hoe wij dat zullen vermogen. Wij zijn mensen en Hij is de Here onze God. Er schijnt tussen Hem en ons geen verwantschap en geen gemeenschap te bestaan, dat wij Hem zouden kunnen noemen naar waarheid. Er is tussen Hem en ons een afstand als tussen het oneindige en het eindige, tussen eeuwigheid en tijd, tussen het zijn en het worden, tussen het al en het niet. Hoe weinig wij van God weten, zelfs de zwakste notie houdt in, dat Hij een Wezen is, oneindig ver boven alle schepselen verheven. De Heilige Schrift bevestigt dat zo sterk mogelijk, maar zij draagt toch een leer over God voor, welke zijn kenbaarheid ten volle handhaaft. De Schrift wendt nl. nooit enige poging aan, om het bestaan van God te bewijzen, maar zij ondersteld dat; en zij gaat er daarbij steeds van uit, dat de mens van dat bestaan een onuitroeibaar besef en van het Wezen Gods een zekere kennis heeft. Dit heeft de mens niet aan zijn eigen onderzoek en nadenken te danken, maar daaraan, dat God zich Zijnerzijds in natuur en geschiedenis, in profetie en wonder, op gewone en buitengewone wijze aan de mens heeft geopenbaard. De kenbaarheid van God is daarom voor de Schrift geen ogenblik twijfelachtig. De dwaas mag in zijn hart zeggen, dat er geen God is; wie zijn ogen open doet, ontvangt van alle kanten het getuigenis van Zijn bestaan, van Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, Jes. 40:26; Hand. 14:17; Rom. 1:19-20. Doel van de openbaring van God is volgens de Schrift juist, dat de mens God leert kennen en daardoor het eeuwige leven ontvangt, Joh 17:3; 20:31.

Door die openbaring staat nu in de eerste plaats vast, dat God een Persoon is, een bewust en vrij willend Wezen, niet opgesloten in de wereld maar verre boven de natuur verheven. Een pantheïstische conceptie, die God en wereld vereenzelvigd, is de Schrift ten enenmale vreemd. Zozeer staat deze persoonlijkheid van God allerwege op de voorgrond, dat de vraag soms kan opkomen, of daarmee niet aan Zijn eenheid, geestelijkheid en oneindigheid te kort wordt gedaan. Sommige teksten geven de indruk, alsof God een Wezen is, wel groter en machtiger dan een mens, maar toch aan bepaalde plaatsen gebonden en in Zijn tegenwoordigheid en werkzaamheid door de grenzen van land en volk beperkt. Niet alleen toch kent de Schrift, zoals wij later zien zullen, aan God allerlei menselijke organen en eigenschappen toe; maar zij zegt ook, dat Hij wandelde in de hof, Gen. 3:8 nederdaalde bij Babels torenbouw, Gen 1:5,7 te Bethel aan Jacob verscheen, Gen. 28:10 zijn wet gaf op Sinaï, Ex. 19:1 in Jeruzalem op Zion tussen de cherubim woonde, 1 Sam. 4:4; 1 Kon. 8:10-11 en zij noemt Hem daarom de God van Abraham, Izak en Jacob, de koning van Zion, de God van de Hebreeën, de God van Israël enz. Door veel nieuwe theologen is hieruit afgeleid, dat de oudste godsdienst van Israël het polydemonisme was, dat God, van de Kenieten overgenomen, oorspronkelijk een steen- of een berg- of een vuur- of een onweersgod was, dat Hij na de verovering van het land Kanaän langzamerhand de God van Israëls land en volk is geworden, en dat dit henotheïsme eerst door de ethische opvatting van zijn Wezen bij de profeten in een absoluut monotheïsme is overgegaan3.

Maar deze evolutionistische voorstelling laat aan de feiten van de Schrift geen recht wedervaren en acht in de leer van God elementen onverenigbaar, die er naar het getuigenis van de Schrift alle wezenlijk toe behoren. Enkele opmerkingen stellen dit duidelijk in het licht. De schepping van Adam en Eva, Gen. 2:7,21 wordt, evenals het wandelen van God in de hof, Gen. 3:8 zeer plastisch voorgesteld; maar zij is het werk van dezelfde God, die de gehele wereld heeft gemaakt. Gen 2:4 De verschijning van de Heere bij Babels torenbouw, Gen 11:5,7 wordt ingeleid met de verklaring, dat Hij nederdaalde, nl. uit de hemel, die dus als zijn eigenlijke woonplaats wordt beschouwd. In Gen. 28:11 een perikoop, die voor de moderne godsdienstgeschiedenis van Israël als een locus classicus geldt, eventueel ook Joz. 24:26 Richt. 6:20 1Sam. 6:14 is niet de steen, maar de hemel de woonplaats van de Heere. In 1 Sam. 6:12-13 kondigt de Here Zich aan als de God van Abraham en Izak, en belooft Hij aan Jacob het land Kanaän en een ontelbare nakomelingschap, en zal Hij hem behoeden overal, waar hij heen trekken zal. 1 Sam. 6:13-15 Van een “steengod” is er hier hoegenaamd geen sprake, de steen is alleen een herinneringsteken aan de wondervolle gebeurtenis, die daar heeft plaats gehad. De localisatie van de Heere op de Sinaï, Ex. 3:5,18; Richt. 5:4; 1Kon. 19:8 komt evengoed voor in geschriften, die volgens de moderne kritiek later ontstaan en beslist monotheïstisch zijn. Deut. 33:2; Hab.3:3; Psalm 68:7 [Ps. 68:6] Op de Sinaï openbaarde Zich de Heere, maar Hij woont er niet in die zin, dat Hij daartoe bepaald was, want Hij daalt juist uit de hemel op de berg neer. Ex. 19:18,20 Op dezelfde wijze spreekt de Schrift van een innige verhouding tussen de Heere en het land en volk van Israël, maar zij doet dit volstrekt niet alleen in getuigenissen uit de oudere tijd, Gen 4:4; Richt. 11:24; 1 Sam. 26:19; 2 Sam. 15:8; 2 Kon. 3:27; 5:17 maar evenzeer in die, welke volgens vele critici uit de monotheïstische periode ontstaan zijn. Deut. 4:28; Amos 1:2; Jes. 8:18; Jer. 2:7; 12:14; 16:13; Ezech. 10:18; 11:23; 43:1; Jona 1:3; Ruth 1:15; Joh. 4:19. De Heere is de God van Israël en Kanaän, krachtens Zijn verkiezing en Verbond. Hij kan daarom niet in een onrein, heidens land op de rechte, voorgeschreven wijze gediend worden, gelijk ook de profeten dit getuigen. Hosea 9:3-6; Amos 7:17 Maar dit is iets geheel anders, dan dat Hij niet buiten Kanaän tegenwoordig en werkzaam zou zijn. Integendeel, Hij vergezelt Jacob overal waar hij heentrekt. Gen 28:15 Is met Jozef in Egypte, Gen. 39:2 wekt in Zarfat door Elia de zoon van de weduwe op, 1Kon. 17:10 wordt door Naäman erkend als de God van de ganse aarde, enz. 2 Kon. 5:17

Tengevolge van deze nauwe betrekking, waarin God in de oudtestamentische bedeling tot Israël staat, laten vele teksten het, om zo te zeggen, in het midden, of aan de goden van de andere volken enige realiteit toekomt. In het eerste gebod zegt de Heere zelf: gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben, Ex. 20:3 en elders heet het, dat de Heere groter is dan alle goden, Ex. 15:11; 18:11; Richt. 11:24 en drukt Jefta zich zo uit, alsof Karnos, de afgod van Moab, bestaan had, en in 1 Sam. 26:19 laat David het voorkomen, alsof de verbanning uit het erfdeel des Heren met het dienen van andere goden samenvalt. Maar in hun verband beschouwd, behelzen deze woorden geen van alle een zodanig henotheïsme, als velen daaruit trachten af te leiden. Want naast het eerste gebod, Ex.20:3 staat het vierde gebod, Ex. 20:10 dat de schepping van hemel en aarde aan de Heere toeschrijft en daarmee het zuiverste monotheïsme belijdt. Ook volgens de Jahvist is de Heere de God des hemels en der aarde, de God der gehele mensheid, Gen. 6:5-7; 8:21; 9:20; 18:1 enz. In Gen 18:25; 24:3,7 heet Hij de God des hemels en der aarde, en in Ex. 19:5 is de ganse aarde Zijn eigendom. In de eerder aangehaalde tekst schikt Jefta zich naar de persoon, tot wie hij spreekt, en in 1 Sam 26:19 zegt David niets anders, dan wat overal de gedachte van het Oude Testament is, dat nl. in deze bedeling, God in een bijzondere betrekking tot Israëls land en volk staat. In geschriften, die ook volgens de nieuwere kritiek van latere datum zijn en een beslist monotheïsme huldigen, komen dezelfde uitdrukkingen als in oudere boeken voor: de Heere is een God der goden, en hoger dan alle goden. Deut. 3:24; 4:7; 10:17; 29:26; 32:12,16; 1 Kon. 8:23; 2 Kron. 28:23; Jer. 22:9 Ps.95:3; 97:9; 1 Cor. 8:5; 10:20;.

De onderscheiding van een lagere en hogere God in het Oude Testament, gelijk de gnostiek die reeds voorstond, pleegt daarom geweld aan de feiten, en leidt, wanneer zij als maatstaf van bronnenschifting dienst doet, tot grenzeloze willekeur en hopeloze verwarring. Wel is er natuurlijk onderscheid tussen de religie van het volk, die menigmaal in beeldendienst en afgoderij bestond, en de dienst, die de Heere in Zijn wet en door de profeten van Israël vorderde; en in verband daarmee tussen een geschiedenis van de godsdienst van Israël is en een theologie van het Oude Testament (Historia Revelationis). Ook valt het niet te ontkennen, dat bij de verschillende schrijvers in het Oude Testament verschillende eigenschappen van het Goddelijk Wezen op de voorgrond treden. Maar tot een evolutionistische beschouwing, volgens welke de godsdienst van Israël uit het polydemonisme door het henotheïsme heen tot het absolute monotheïsme zich ontwikkeld zou hebben, geven de bronnen geen recht. Veeleer bevat de leer van God door heel het Oude Testament heen de volgende, bij alle auteurs, zij het ook in verschillende mate voorkomende elementen: 1. God is een persoonlijk Wezen, met eigen bestaan, leven, bewustzijn en wil, niet in de natuur opgesloten, maar boven haar verheven, Schepper van hemel en aarde. 2. Deze God kan verschijnen en Zich openbaren in bepaalde plaatsen, op bepaalde tijden, aan bepaalde personen; aan de aartsvaders, aan Mozes, aan de profeten; in de Hof, bij Babels torenbouw, te Bethel, op de Sinaï, in Kanaän, te Jeruzalem, op Zion enz. 3. Deze openbaring draagt in heel het Oude Testament, niet alleen in de periode vóór, maar ook in die van de profeten, een voorbereidend karakter. Zij geschiedt in tekenen, in dromen en visioenen, door het lot en door de Urim en Tummim, door engelen en door de Malak JHWH; zij heeft doorgaans in bepaalde ogenblikken plaats, houdt daarna op en gaat voorbij. Ze is dus min of meer uitwendig, blijft buiten en boven de mens staan, is meer een openbaring aan dan in de mens, en wijst door deze eigenaardigheid aan, dat zij dient, om aan te kondigen en voor te bereiden de hoogste en duurzame openbaring Gods in de persoon van Christus en Zijn blijvende inwoning in de gemeente. 4. Daarom valt de openbaring Gods in het Oude Testament niet zo met Zijn Wezen samen, dat dit daarin zou opgaan. Wel verschaft de openbaring een ware en betrouwbare kennis van God, maar niet een kennis, die adekwaat aan Zijn Wezen zou zijn. De steen te Bethel, de wolk- en vuurkolom in de woestijn, het onweer op de Sinaï, de wolk in de tabernakel, de Ark des Verbonds enz. zijn tekenen en waarborg van Zijn tegenwoordigheid, maar zij omvatten en besluiten Hem niet. Mozes, met wie de Here omging zoals een vriend met zijn vriend, zag Hem slechts, toen Hij was voorbijgegaan. Ex. 33.23 Een mens kan God niet zien en leven. Ex. 33:20; Le 16:2 Hij is zonder gedaante. Deut. 4:12,15 Een beeld is van Hem niet te maken. Ex. 20:4. Hij woont in het donkere; wolken en donkerheid zijn de aanduiding van Zijn aanwezigheid. Ex. 20:21; Deut. 4:11; 5:22; 1 Kon. 8:12; 2 Kron. 6:1. 5. Dezelfde God, die in Zijn openbaring als het ware zich beperkt tot bepaalde plaatsen, tijden en personen, is tegelijk boven heel de natuur en boven alle schepsel, oneindig hoog verheven. Zelfs in die gedeelten der Schrift, welke op zijn tijdelijke en plaatselijke openbaring de nadruk leggen, ontbreekt het besef van Zijn Hoogheid en almacht niet. De Here, Die wandelt in de hof, is de Schepper van hemel en aarde. De God, die aan Jacob verschijnt, is de Beschikker over de toekomst. De God Israëls woont te midden van Zijn volk in het huis, dat Salomo voor Hem bouwt, en kan toch zelfs door de hemelen niet worden omvat. 1Kon. 8:27. Hij openbaart Zich in de natuur en leeft als het ware met Zijn volk mee, maar Hij is tegelijk de onbegrijpelijke. Job 26:14 ;36:26; 37:5 de Onvergelijkelijke, Jes. 40:18,25; 46:5 de boven tijd en ruimte en alle schepsel oneindig Verhevene, Jes. 40:12; 41:4; 44:6; 48:12 de Enige en waarachtige God, Ex. 20:3,11; Deut. 4:35,39; 32:19; 1 Sam. 2:2; Jes. 44:8. Ofschoon Hij Zich in Zijn namen openbaart, is Hij toch met geen naam te noemen naar waarheid; Hij is zonder naam, Zijn naam is wonderlijk. Ge. 32:29; Rich. 13:18; Spr.30:4. De verborgen grond, de diepte Gods, rqx, en de grens, het uiterste, het Wezen van de Almachtige, tylkt, is niet te bevatten, Job 11:7; In één woord, door heel het Oude Testament heen zijn deze beide elementen met elkaar verbonden: God woont bij die, die een verbrijzelde en nederige van geest is, en is toch de Hoge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont. Jes 57:15. 6. In het Nieuwe Testament treffen wij dezelfde verbinding aan: God woont in een ontoegankelijk licht; niemand heeft Hem gezien of kan Hem zien. Joh. 1:18; 6:46; 1 Tim. 6:16;. Hij is verheven boven verandering, Jak. 1:17 tijd, Openb. 1:8 ruimte, Hand. 17:27,28 boven alle schepselen. Hand. 17:24. Niemand kent Hem dan de Zoon en de Geest, Hand. 11:27; 1 Cor. 2:11. Maar Hij heeft Zijn volheid in Christus lichamelijk doen wonen, Col 2:9 woont in de gemeente als in Zijn tempel, 1 Cor. 3:16 en maakt woning bij die, die Jezus liefheeft en Zijn Woord bewaart. Joh 14:23; Om in de taal van de nieuwere theologie te spreken, de persoonlijkheid en de absoluutheid Gods gaan in de Schrift hand aan hand.

1 Verg. Deel I, Par 23, 160

2 Verg. ook de Catechismus van Westminster bij Karl Müller, Die Bekenntnisschriften der Ref. Kirche. Leipzig 1903 bl. 612.

3 Verg. bijv. Marti, Gesch. der Israël. Religion 1897 bl. 22v.

x
This website is using cookies. Accept