Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

174. De indeling der bewijzen behoeft ons niet lang op te houden. Want ofschoon zij in naam en vorm uiteenloopt, komt zij gewoonlijk zakelijk op hetzelfde neer. Twee bewijzen zijn er, die van de wereld in haar geheel uitgaan en hetzij uit haar oorsprong, hetzij uit haar doel tot God trachten op te klimmen (argumentum cosmologicum en teleologicum). Twee andere bewijzen zijn opgebouwd op de natuur van de mens, respectievelijk op zijn redelijke en op zijn zedelijke natuur (argumentum ontologicum en morale). En de laatste twee bewijzen baseren zich vooral op de historie, en concluderen uit het eenparig getuigenis en uit de geschiedenis der mensheid tot het bestaan Gods (argumentum e consensu gentium en historico-theologicum)1.

Het kosmologisch bewijs treedt in verschillende vormen op. Het besluit uit de beweging tot een primum movens, quod anullo movetur (Aristoteles), uit het veranderlijke tot het onveranderlijke (Damascenus), uit het relatief tot het absoluut volmaakte (Boethius, Anselmus), uit de series causarum, welke niet oneindig kan zijn, tot een prima causa efficiens (Thomas), uit het contingente bestaan der wereld tot een ens necessarium, uit wat niet van zichzelf bestaat tot het door zichzelf bestaande (Richard Vict.), uit het bestaan van het relatieve tot dat van het absolute (Spinoza, Hegel, Hartmann, Scholten) uit de relatieve afhankelijkheid aller schepselen onderling tot aller absolute afhankelijkheid van een hogere, goddelijke macht (Lotze) enz. Maar in al deze vormen komt het kosmologisch bewijs toch steeds op hetzelfde neer, nl. op het besluit uit een gevolg tot een oorzaak. Op zichzelf is dit ook een volkomen wettig besluit, in weerwil van de kritiek van Hume en Kant; indien wij de causaliteitswet niet meer mogen toepassen, is alle wetenschap onmogelijk. Maar het kosmologisch bewijs gaat van verschillende onderstellingen uit, die niet op zichzelf en voor allen vaststaan. Het veronderstelt, niet slechts dat de bijzondere dingen in de wereld maar dat ook het ganse heelal contingent, eindig, relatief, onvolmaakt is; dat een series causarum in infinitum ondenkbaar is; dat de causaliteitswet ook geldt van de wereld in haar geheel. Eerst wanneer al deze onderstellingen juist waren, zou het kosmologisch bewijs kracht hebben. Terecht concludeert het, dat, gelijk alle dingen, zo ook de wereld in haar geheel, als uit die dingen samengesteld, een oorzaak hebben moet. Maar verder brengt het niet; het zegt niets over aard en natuur van die oorzaak. Wie uit de wereld tot een oorzaak besluit, welke zelf ook een oorzaak behoeft, heeft aan de logische kracht van dit bewijs genoeg gedaan. Dat die oorzaak oneindig, absoluut, volmaakt is, volgt niet rechtstreeks uit het kosmologisch bewijs, maar vloeit uit andere overwegingen voort. Zo is inderdaad een series causarum infinita ondenkbaar en onmogelijk; er is niemand, die ze aanneemt; allen erkennen een absolute grond, een eerste zijn, hetzij dit de naam draagt van God of van het absolute, van substantie of kracht, van materie of wil enz. Indien deze onderstelling nu juist is, gelijk ze feitelijk door allen wordt erkend, dan brengt het kosmologisch bewijs ons een stap verder, nl. tot een oorzaak der wereld, die van zichzelf bestaat en dus oneindig, eeuwig, absoluut is. Maar of die oorzaak nu ook transcendent of alleen immanent is, of ze persoonlijk dan wel onpersoonlijk, bewust of onbewust is, is hiermee volstrekt niet beslist. Velen hebben echter uit het kosmologisch bewijs nog iets meer trachten af te leiden hetzij dan rechtstreeks, hetzij zijdelings. Rechtstreeks trachtten zij dit zo te doen, dat zij, wijl een gevolg niet meer kan bevatten dan er ligt in de oorzaak, uit het persoonlijke, het bewuste, het vrije, de ideeën, die er in de wereld waren, besloten tot een persoonlijk, bewust, vrij wezen, dat tevens de hoogste idee, de absolute rede was. Deze redenering stuit echter hierop af, dat de verhouding van oorzaak en gevolg dan willekeurig als een emanatie wordt gedacht en, toegepast op God, ook eisen zou, dat Hij stoffelijk, lichamelijk, ja zelfs onrein en onheilig zou zijn. Anderen hebben daarom een zijweg ingeslagen en geredeneerd, dat een oneindige, absolute oorzaak, een wezen, dat van, in en door zichzelf bestaat, niet anders bestaan kan dan als geest, persoon. Maar hiertegen geldt het bezwaar, dat wij door het kosmologisch bewijs van de innerlijke natuur van zulk een eerste oorzaak niets weten, dat wij geen recht hebben, om op zulk een eerste oorzaak weer de causaliteitswet te gaan toepassen en dienaangaande dus ook niets kunnen bepalen. En zo blijft het er bij, dat het kosmologisch bewijs ons hoogstens, bij de erkentenis nl., dat een oneindige reeks van oorzaken onmogelijk is, leidt tot een eerste, van zichzelf bestaande, absolute wereldoorzaak.

Het teleologisch bewijs gaat uit van de orde en schoonheid, de harmonie en het doel, welke in de wereld, hetzij in haar geheel, hetzij in bijzondere schepselen, sterrenhemel, elementen, aarde, mens, dier, plant, hand, oog enz., zijn op te merken en besluit daaruit tot een intelligente oorzaak. Ofschoon het teleologisch bewijs nooit nalaat indruk te maken en ook door Kant met achting werd genoemd, toch zijn er vooral in de laatste tijd veel bezwaren tegen ingebracht. Vooreerst wordt van materialistische zijde beweerd, dat er geen doel is in de dingen en dat de teleologische natuurverklaring voor de mechanische plaats maken moet2. Ten tweede brengt het pantheïsme in, dat de aanwezigheid van orde en doel in de wereld nog volstrekt geen recht geeft tot het aannemen van een bewuste, intelligente oorzaak, omdat het onbewuste evenals bij iedere mens zo ook bij het wereldgeheel veel wijzer en zekerder werkt dan bewust nadenken en opzettelijke berekening3. En tenslotte opperde Kant nog het bezwaar, dat dit bewijs hoogstens leidde tot een wereldformeerder maar niet tot een wereldschepper4. Nu wegen tegen deze bezwaren heel wat andere overwegingen op. De Schrift erkent allerwegen een doel in de schepping, Gen. 1, Spr. 8; 1Cor.3:21-23, Rom. 8:28 enz. De teleologische wereldbeschouwing is door bijna alle wijsgeren, Anaxagoras, Socrates, Plato, Aristoteles enz. gehuldigd en dringt zich telkens weer aan iedere mens op, in weerwil van het misbruik, dat er telkens, vooral in de achttiende eeuw, van gemaakt is. Doeleinden zijn er op te merken, zo in bijzondere verschijnselen, klimaat, jaargetijden, temperatuur van het water, bevruchting der planten, bloedsomloop, organismen, hand, oog enz., als in het wereldgeheel. Alle atomen gehoorzamen aan éne wet; alles berust op gedachte, die begrepen kan worden door de mens; uit een toeval is het heelal evenmin te verklaren als de Ilias uit een worp van letters. En zelfs het feit, dat wij menigmaal geen doel kunnen aantonen, bewijst, dat wij, waar wij het opmerken, dit ook terecht doen.

In de latere jaren zijn dan ook vele beoefenaars van de natuurwetenschap tot het vitalisme en ook tot de teleologie teruggekeerd. De Darwinistische descendentieleer kenmerkte zich eerst door het streven, om overal het doel door de oorzaak te vervangen, maar heeft juist de onmisbaarheid van de teleologische beschouwing aan het licht gebracht; de selectieleer was er immers op gericht, om van de doelmatigheid een verklaring te geven. Stof en kracht en beweging zijn trouwens ook niet genoeg; er moet ook richting zijn, en deze is zonder doelmatigheid niet te begrijpen. Zo hebben dan ook vroeger reeds Fechner en K.E. von Baer, en in de laatste tijd ook G. Wolff, H. Driesch, J. Reinke en vele anderen het goed recht der teleologie naast dat der causaliteit erkend. Teleologie en causaliteit sluiten elkaar ook niet uit; wie zich een doel stelt, wendt daarna de middelen aan, welke tot bereiking van dat doel leiden. Binnen de teleologische wereldbeschouwing is er zelfs ruimschoots plaats voor de mechanische causaliteit. Alleen gaat deze laatste haar macht en bevoegdheid te buiten, als zij alle verschijnselen in de wereld, ook de bewuste en geestelijke, uit stof en stofwisseling verklaren wil5. Indien nu de aanwezigheid van orde en doel voor allen vaststond en in deze tijd niet zelf zo krachtig en breedvoerig betoog nodig had, zou inderdaad het teleologisch bewijs ons recht geven, om uit de schoonheid en harmonie der wereld tot een bewust wezen te besluiten, want een onbewust doel is er niet. Wel heeft Von Hartmann het tegendeel trachten te betogen, maar zijn bewijzen voor de doelmatige werking van het onbewuste gaan daarom niet op, omdat het iets anders is, of een schepsel in het algemeen met een opzettelijk doel handelt, en iets anders, of er in een onbewuste handeling een doel valt op te merken. Het instinct werkt onbewust, maar desniettemin is er in de onbewuste handeling van het instinct een doel te bespeuren, dat terugwijst op een wezen, hetwelk met bewustheid zulk een instinct heeft voortgebracht. Indien er een doel is in de wereld, moet het ook te voren gedacht zijn. Moge het nu al waar zijn, dat wij ook zo met het teleologisch bewijs niet verder komen, dan tot een wereldformeerder, dan zou toch dat bewijs van niet geringe betekenis zijn. Ja zelfs, indien dit bewijs niet bepaald leidde tot één intelligent wezen, maar de mogelijkheid open liet voor het bestaan van vele Goddelijke Wezens, die samen de wereld hadden voortgebracht, dan nog zou het teleologisch bewijs niet van alle waarde ontbloot zijn. De intelligentie was dan toch in de eerste oorzaak of oorzaken door de inrichting der wereld geëist, en dit bewijs had geleverd, wat het leveren kon. Alleen zou men dan, langs deze weg tot één of meer wereldformeerders gekomen, voor de moeilijkheid staan, hoe een wezen, dat de stof niet volbracht, toch aan die stof vorm en gedaante kon geven, of ook, hoe meer dan één wezen prima causa der wereld kon zijn. Logisch mogen deze bedenkingen nog enige waarde hebben, practisch hebben zij voor ons bewustzijn geen betekenis meer. Alles hangt hier aan de aanwezigheid van een doel in de wereld; zo dát vaststaat, is daarmee het bestaan en de bewustheid van het hoogste Wezen gegeven6.

1 Von Oettingen, Luth. Dogm. II 43,44.

2 Haeckel, Nat. Schöpfungsgesch. 1874 bl. 16 v. Id. Die Welträthsel bl. 299 v. Lange, Gesch. d. Mater. 1882 bl. 270 v. Büchner, Kraft und Stoff 16 bl. 214 v. Went, Ondoelmatigheid in de levende natuur, Gids 1906 II 77-99.

3 Von Hartmann, Philos. d. Unbew. passim.

4 Kant, Kritik der reinen Vernunft ed. Kirchmann bl. 500.

5 Gutberlet, Teleologie und Causalität, Philos. Jahrb. XIII 4. XIV 1. Verg. verder Liebmann, Analysis der Wirklichkeit 3 bl. 391 v. Id. Gedanken und Thatsachen II 140 v. Eisler, Krit. Einf. in die Philos. 1905 bl. 182 v.

6 Ph.J.Mayer, Der teleologische Gottesbeweis und der Darwinismus. Mainz 1901.

x
This website is using cookies. Accept