Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

195. De oneindigheid als het niet-beperkt-zijn door ruimte is de alomtegenwoordigheid Gods. Ook deze wordt in de Heilige Schrift op zeer levendige wijze beschreven. God is de Schepper, en al het bestaande is en blijft het zijn in absoluten zin. Hij is de Heer, de Bezitter van hemel en aarde, Gen. 14:19,22, Deut. 10:14, en is boven alle schepsel, ook boven plaats en ruimte, verheven. Hemel en aarde bevatten Hem niet, veel minder een aardse tempel, 1 Kon. 8:27, 2 Chron. 2:6, Jes. 66:1, Hand. 7:48. Toch is Hij ook door de ruimte niet buitengesloten. Hij vervult de hemel en de aarde; niemand kan zich voor Zijn aangezicht verbergen; Hij is een God van nabij en ook van verre, Jer. 23:23,24, Ps. 139:7-10, Hand. 17:27, ev autw gar zwmen kai kinoumeya kai esmen, Hand. 17:28. Zelfs is Hij op verschillende plaatsen der schepping in verschillende mate en wijze tegenwoordig. Heel de Schrift gaat uit van de gedachte, dat de hemel, die toch ook geschapen is, sedert zijn bestaan in bijzondere zin Gods woning en troon is, Deut. 26:15, 2 Sam. 22:7; 1 Kon. 8:32; Ps. 11:4; 33:13; 115:3,16; Jes. 63:15; Mt. 5:34, 6:9, Joh. 14:2, Ef. 1:20, Hebr. 1:3, Openb. 4:1 v. enz. Maar vandaar daalt Hij neer, Gen. 11:5,7; 18:21; Ex. 3:8, wandelt in de hof, Gen. 3:8, verschijnt telkens en op bepaalde plaatsen, Gen. 12; 15; 18; 19, enz., komt vooral tot zijn volk neer op de berg Sinaï, Ex. 19:9,11,18,20, Deut. 33:2, Richt. 5:4. Terwijl Hij de Heidenen wandelen laat in hun wegen, Hand. 14:16, woont Hij op een bijzondere wijze onder Zijn volk Israël, Ex. 19:6, 25:8, Deut. 7:6, 14:2, 26:19, Jer. 11:4, Ezech 11:20, 37:27, in het land Kanaän, Richt. 11:24, 1 Sam. 26:19, 2 Sam. 14:16, 2 Kon. 1:3,16; 5:17, in Jeruzalem, Ex. 20:24, Deut. 12:11, 14:23 enz., 2 Kon. 21:7; 1 Kron. 23:25; 2 Kron. 6:6, Ezra 1:3, 5:16, 7:15, Ps. 135:21, Jes. 24:23, Jer. 3:17, Joël 3:16 enz., Mt. 5:34, Op. 21:10, in de tabernakel en in de tempel op Zion, die zijn huis wordt genoemd, Ex. 40:34-35; 1 Kon. 8:10; 11:2; 2 Kron. 5:14; Ps. 9:12 [Ps. 9:11], Jes. 8:18, Mt. 23:21 boven de ark tussen cherubim, 1 Sam. 4:4, 2 Sam. 6:2, 2 Kon. 19:15, 1 Chron. 13:6, Ps. 80:2 [Ps. 80:1], 99:1, Jes. 37:16 . Maar de profeten waarschuwen telkens tegen een vleselijk vertrouwen op dit wonen Gods in het midden van Israël, Jes. 48:1,2, Jer. 3:16; 7:4,14; 27:16. Want de Heere is verre van de goddelozen, Ps. 11:5; 37:10v., Ps. 50:16v., Ps. 145:20, maar Zijn aangezicht aanschouwt de oprechte, Ps. 11:7. Hij woont bij die, die een verbrijzelde en nederige van geest is, Jes. 57:15, Ps. 51:19 [Ps. 51:17]. Als Israël Hem verlaat, dan komt Hij weer tot hen in Christus, in Wie de volheid der Godheid lichamelijk woont, Col. 2:9. Door Hem en door de Geest, die Hij zendt, woont Hij in de gemeente als in Zijn tempel, Joh. 14:23, Rom. 8:9,11, 1 Cor. 3:16, 6:19, Ef. 2:21, 3:17, totdat Hij eenmaal bij Zijn volk woont en alles in allen zal zijn, 1 Cor. 15:28, Openb. 21:3.

In het polytheïsme, gnosticisme en manicheïsme kon deze alomtegenwoordigheid Gods niet worden erkend. Maar ook in de Christelijke kerk waren er velen, die wel van een omnipresentia van Gods macht, maar niet van Zijn Wezen wilden weten. De antropomorfieten konden God niet denken zonder een bepaalde gestalte en plaats. Om God voor vermenging met de stoffelijke substantie en de onreinheid der wereld te bewaren, gingen sommige kerkvaders tegenover de Stoa zover van te beweren, dat God porrw kat ousian, eggutatw de dunamei was1, dat Hij in de hemel woonde, gelijk de menselijke geest in het hoofd2. Maar deze ontkenden daarmee toch niet de wezenlijke tegenwoordigheid Gods aan alle plaats. Eerst later werd deze beslist ontkend en bestreden door Augustinus Steuchus, bisschop van Eugubium (overleden 1550) in zijn commentaar op Ps. 138 en voorts door Crell, die wel een omnipresentia operativa maar niet essentialis aannam en deze laatste tot de hemel beperkte3. Het Remonstrantisme liet zich voorzichtig uit, noemde de kwestie van minder belang en onthield zich liefst van beslissing evenals bij de eeuwigheid Gods4. Ook Coccejus werd beschuldigd, dat hij onder de alomtegenwoordigheid Gods alleen verstond de efficacissima Dei voluntas omnia sustentans ac gubernans, maar verdedigde zich daartegen in een paar brieven aan Anslar en Alting5. De Cartesianen zeiden, dat God alomtegenwoordig was, niet door uitbreiding van Zijn Wezen, maar door een eenvoudige daad van Zijn denken of door een krachtige daad van Zijn wil, welke met Zijn Wezen één waren, en ontkende, dat er een ubi aan God kon toegeschreven worden6. Nog verder ging het rationalisme, dat Gods Wezens-tegenwoordigheid tot de hemel beperkte en deïstisch van de wereld scheidde7. Het deïsme kwam tot deze beperking der alomtegenwoordigheid Gods uit vrees voor de pantheïstische vermenging van God en wereld en voor de bezoedeling van het Goddelijk Wezen met de zedelijke en stoffelijke onreinheid der geschapene dingen. Inderdaad is die vrees ook niet denkbeeldig. De Stoa leerde reeds, dat de Godheid als vuur, ether, lucht, adem alle dingen, ook de slechte en lelijke dingen doordringt8. Spinoza sprak van de substantia als corporea, noemde God een res extensa, en leerde een tegenwoordigheid Gods, die met het zijn der wereld samenvalt9. Bij Hegel is Gods alomtegenwoordigheid identiek met Zijn absolute substantialiteit10. Op deze lijn ligt ook de omschrijving der alomtegenwoordigheid Gods door Schleiermacher als die mit allem Raumlichen auch de Raum bedingende schlechthin raumlose Ursachlichkeit Gottes11. Evenzo zegt Biedermann, dat het reine In-sich-sein Gottes zuivere tegenstelling is van alle ruimte en plaats en in zover transcendent is, maar dat God als grond der wereld haar immanent is en dat dit Grundsein Zijn zijn Zelf is12.

De Christelijke theologie heeft ook hier wederom het deïsme en het pantheïsme vermeden. Immers, de Schrift leerde duidelijk, dat God boven ruimte en plaats verheven is en daardoor niet bepaald of besloten kan worden, 1 Kon. 8:27, 2 Chron. 2:6, Jer. 23:24. Zelfs waar de Schrift menselijk spreekt en, om ons een denkbeeld van het Zijn Gods te geven, de ruimte als het ware oneindig vergroot, Jes. 66:1, Ps. 139:7, Am. 9:2, Hand. 17:24, ligt daaraan toch de gedachte ten grondslag, dat God buiten alle perken der ruimte staat. Er is dan ook, evenals tussen eeuwigheid en tijd, zo tussen de immensitas Dei en de ruimte een essentieel onderscheid. Ruimte of plaats werd door Aristoteles omschreven als de onbewegelijke grens van een omgevend of omsluitend iets, to tou periecontov perav akinhton13. Deze definitie gaat echter uit van een te uitwendig begrip van ruimte. Want zeer zeker is ruimte de afstand van een bepaald voorwerp tot andere vaste punten. Maar ook indien wij ons slechts één enkel eenvoudig voorwerp denken, zou daaraan toch ruimte en plaats toekomen wegens de verhouding tot denkbeeldige punten, die wij in de gedachte konden aannemen. Ruimte en plaats is daarom een eigenschap van al het eindige zijn en is met het eindige als zodanig vanzelf gegeven. Een eindig zijnde bestaat vanzelf in ruimte. Zijn beperktheid brengt het begrip van een ubi mee. Het is altijd ergens en niet tegelijk op een andere plaats. Afgezien van alle meetbare afstand tot andere punten (locus extrinsecus), is een locus intrinsecus aan alle schepselen eigen. Ook geestelijke wezens zijn daarvan niet uitgezonderd. In een andere bedeling kunnen de afstanden geheel anders zijn, dan wij ze hier op aarde kennen, gelijk nu stoom en electriciteit daarin voor ons besef reeds een grote verandering hebben gebracht. Maar het beperkte, plaatselijke zijn blijft aan alle schepselen eigen. Ruimte is daarom niet een vorm der waarneming, gelijk Kant beweerde, maar een bestaanswijze van al het geschapene. En nog veel minder juist is het, dat ruimte een vorm der uitwendige, tijd een vorm der inwendige waarneming zou zijn, en de voorstelling der ruimte alleen van de lichamelijke en die van tijd alleen van de geestelijke wereld gelden zou. Beide, tijd en ruimte, zijn innerlijke bestaanswijzen van al het eindige zijn. Maar daaruit volgt, dat evenals de tijd, zo ook de ruimte van God de Oneindige, niet gelden kan. Hij is transcendent boven alle ruimte verheven. Reeds Philo en Plotinus spraken in deze zin14, en de Christelijke theologie zei eveneens, dat God panta cwrwn, monov de acwphtov was15. Augustinus meende vroeger in zijn manicheïstische periode, dat God evenals een fijne ether door de ganse wereld en door de eindeloze ruimte heen verspreid was16. Maar later zag hij het anders in. God is boven alle ruimte en plaats verheven. Hij is niet ergens, en toch vervult Hij hemel en aarde; Hij is niet door de ruimte verspreid, gelijk het licht en de lucht, maar Hij is aan alle plaatsen met Zijn ganse Wezen, ubique totus en nusquam locorum17. Hij wordt door geen ruimte of plaats besloten; en daarom was het beter te zeggen, dat alle dingen in Hem zijn dan dat Hij in de dingen is. Maar toch is ook dit weer niet zó te verstaan, alsof Hij de ruimte was, waarin zich de dingen bevonden, want Hij is geen locus. Gelijk de ziel tota in toto corpore et in qualibet parte is, gelijk de een en zelfde waarheid allerwege wordt gekend, zo bij wijze van vergelijking is God in alle dingen en zijn alle dingen in God18. En deze gedachten van Augustinus keren later bij de scholastici weer19; Roomse en Protestantse theologen hebben er niets wezenlijk nieuws aan toegevoegd20.

Inderdaad kan ook van God geen ruimte en plaats worden geprediceerd. Ruimte is een bestaansvorm van het eindige zijn; de immensitas is een eigenschap van God alleen en aan geen enkel schepsel eigen, ook niet aan de menselijke natuur van Christus. Er ligt allereerst in opgesloten, dat God buiten alle ruimte en plaats is, en oneindig daarboven verheven. Deus sibi ipsi locus, autov eautou topov21. Hij is in Zichzelf, in se ipso ubique totus. In deze zin kan God evengoed gezegd worden, nergens als ergens te zijn (Philo, Plotinus). Want een ubi, een locus geldt van Hem niet. De alomtegenwoordigheid Gods drukt niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats dit zijn van God in Zichzelf uit, maar duidt vooral een bepaalde relatie Gods tot de ruimte aan, die met de wereld is geschapen. Ook hier kunnen wij van God niet anders dan op grond van de schepping spreken. De Schrift gewaagt zelfs van een gaan, komen, wandelen, neerdalen Gods. Zij spreekt op menselijke wijze en ook wij komen daarboven niet uit. Difficile invenitur ubi sit, difficilius ubi non sit22. Daarom is het nog niet onnut, onszelf bij iedere eigenschap te herinneren, dat wij menselijk van God spreken23. Juist het besef, dat God door geen tijd of ruimte gemeten wordt, al is dit zuiver negatief, bewaart er ons voor, om God van Zijn verhevenheid boven alle schepsel te beroven. In de negatie ligt toch weer een sterke positie. De relatie Gods tot de ruimte kan niet daarin bestaan, dat Hij in de ruimte is en door haar omsloten wordt, gelijk Uranos en Kronos machten waren boven Zeus. Want God is geen schepsel. Si in aliquo loco esset, non esset Deus24. Niet alleen is Hij geen lichaam, dat door de ruimte heen zich uitbreidt en circumscriptive in de ruimte is, maar Hij is ook geen eindige, geschapen Geest, die altijd aan een ubi gebonden is en dus definitive in de ruimte is. Ook kan de relatie niet van die aard zijn, dat de ruimte binnen Hem is en door Hem als de grotere, oneindige ruimte omsloten wordt, gelijk sommigen God vroeger wel noemden topov twn olwn, en Weisse van de oneindige ruimte spreekt als Gode immanent25. Want ruimte is uiteraard een bestaansvorm van het eindige schepsel en geldt van God, de Oneindige, niet. Maar God is zo in de ruimte, dat Hij, als de Oneindige bestaande in Zichzelf, toch repletive elk punt van de ruimte vervult en staande houdt door zijn immensitas.

Wel is hierbij het pantheïsme te vermijden, dat Gods wezen tot de substantie der dingen en daarbij ook het Goddelijk Wezen ruimtelijk maakt. Doch evenzeer is het deïsme te weerstaan, dat God wel per potentiam, maar niet per essentiam et naturam alomtegenwoordig laat zijn. Er is wezenlijk onderscheid, maár geen scheiding tussen God en het schepsel. Want elk deel des zijns en ieder punt der ruimte heeft, om te bestaan, niets minder dan zijn immensitas van node. De deïstische voorstelling, alsof God in een bepaalde plaats woont en vandaar uit nu door Zijn almacht alle ding regeert, is met het Wezen Gods in strijd. Zij ontkent eigenlijk al Zijn deugden, Zijn eenvoudigheid, zijn onveranderlijkheid, zijn onafhankelijkheid; zij maakt God tot een mens en de schepping zelfstandig. Niet gelijk een koning in zijn rijk of een kapitein op zijn schip, is God in Zijn schepping tegenwoordig. Zijn werkzaamheid is geen actio in distans. Maar Hij is, gelijk Gregorius Magnus het uitdrukte, in alle dingen tegenwoordig, per essentiam, praesentiam et potentiam; enter, praesenter Deus hic et ubique potenter, Zijn alomtegenwoordigheid is adiastasia, adessentia. Hij is in de hel evengoed als in de hemel; in de goddelozen zowel als in de vromen; in de plaatsen der onreinheid en der duisternis evengoed als in de zalen des lichts. Want Hij wordt door die onreinheid niet bezoedeld, omdat zijn essentia, ofschoon alomtegenwoordig, toch een andere is dan die der schepselen. Daarom zei Anselmus, dat het eigenlijk beter was te zeggen, dat God cum tempore et loco was dan in tempore et loco26.

Toch neemt dit niet weg, dat God in een andere zin weer op verschillende wijzen in de schepselen tegenwoordig is. Er is onderscheid tussen zijn fysische en zijn ethische immanentie. Ook mensen kunnen in natuurlijke zin vlak bij elkaar zijn en toch in sympathie en geestesrichting hemelsbreed van elkaar verschillen. Mt. 24:40-41. De ziel is tegenwoordig in heel het lichaam en in alle delen, maar in elk daarvan op eigen wijze, in het hoofd anders dan in het hart, en in de hand anders dan in de voet. Haec autem facit atque agit unus verus Deus; sen sicut idem Deus, ubique totus, nullis inclusus locis, nullis vinculis alligatus, in nullas partes sectilis, ex nulla parte mutabilis, implens coelum et terram praesente potentia, non indigente natura. Sic itaque administrat omnia quae creavit, ut etiam ipsa proprios exercere et agere motus sinat. Quamvis enim nihil esse possit sine ipso, non tamen sunt ulla quod ipse27. Gods immanentie is geen onbewuste emanatie, maar een bewuste presentie van Zijn wezen in alle schepselen. En daarom verschilt die tegenwoordigheid Gods naar de aard dier schepselen. Zeker elk wezen, ook het kleinste en geringste, ontstaat en bestaat alleen door Goddelijke mogendheid. Er is niets minder dan het Wezen Gods toe nodig, om het geringste schepsel ontstaan en bestand te schenken. God woont in alle schepselen; maar niet in alle aequaliter28. Alle dingen zijn wel in eo maar niet cum eo29. God woont in de hemel anders dan op de aarde, in de dieren anders dan in de mensen, in de onbezielde schepselen anders dan in de bezielde, in de goddelozen anders dan in de vromen, in Christus anders dan in de gemeente. De schepselen zijn andere, naarmate God op andere wijze in hen inwoont. Aard en wezen der schepselen wordt bepaald door hun relatie tot God. Daarom openbaren zij alle God, maar in verschillende mate en naar verschillende zijden. Bij de reine houdt Gij u rein, maar bij de verkeerde bewijst Gij u een worstelaar Ps. 18:27 [Ps. 18:26]. In alle schepselen is God aanwezig per essentiam, maar in niemand dan alleen in Christus woont de volheid der Godheid lichamelijk. In Christus woont Hij op geheel enige wijze, per unionem. In andere schepselen woont Hij naar de mate van hun zijn, in deze per naturam, in andere per justitiam, in andere per gratiam, in andere per gloriam. Er is eindeloze verscheidenheid, opdat ze alle samen de heerlijkheid Gods zouden openbaren.

Het baat weinig, of wij deze alomtegenwoordigheid Gods ontkennen. Hij doet ze ons gevoelen in hart en geweten. Hij is niet ver van een ieder van ons. Wat ons van Hem scheidt, is alleen de zonde. Zij verwijdert ons niet plaatselijk, maar geestelijk van God, Jes. 59:2. God verlaten, van Hem vluchten, gelijk Kaïn deed, bestaat niet in plaatselijke scheiding maar in geestelijke ongelijkheid. Non loco quisque longe est a Deo, sed dissimilitudine30. En omgekeerd, tot Hem gaan, Zijn Aangezicht zoeken bestaat niet in een bedevaart, maar in verootmoediging en berouw. En wie Hem zoekt, vindt Hem, niet ver weg, maar in zijn onmiddellijke nabijheid. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Propinquare illi, est similem illi fieri; recedere ab illo, dissimilem illi fieri31. Noli ergo cogitare Deum in locis; ille tecum est talis, qualis fueris. Quid est talis, qualis fueris? Bonus, si bonus fueris; et malus tibi videtur, si malus fueris; sed opitulator, si bonus fueris; ultor, si malus fueris. Ibi habes judicem in secreto tuo. Volens facere aliquid mali, de publico recipis te in domum tuam, ubi nemo inimicorum videat; de locis domus tuae promtis et in faciem constitutis, removis te in cubiculum; times et in cubiculo aliunde conscium, secedis in cor tuum, ibi meditaris: ille in corde tuo interior est. Quocumque ergo fugeris, ibi est. Te ipsum quo fugies? Nonne quocumque fugeris, te sequeris? Quando autem et te ipso interior est, non est quo fugias a Deo irato nisi ad Deum placatum. Prorsus non est quo fugias. Vis fugere ab ipso? Fuge ad ipsum32.

1 Clemens Alex., Strom. II c. 2.

2 Lactantius, de opif. Dei c. 16. Inst. div. VIII 3.

3 Crell, de Deo ejusque attributis c. 27.

4 Episcopius, Inst. theol. IV 2, 13 Limborch, Theol. Christ. II 6.

5 Coccejus, Opera VIII 137 v. Epist. 169. 170. 176.

6 Burmannus, Synops. Theol. I 26, 6. Wittichius, Theol. pacifica c. 14.

7 Reinhard, Dogm. bl. 106.120. Wegscheider, Inst. theol. par. 63.

8 Zeller, Filos. d. Gr. IV 138.

9 Spinoza, Eth. I prop. 15. II prop. 2. Cogit. Metaph. II c.3.

10 Hegel, Werke XI 268.

11 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 53.

12 Biedermann, Chr. Dogm. par. 702. Verg. Scholten, Initia bl. 124.

13 Aristoteles, Phys. IV c. 5.

14 Zeller, Filos. d. Gr. V 354. 483.

15 Hermas, Pastor mand. 1. Iren., adv. haer. II 1. IV 19. Clemens Alex., Strom. VII c. 7. Orig., c. Cels. VII 34. Athanasius, de decr. Nic. Syn. c.11. Greg. Naz., Orat. 34. Damascenus, de fide orthod. I 9.

16 Augustinus, Conf. VII 1.

17 Id., Conf. VI 3. de civ. VII 30.

18 Id., Enarr. in Ps. 74.

19 Anselmus, Monol. c. 20-23. Lombardus, Sent. I dist. 36 en 37. Thomas, S. Theol. I qu. 8. S. c. Gent. III 68. Sent. I dist. 37. Bonaventura, Sent. I dist. 37.

20 Petavius, de Deo III c. 7-10. Gerhard, Loci I c. 8 sect. 8. Polanus, Synt. II c. 12. Zanchius, Op. II col. 90-138 enz.

21 Tertullianus, adv. Prax. c. 5. Theophilus, ad Autol. II 10. Damascenus, de fide orthod. I 13.

22 Augustinus, de quant. an. c. 34.

23 Zoals bijv. Lipsius, Dogm. par. 306, en Hoekstra, Wijsg. Godsd. II 121,128 oordelen.

24 Augustinus, Enarr. in Ps. 74.

25 Weisse, Filos. Dogm. I par. 492 v.

26 Anselmus, Monol. c. 22.

27 Augustinus, de civ. VII 30.

28 Augustinus, Epist. 187 c. 5 n. 16. Bonaventura, Sent. I dist. 37 pars 1 art. 3 qu. 1-2.

29 Lombardus, Sent. I dist. 37.

30 Augustinus, Enarr. in Ps. 94.

31 Id., Enarr. ill Ps. 34.

32 Augustinus, Enarr. in Ps. 74.

x
This website is using cookies. Accept