Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

212. De volmaaktheid Gods, die innerlijk de grond der zaligheid is, brengt voor God als het ware naar buiten de heerlijkheid mee. De Schrift gebruikt daarvoor de woorden dwbk en doxa; dwbk, van het verbum dbk, zwaar, gewichtig zijn, is de verschijning van hem, die gewichtig, voornaam is; daarnaast is ook in gebruik dwh, dat de heerlijke verschijning aanduidt van Hem, Wiens Naam wijd verbreid is, en rdh, hetwelk Die Verschijning aanduidt in haar glans en schoonheid1. Het Griekse woord daarvoor in LXX en Nieuwe Testament is doxa, de erkenning, die iemand geniet of waarop hij aanspraak heeft, subjectief dus de erkenning, die iemand toekomt of feitelijk geschonken wordt, de roem of eer, waarin hij deelt, syn. met timh en eulogia, Op. 5:12, opp. atimia, 2Cor. 6:8; en objectief de verschijning, gestalte, het aanzien, de pracht, glans, heerlijkheid van een persoon of zaak, die zich vertoont, of de persoon of zaak zelf in hun heerlijke verschijning, en dan verwant met eidov, eikwn, morfh, Jes. 53:2, 1Cor. 11:7. De hwhy dwbk, doxa tou yeou, geeft daarom te kennen de glans en heerlijkheid, die van alle deugden Gods en van heel Zijn Zelfopenbaring in natuur en bovenal in genade onafscheidelijk is, de heerlijke gestalte, waarin Hij allerwege tegenover schepselen optreedt. Deze heerlijkheid en Majesteit, waarmee God bekleed is en die al Zijn doen kenmerkt, 1Chron. 16:27, Ps. 29:4, 96:6, 104:1, 111:4, 113:4 enz. openbaart zich in de ganse schepping, Ps. 8, Jes. 6:3, maar wordt toch vooral gezien op het terrein der genade. Zij verscheen aan Israël, Ex. 16:7,10; 24:16; 33:18 v. Lev. 9:6,23, Num. 14:10, 16:19 enz. Deut. 5:24. Zij vervulde de tabernakel en de tempel, Ex. 40:34, 1Kon. 8:11, en deelde zich mee aan heel het volk, Ex. 29:43, Ezech. 16:14 enz.. Bovenal wordt ze aanschouwd in Christus, de Eniggeborene, Joh. 1:14, en door Hem in de gemeente, Rom. 15:7, 2Cor. 3:18, welke verwacht de zalige Hoop en verschijning der heerlijkheid van de groote God en van haar Zaligmaker Jezus Christus, Tit. 2:13. Meermalen wordt zij met de heiligheid Gods in verband gebracht, Ex. 29:43, Jes. 6:3 en daarom ook beschreven als een vuur, Ex. 24:17, Lev. 9:24, en als een wolk, 1Kon. 8:10,11, Jes. 6:4.

Zonder twijfel denkt de Schrift bij die wolk en dat vuur aan zinnelijk waarneembare, creatuurlijke vormen, waaronder zich Gods tegenwoordigheid kenbaar maakte2. Iets anders is het echter met het licht, waarmee de heerlijkheid Gods dikwijls vergeleken en waaronder ze telkens voorgesteld wordt. Licht is in de Schrift het beeld van waarheid, heiligheid en zaligheid, Ps. 43:3, Jes. 10:17, Ps. 97:11. Deze vergelijking is zo eenvoudig en natuurlijk, dat er waarlijk de onderstelling niet voor nodig is, dat Jahweh oorspronkelijk een zonnegod was3, evenmin als de benaming rotssteen op een vroegere periode van steendienst behoeft te wijzen4. Het licht der zon en het vuur des hemels leveren aan de Israëliet de stof voor de beschrijving der deugden van Jahweh, maar hij is zich duidelijk daarbij bewust, in beeld te spreken. Gelijk de donder Zijn stem is, Ps. 104:7, Am. 1:2, Jes. 30:30, zo is het licht der natuur Zijn kleed, Ps. 104:2. Wat het licht in de natuur is, bron van kennis, van reinheid, van vreugde, dat is God in het geestelijke. Hij is het Licht der vromen, Ps. 27:1, Zijn Aangezicht, Zijn Woord verspreidt licht, Ps. 44:4 [Ps. 44:3], 89:16 [Ps. 89:15], 119:105, in Zijn Licht alleen zien zij het Licht, Ps. 36:10 [Ps. 36:9]. Hij Zelf is louter Licht, zonder duisternis en Vader van al wat Licht is, 1Joh. 1:5, 1Tim 6:16, Jak. 1:17, en is naar de belofte, Jes. 9:1; 60:1, 19,20, Mich. 7:8, in Christus als het Licht verschenen, Matth. 4:16, Luk. 2:32; Joh. 1:4; 3:19; 8:12; 1Joh. 2:20, zodat nu Zijn gemeente licht is in Hem, Matth. 5:14, Ef. 5:8, 1Thes. 5:5, en het volle licht tegemoet gaat, Op. 21:23v. Op. 22:5; Col. 1:12. De Joden dachten later bij deze hwhy dwbk aan een geschapen, zichtbaren glans, aan een Lichtleib, waardoor Hij Zijn tegenwoordigheid in de schepping kenbaar maakte en vatten haar in de Schechina zelfs op als een persoonlijk subject5. Uit de Joodse theologie is deze mening overgegaan in de theosofie. Böhme beschrijft de heerlijkheid Gods als een Leib des Geistes, als een Reich der Herrlichkeit Gottes, das ewige Himmelreich, worin die Kraft Gottes wesentlich ist, tingiert vom Glanz und Kraft des Feuers und des Lichts, als een ongeschapen hemel, een paradijs6. Onder de Lutherse theologen was er vroeger reeds strijd over, of God in eigenlijke (Dannhauer, Chemniz) dan wel in oneigenlijke (Musaeus e.a.) zin licht werd genoemd7. In de Oosterse kerk hechtte zelfs het concilie van Constantinopel in 1431 zijn goedkeuring aan de leer van een ongeschapen, Goddelijk licht, dat van het Wezen Gods onderscheiden was8.

Toch kan deze mening niet worden goedgekeurd. De Schrift leert duidelijk de geestelijkheid en de onzichtbaarheid Gods. Het aannemen van een heerlijkheid Gods, als een plaats, Mwqm, gestalte, hnwmt, eidov, morfh, als een Mynk, van een lichaam, een rijk, een hemel, die zij het dan ook ongeschapen, toch van Zijn Wezen onderscheiden zou zijn, is met bovengenoemde eigenschappen en evenzo met de eenvoudigheid Gods in strijd. Ook als de Schrift van Gods Aangezicht, heerlijkheid en majesteit gewaagt, spreekt ze in beeld. Maar gelijk alle volmaaktheden, zo komt ook deze in zijn schepselen uit. Zij is mededeelbaar. Er is in het geschapene een zwakke glans van de onuitsprekelijke heerlijkheid en majesteit, die God bezit. Gelijk de schepselen ons opleiden, om van Gods eeuwigheid en alomtegenwoordigheid, van Zijn gerechtigheid en genade te spreken, zo doen zij ons iets kennen van de heerlijkheid Gods. Toch is ook hier de analogie geen identiteit. Reeds in de taal komt dit uit. Bij de schepselen spreken wij van mooi, schoon, fraai; maar de Schrift heeft voor de schoonheid Gods een eigen naam, die van heerlijkheid. Daarom verdient het ook geen aanbeveling, om met de kerkvaders, scholastici en Roomse theologen van de pulchritudo Dei te spreken. Augustinus sprak reeds in die zin. Hij ging uit van de grondstelling: Omne quod est, in quantum est, verum, bonum, pulchrum est. Nu is er in het zijn en dus ook in het ware, goede en schone onderscheid, rangordening, opklimming. Naarmate iets meer zijn heeft, heeft het ook meer waarheid, goedheid en schoonheid. Alles is schoon in zijn soort. Singula opera Dei....inveniuntur habere laudabiles mensuras et numeros et ordines in suo quaeque genere constituta9. Inest enim omnibus quoddam naturae sui generis decus10. Alle schepselen dragen daarom bij tot de schoonheid van het geheel. Maar alle schoonheid der schepselen is vergankelijk en veranderlijk; ze zijn niet schoon door zichzelf, maar door participatie aan een hogere, absolute schoonheid. Ondervraag alle schepselen: Respondent tibi omnia: ecce, vide, pulchra sumus. Pulchritudo eorum, confessio eorum11. Die hoogste Schoonheid, waarheen alle schepselen wijzen, is God. Hij is summum esse, summum verum, summum bonum en ook de hoogste onveranderlijke Schoonheid. Ista pulchra mutabilia quis fecit, nisi incommutabilis pulcher? God is de hoogste Schoonheid, omdat in Zijn wezen absolute eenheid en maat en orde is. Hem ontbreekt niets, en er is niets overtolligs in Hem12. Ook in deze opvatting van Augustinus is de invloed van het neoplatonisme niet te miskennen, dat de Godheid eveneens beschouwde als de hoogste schoonheid en de oorzaak van al het schone13. Maar zo heeft deze gedachte van Augustinus toch ingang gevonden bij veel scholastieke en Roomse godgeleerden14. Daarentegen spraken de Protestantse theologen liefst van de majestas en gloria Dei15. In de heerlijkheid Gods komt Zijn grootheid en verhevenheid uit, gelijk ze zo menigmaal in de Psalmen en Profeten geschilderd wordt, Ps. 104, Jes. 40, Hab. 3. Ze heet grootheid en verhevenheid, in zover ze in het schepsel eerbiedige bewondering en aanbidding wekt. Ze wordt heerlijk genoemd, in zover ze stemt tot dank en roem en eer. Ze wordt majesteit geheten, in zover zij in verband staat met zijn absolute dignitas en onderwerping eist van alle creatuur.

1 Delitzsch, Comm. op Ps. 8:6 [Ps. 8:5] Verg. ook Freiherr von Gall, Die Herrlichkeit Gottes. Eine bibltheol. Unters. ausgedehnt über das A. Testament, die Targ. Aprokr. Apok. u. das N. Testament Giessen 1900.

2 Verg. Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 11 Bijzondere Openbaring; 90.

3 Kuenen, Godsdienst van Israël I 48 v. 240 v. 249. 267.

4 Id., t.a.p. I 392-395.

5 Weber, System der altsyn. pal. Theol. 1880 bl. 160, 179-184.

6 Joh. Claassen, Jakob Böhme. Sein Leben und seine theos. Werke I 157, II 61, en zo ook Baader, Joh. Claassen, Fr. v. Baaders Leben u. theos. Werke II 90 v. Oetinger, Die Theol. aus der Idee des Lebens, herausgeg. von J. Hamberger 1852 bl. 113 v. 117 v. Delitzsch, Bibl. Psych./2 bl. 49 v. Keerl, Der Mens das Ebenbild Gottes II 17 v. 113. Id., Die Lehre des N.T. von der Herrlichkeit Gottes, Basel 1863.

7 M. Vitringa, Doctr. chr. relig. I 139.

8 Kurtz, Lehrb. der Kirchengesch. par. 69, 2.

9 Augustinus, de Gen. c. Manich. I 21.

10 Id., de Gen. ad litt. III 14.

11 Id., Serm. 241.

12 De ord. I 26. II 51. de beata vita 34. c. Acad. II 9. Verg. Ritter, Gesch. der christl. Filos. II 289 v.

13 Zeller, Filos. d. Gr. V 483 v.

14 Dionysius, de div. nom. c. 4 par. 7. Bonaventura, Brevil. I c. 6. Petavius, Theol. dogm. VI c. 8. Scheeben, Dogm. I 589 v. Heinrich, Dogm. III 852 enz. Verg. verder Dr. Henr. Krug, De pulchritudine divina libri tres. Freiburg, Herder 1902.

15 Gerhard, Loci Theol. I c. 8 sect. 18. Polanus, synt. theol. II c. 31. Mastricht, Theor. II c. 22. Synopsis pur. theol. VI 43.

x
This website is using cookies. Accept