Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

217. Tenslotte geeft de Heilige Schrift ons ook enig inzicht in de immanente relaties Gods door de Naam van de Heilige Geest. Vooraf verdient het opmerking, dat de leer van de Heilige Geest door al de Schriften van Oud en Nieuw Verbond dezelfde is. Hoewel in het Nieuwe Testament veel klaarder geopenbaard, is zij in beginsel ook in het Oude Testament aanwezig. Het Nieuwe Testament is zich bewust geen andere leer des Geestes te geven, dan die in het Oude Testament gevonden werd; het was dezelfde Heilige Geest, die eertijds door de profeten sprak, Mt. 22:43, Mk. 12:36, Hd. 1:16, 28:25, Hebr. 3:7; 10:15; 1Petr. 1:11, 2Petr. 1:21, in Noachs dagen getuigde, 1Petr. 3:19, door Israël werd weerstaan, Hd. 7:51, Die het geloof werkte, 2Cor. 4:13, Die op de Messias neerdalen en in de gemeente wonen zou, Mt. 12:18, Luk. 4:18,19, Hd. 2:16. Hoewel nu het Goddelijk Wezen Geest is, Joh. 4:24, en heilig is, Jes. 6:3, zo is de Heilige Geest toch in de Schrift een aanduiding van een bijzonder Persoon in het Goddelijk Wezen, onderscheiden van Vader en Zoon. Hij draagt deze Naam om Zijn bijzondere modus subsistendi. Geest betekent eigenlijk wind, adem. De Heilige Geest is de adem des Almachtigen, Job 33:4, de Geest zijns monds, Ps. 33:6, die door Jezus vergeleken wordt bij de wind, Joh. 3:8, en geblazen wordt op Zijn discipelen, Joh. 20:22, cf. 2Thess. 2:17. De Geest is God als het immanente levensprincipe in al het geschapene. En heilig heet Hij, omdat Hij Zelf in een bijzondere relatie tot God staat en alle dingen in een bijzondere relatie tot God stelt. Hij is niet de Geest van een mens, van een schepsel, maar de Geest van God, de Heilige Geest, Ps. 51:13 [Ps. 51:11], Jes. 63:10-11. Gelijk de adem uit onze mond, zo gaat de Geest uit van God en houdt alle schepsel levend. Daarom heet Hij de Geest Gods, de Geest des Heeren, de Geest des Vaders, Gen. 1:2, Jes. 11:2, Mt. 10:20, en ook de Geest van Christus, de Geest des Zoons, Rom. 8:2,9, 1Cor. 2:6, 2Cor. 3:17,18, Phil.1:19, Gal.3:2; 4:6; 1Petr. 1:11, staande voor de troon Gods en des Lams, Op. 1:4, 3:1, 4:5, 5:6. Deze uitgang des Geestes wordt in de Schrift met verschillende namen uitgeduid. Meestal wordt het zo uitgedrukt, dat de Geest door God of door Christus gegeven, Num. 11:29, Neh. 9:20, Jes. 42:1, Ezech. 36:27, Joh. 3:34, 1Joh. 3:24, 4:13, gezonden of uitgezonden, Ps. 104:30, Joh. 14:26, 15:26, 16:7, Gal. 4:6, Op. 5:6, uitgegoten of uitgestort, Jes. 32:15, 44:3, Joël 2:28, Zach. 12:10, Hd. 2:17-18, van God nedergedaald, Mt. 3:16, in het midden van Israël gesteld, Jes. 63:11, Hagg. 2:6 [Hagg. 2:5], op iemand gelegd, Mt. 12:18, op iemand geblazen is, Joh. 20:22 enz.. Maar er wordt ook gezegd, dat de Geest uitgaat, ekporeuetai, Joh. 15:26. Dit had bepaaldelijk plaats op de Pinksterdag. Daarom treedt de Persoonlijkheid van de Heilige Geest ook thans eerst duidelijk op. In het Oude Testament is er wel onderscheid tussen God en Zijn Geest. Maar de aard van dat onderscheid blijft duister. Oupw gar hn pneuma, oti Ihsouv oudepw edoxasyh, Joh. 7:39. Maar nu wordt van Hem als van een Persoon gesproken. Hij wordt aangeduid als ekeinov, Joh. 15:26; 16:13-14, paraklhtov, Joh. 15:26, cf. 1Joh. 2:1, allov paraklhtov aaTO, Joh. 14:16, Die van Zichzelf spreekt in de eerste Persoon, Hand. 13:2, Wie allerlei Persoonlijke vermogens en werkzaamheden worden toegeschreven, als onderzoeken, 1Cor. 2:10-11, oordelen, Hd. 16:28, horen, Joh. 16:13, spreken, Hd. 13:2, Op. 2:7 enz. Op. 14:13; 22:17, willen, 1Cor. 12:11, leren, Joh.14:26, bidden, Rom. 8:27, getuigen, Joh. 15:26, enz. en Die met Vader en Zoon gecoordineerd en op één lijn wordt geplaatst, Mt. 28:19, 1Cor. 12:4-6, 2Cor. 13:13 vs. Op. 1:4. Dit nu kan niet, tenzij Hij ook waarachtig God zij.

Gelijk Zijn persoonlijkheid, zo komt ook de Godheid van de Heilige Geest eerst in het Nieuwe Testament duidelijk aan het licht. Zij blijkt allereerst daaruit, dat in weerwil van het onderscheid, hetwelk tussen God en Zijn Geest bestaat, het toch volkomen hetzelfde is, of God dan of Zijn Geest iets zegt, in ons woont, door ons veracht wordt, Jes. 6:9; Hd. 28:25, Jer. 31:31; Hebr. 10:15, Ps. 95:7-8; Hebr. 3:7-9, Hd. 5:3-4; Rom. 8:9-10; 1Cor. 3:16; 6:19; Ef. 3:21. Dit komt dan alleen tot zijn volle recht, wanneer met het personele onderscheid de Wezenseenheid gepaard gaat. Voorts worden allerlei Goddelijke eigenschappen even goed aan Gods Geest als aan God Zelf toegeschreven: bijv. eeuwigheid, Hebr. 9:14, alomtegenwoordigheid, Ps. 139:7, alwetendheid, 1Cor. 2:10,11, almacht, 1Cor. 12:4-6, en wederom onderstelt dit dat de Geest in Wezen één is met God Zelf. Hetzelfde is het geval met de Goddelijke werken van de schepping, Gen. 1:2, Ps. 33:6, Job 33:4, Ps. 104:30, en van de herschepping. Ja, in deze komt vooral Zijn Godheid duidelijk uit. Hij is het, die Christus door Zijn zalving heeft bekwaamd tot Zijn ambt, Jes. 11:2, 61:1 Luk. 4:18, Jes. 42:1; Mt. 12:18, Luk. 1:35, Mt. 3:16, 4:1, Joh. 3:34, Mt. 12:28, Hebr. 9:14, Rom. 1:4, die de apostelen toerust tot hun bijzondere taak, Mt. 10:20, Luk. 12:12, 21:15, 24:49, Joh. 14:16v., Joh. 15:26; 16:13v., enz., Die aan de gelovigen allerlei gaven en krachten uitdeelt, 1Cor. 12:4-11, en die bovenal in de gemeente wonen doet de volheid van Christus. De Heilige Geest staat tot Christus in dezelfde verhouding als Christus tot de Vader. Gelijk de Zoon niets heeft en niets doet en niets spreekt van Zichzelf, maar alles ontvangt van de Vader, Joh. 5:26, 16:16, zo neemt de Heilige Geest alles uit Christus, Joh. 16:13-14. Gelijk de Zoon van de Vader getuigt en de Vader verheerlijkt, Joh. 1:18; 17:4,6; zo op Zijn beurt de Heilige Geest de Zoon, Joh. 15:26; 16:14. Gelijk niemand tot de Vader komt dan door de Zoon, Mt. 11:27, Joh. 14:6, zo kan niemand zeggen Jezus de Here te zijn dan door de Heilige Geest, 1Cor. 12:3. Er is geen gemeenschap met God dan door de Geest. Maar die Geest schenkt dan ook al de weldaden, die Christus verworven heeft, de wedergeboorte, Joh. 3:3, de overtuiging van zonde, Joh. 16:8-11, het kindschap, Rom. 8:15, de vernieuwing, Tit. 3:5, de liefde Gods, Rom. 5:5, allerlei geestelijke vruchten, Gal. 5:22, de verzegeling, Rom. 8:23, 2Cor. 1:22, 5:5, Ef. 1:13, 4:30, de opstanding, Rom. 8:10. Ja, door de Geest hebben wij met niemand minder dan met de Zoon en de Vader Zelf rechtstreekse, onmiddellijke gemeenschap. De Heilige Geest is God Zelf in ons, Joh. 14:23 v., 1Cor. 3:16; 6:19; 2Cor. 6:16, Gal. 2:20, Col. 3:11, Ef. 3:17, Phil. 1:8,21. Wie kan dat alles ons schenken, wie kan God Zelf in onze harten doen wonen, dan een, Die Zelf God is? Daarom komt Hem ook Goddelijke eer toe. Hij staat naast Vader en Zoon als oorzaak van alle heil, Mt. 28:19; 1Cor. 12:4-6; 2Cor. 13:13; Op. 1:4. In Zijn Naam worden wij gedoopt, Mt. 28:19. Van Hem is alle leven en kracht. Hij is de Auteur onzer gebeden, Zach. 12:10, Rom. 8:15-16. En daartegenover wordt de gemeente gewaarschuwd Hem te bedroeven, Jes. 63:10, Ef. 4:30; zelfs is de lastering tegen de Heilige Geest onvergefelijk, Mt. 12:31-32.1.

1 Oudere literatuur over de Heilige Geest wordt opgegeven door Walch, Bibl. theol. sel. I 75 v. 241, waaronder vooral Owen, Discourse on the Holy Spirit 1674, holl. 1746, de aandacht verdient, en door Kuyper, Het werk van de Heilige Geest 1888, in de voorrede; nieuwere literatuur is te vinden bij M. Berersluis, de Heilige Geest en Zijn werkingen volgens de Schriften des Nieuwe Verbonds 1896 bl. VII, waaronder vooral in aanmerking komen J. Gloël, Der Heilige Geist in der Heilsverkündigung des Paulus 1888. H. Gunkel, Die Wirkungen des Heilige Geistes usw. Gött. 1888. Voorts nog Synopsis der dogm. moraltheol. Lehre von der Wirksamkeit des Heilige Geistes zunächst nach dem h. Thomas von Aquin, von Dr. I.E. Pruner, Lycealprogramm fur das Jahr 1891 Eichstätt. W. Koelling, Pneumatologie oder die Lehre von der Person des Heiligen Geistes. Gutersloh 1894. Dr. G. Smeaton, The doctrine of the Holy Spirit 1882. Lechler, Die Biblische Lehre vom Heilige Geiste 3 Th. Gütersloh 1899-1904. Noesgen, Geschichte der Lehre vom Heiligen Geiste. Gutersloh 1899. Id., Der Heiligen Geist, Sein Wesen u. die Art seines Wirkens. Berlin 1905. Lütgert, Gottes Sohn und Gottes Geist. Vorträge z. Christol. u. z. Lehre vom Geiste Gottes. Leipzig 1905. Cremer, art. Geist in PRE/3 VI 450. Sokolowski, Die Begriffe Geist und Leben bei Paulus in ihren Beziehungen zu einander. Gött. 1903. H. Weinel, Die Wirkungen des Geistes und der Geister im nachapost. Zeitalter bis auf Irenaeus. Freiburg Mohr 1899. Th. Schermann, Die Gottheit des Heiligen Geistes nach de Griech. Vätern des vierten Jahrb. Freiburg Herder 1901. G. Tophel, Le Saint Esprit. Lausanne 1900. J.H. Garrison, The holy Spirit. St. Louis 1905. Mastermann, I believe in the Holy Ghost. Astudy of the doctrine of the Holy Spirit in the light of modern thought. Gardner, Darton 1907.

x
This website is using cookies. Accept