Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

221. Beide richtingen zijn in de christelijke kerk rechts en links van de kerkelijke triniteitsleer alle eeuwen door blijven bestaan. Het wezen van het Arianisme ligt in de loochening van de homoousie van Vader en Zoon, in de bewering dat de Vader alleen en in volstrekte zin de enige waarachtige God is. Natuurlijk is de Zoon dan een minder en lager Wezen, staande buiten de natuur Gods; maar over de plaats, die de Zoon toekomt tussen God en de schepselen-wereld kan dan verschil bestaan; het Arianisme laat allerlei speling toe. De afstand tussen God en wereld is eindeloos en op ieder punt van die afstand kan de Zoon een plaats worden toegekend, van de plaats naast God op Zijn troon af tot die naast de schepselen, engelen of mensen, toe. Zo is het Arianisme dan ook in verschillende vormen opgetreden. Vooreerst in de vorm van het subordinatianisme: de Zoon is dan wel eeuwig, gegenereerd uit het Wezen des Vaders, geen schepsel en niet uit niets voortgebracht, maar Hij is toch minder dan de Vader en aan Hem ondergeschikt. De Vader alleen is o yeov, phgh yeothtov, de Zoon is yeov, ontving zijn natuur door mededeling van de Vader. Zo werd geleerd door Justinus, Tertullianus, Clemens, Origenes enz., ook door de Semiarianen, Eusebius van Cesarea en Eusebius van Nicomedië, die de Zoon plaatsten ektov tou patrov en Hem omoioosiov aan de Vader noemden1, later door de Remonstranten2, door de supranaturalisten3 en door zeer veel theologen in de nieuwe tijd4. Vervolgens is het in zijn oude gedaante, die het bij Arius had, wederom opgetreden bij veel theologen na de Hervorming, vooral in Engeland. Milton b.v. leerde, dat Zoon en Geest geschapen waren door de vrije wil des Vaders vóór de schepping, en slechts de Naam van God droegen om Hun ambt, evenals de rechters en overheden in het Oude Testament5, en evenzo met geringe wijzigingen W. Whiston, wiens Arianisme vele tegenschriften in het leven riep6, S. Clarke, P. Maty, Dan. Whitby, Harwood, vele Remonstranten hier te lande, en in later tijd de Groninger theologen7. Een derde vorm van Arianisme kwam op in het Socinianisme. De Vader is de enige, waarachtige God. De Zoon is een door God onmiddellijk, door bovennatuurlijke ontvangenis geschapen, heilig Mens, die vóór zijn ontvangenis niet bestond en door God met dit doel werd voortgebracht, om aan de mensen een nieuwe wet te prediken. Na vervulling van deze last is Hij verhoogd in de hemel en Goddelijke genade deelachtig geworden. De Geest is niets anders dan een kracht Gods8. Dit Socinianisme verbreidde zich van Polen naar Duitsland, Nederland, Engeland en Amerika, vond in deze beide laatste landen tolken in John Biddle, Nathanaël Lardner, Theoph. Lindsey, Joseph Priestley, stichter van de Unitarian Society enz., en ging in unitarisme over. Het Socinianisme kon het supernaturalisme, dat het eerst nog aannam, op de duur niet handhaven; Jezus werd een gewoon Mens, zij het ook een voorbeeld van vroomheid en zedelijkheid, het Christendom raakte geheel los van Zijn Persoon. Ditzelfde had plaats in het rationalisme9 en in de moderne theologie. Voor de triniteit, voor de Drieheid, Vader, Zoon en Geest is hier geen plaats meer. God is één en Jezus is een gewoon, doch groot mens10; zelfs Ritschl heeft zakelijk niet anders gedaan dan het Socinianisme vernieuwd. Jezus is een mens geweest, door God bekwaamd, om het koninkrijk der hemelen op aarde te stichten en is daarna verhoogd tot de rang van God en Heer der gemeente11. In heel deze rationalistische beschouwing van de triniteitsleer is er natuurlijk nog veel minder behoefte aan Goddelijke genade, en daarom komt de Heilige Geest hierbij nauwelijks ter sprake; zijn Godheid en meestal ook zijn persoonlijkheid wordt ontkend.

Ook het Sabellianisme kan optreden in verschillende vormen. Het heeft met het Arianisme de loochening der Drieheid in het Goddelijk Wezen gemeen, maar zoekt nu de Eenheid Gods te verkrijgen, niet door Zoon en Geest buiten Gods Wezen te plaatsen, maar door beide er zo in op te nemen, dat alle onderscheid tussen de drie Personen verdwijnt. Het onderscheid tussen de personen ligt volgens de triniteitsleer der kerk in de personele eigenschappen, bepaaldelijk in de eeuwige generatie en spiratie. Worden deze geloochend, dan komen de Personen los naast elkaar te staan en treedt het tritheïsme op. Daarvan werden in de oudheid beschuldigd de monophysieten, Johannes Askusnages en Johannes Philoponus12, en in de middeleeuwen Roscellinus13. Later rees een dergelijke aanklacht tegen Th. Sherlock, omdat hij in het Goddelijk Wezen drie oneindige geesten aannam14; voorts tegen Roëll, omdat hij de generatie bestreed15; vervolgens ook tegen Lampe en Sibelius, omdat zij bezwaar hadden in de formule per communicationem essentiae16. Wordt daarbij het Wezen Gods nog in platonisch-realistische zin opgevat, dan gaat het tritheïsme over in tetradisme, dat aan Damianus van Alexandrië werd tenlaste gelegd17. Omdat echter zulk een drieheid van individuele, gescheiden wezens, merikai ousiai, idikai fuseiv, niet met de Eenheid Gods is overeen te brengen, kan deze ook worden gehandhaafd, dat Vader, Zoon en Geest dezelfde Persoon en Hetzelfde Wezen zijn; dit patripassianisme werd in de tweede eeuw door Praxeas geleerd. Of ook kan men met Marcellus van Ancyra en Photinus van Sirmium Zoon en Geest beschouwen als eigenschappen in God, die slechts ten behoeve van schepping en herschepping van God uitgingen en zelfstandig, persoonlijk werden. De Logos was wel eeuwig als logov endiayetov, de Vader was nooit zonder Logos, Hij was lohopatwr; maar deze Logos is eerst Zoon, proforikov geworden in de tijd; God breidt zich uit in de tijd tot Zoon en Geest en keert dan, weder in Zichzelf terug18. Daaruit wordt dan vanzelf het modalistisch monarchianisme geboren, dat in de Drie Personen slechts drie openbaringsmodi van het éne Goddelijk Wezen ziet.

Dit was de eigenlijke leer van Sabellius, en later keert deze opvatting van het dogma der triniteit telkens terug. Van modalisme is ook de speculatie over de triniteit bij Erigena19 en bij Abaelard20 niet vrij. Maar duidelijker komt dit te voorschijn bij de pantheïstische secten in de Middeleeuwen, bij Joachim van Floris, Amalrik van Bena, David van Dinant, die een tijdperk des Vaders, des Zoons en des Geestes onderscheidden en het laatste nabij achtten21. In de Hervormingseeuw kwam het Anabaptisme in oppositie tegen de kerkelijke triniteitsleer. De waarachtige God is de God in ons, deze is de Wezenlijke Christus, en het Woord, de Geest in ons is de waarachtige God22. David Joris leerde, dat God één was en Zich achtereenvolgens als Vader, Zoon en Geest openbaarde in drie tijdperken van geloof, hoop en liefde, die begonnen waren met Mozes, Christus en Hemzelf23. Maar vooral Servet besteedde aan dit dogma al de kracht van zijn denken; in drie geschriften24, onderwierp hij het in zijn kerkelijke vorm aan een scherpe kritiek en trachtte het ook positief nieuw op te bouwen. Servet heeft geen woorden, scherp genoeg, om de kerkelijke triniteitsleer te veroordeelen. Zij is in zijn ogen tritheïstisch, atheïstisch, een tricipex monstrum, tricipex cerberus, tripartitus Deus. Daartegenover gaat hij uit van de stelling, dat het Goddelijk Wezen niet gedeeld kan worden, en dat er daarom, ter handhaving der Godheid van Christus en van de Heilige Geest, geen personen maar alleen disposities, apparities, modi Gods mogen aangenomen worden. De Vader is het ganse Wezen Gods, de enige God. Maar Hij bedient Zich van de Logos, die reeds vóór Christus bestond, echter niet als Persoon doch als Woord, rede, gedachte, om zich in de schepping en onder het Oude Testament te openbaren en in Christus mens te worden. De Logos nam in Christus niet de menselijke natuur aan, maar werd in Hem vlees. De mens Christus is daarom de waarachtige Zoon Gods, God woont ten volle in Hem. En evenzo is de Heilige Geest die niet reëel van de Logos onderscheident maar in Hem begrepen is, de modus der zelfmededeling Gods. Door Hem woont God in alle schepselen in, en deelt Hij aan alle Zijn leven mee. Aan het einde van het proces houdt de triniteit weer op25.

De gnostische en theosofische elementen, die hier wederom in de triniteitsleer voor de dag kwamen, namen later bij Böhme, Zinzendorf en Swedenborg nog toe. Bij Böhme is de triniteit het resultaat van een proces, waarvan de donkere natuur, het licht der idee en de wil in de Godheid de grondslagen en de factoren zijn26. Zinzendorf noemde zichzelf wel trinitariissimus maar ging toch eigenlijk van een gnostisch Godsbegrip uit. God an sich was onbereikbaar, verborgen, ondoorgrondelijk, doch Hij openbaart Zich in Christus. Deze is de eigenlijke Schepper aller dingen, de Jehovah des Oude Testament, die vlees geworden is en het voorwerp is van onze aanbidding. In Hem wordt ook de triniteit openbaar, echter niet met immanente verhoudingen van generatie, spiratie enz., maar als een heilige familie. De eerste Persoon is de Vader, de Heilige Geest is de moeder, Christus is de Zoon, en in die familie wordt nu de enkele gelovige en de gemeente opgenomen als de bruid des Zoons, die evenals Eva uit Adams zijde, op gans realistische wijze uit de zijde en het bloed van Christus geschapen wordt27. Nog sterker trad Swedenborg tegen de triniteitsleer op. Hij zag er evenals Servet niets dan tritheïsme in. God is één, maar Hij is in Christus openbaar geworden als Vader, Zoon en Geest, die Zich verhouden als ziel, lichaam en de van beide uitgaande werkzaamheid28. Deze theosofie heeft de triniteitsleer der nieuwe filosofie voorbereid. In het stelsel van Spinoza met zijn éne onveranderlijke substantie was er nog geen plaats voor. Bij Kant worden de drie personen vervangen door drie kwaliteiten; de ware godsdienst bestaat in het geloof aan God als heilig Wetgever, goed regeerder en rechtvaardig rechter29. Schleiermacher oefende op het dogma der triniteit een strenge kritiek, en erkende er alleen dit ware in, dat God met de mensheid is verenigd, zowel in de persoon van Christus als in de Gemeingeist der Kirche30. Volgens Schelling en Hegel bevatte het dogma een diepe filosofische gedachte, die zij aldus vertolkten: God is Geest, denken, idee, en het behoort dus tot Zijn natuur, om Zich voor te stellen, te denken, te objectiveren. De inhoud van dat denken kan echter geen gedachte zijn zoals bij de mens, maar moet realiteit wezen. God brengt daarom denkende Zichzelf voort, objectiveert zich, en wel in de wereld, die de eigenlijke Zoon Gods is, en keert dan uit die Selbstentäusserung door het bewustzijn der mensheid heen in de Geest weer tot Zichzelf terug31. Het grote verschil tussen deze speculatie en de kerkelijke triniteitsleer werd nu wel door Strausz ingezien32. Maar desniettemin scheppen nog velen behagen in een dergelijke wijsgerige constructie33. Anderen vergenoegen zich er mee, om in de éne Persoonlijkheid van God drie potenties, momenten, krachten te onderscheiden34 en komen zo tot de erkenning van een openbaringstriniteit van God in natuur (schepping), geschiedenis (Christus) en geweten (gemeente)35. Afkerig van metafysica, welke zij voor het geloofsleven waardeloos en zelfs schadelijk achten, weigeren zij uit de zelfopenbaring Gods in Christus en uit Zijn zelfmededeling in de Heilige Geest tot immanente, ontologische relaties in het Goddelijk Wezen te besluiten. Zij verwaarlozen de theologische elementen, die niet alleen in de kerk, maar ook ongetwijfeld in de Schriftleer vervat zijn, en trachten deze als onnutte speculatie voor te stellen36.

1 Loofs, D. G./4 bl. 243 v.

2 Conf. art. 3. Arminius, Op. theol. 1629 bl. 232 v. Episcopius, Instit. theol IV sect. 2 c. 32. Limborch, Theol. Christ. II 17, 25.

3 Bretschneider, Dogm. I/4 612 v. Knapp, Gl. I 260. Muntinghe, Theol. Christ. pars theor. par. 134. v.

4 Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I 207 v. Beck, Chr. Gl. II 123 v. 134 v. Twesten, II 254. Kahnis, I 353, 398. Van Oosterzee, II par. 52. Doedes, Ned. Gel. 71 v.

5 Milton, de doctr. christ. ed. Summer 1827 Lib. I c. 5.6.

6 Walch, Bibl. theol. sel. I 957 v.

7 Hofstede de Groot, De Groninger Godgeleerden bl. 160 v.

8 Cat. Racov. qu. 94-190. Verg. verder F. Socinus, Bibl. patr. Polon. I 789 v Crell, de uno Deo Patre libri duo e.a. bij Trechsel, Protest. Antitrinitarier II 221 v. 233 v.

9 Wegscheider, Instit. theol. par. 91.

10 Verg. bijv. Kielstra, Het godsdienstig leven/2 1890 bl. 39.47.

11 Ritschz, Rechtf. u. Vers./2 III 358 v.

12 Baur, Dreiein. u. Menschw. II 13 v.

13 Verg. Anselmus, de fide trinitatis et de incarnatione verbi.

14 Walch, Bibl. theol. sel. I 972.

15 Examen v. h. Ontw. v. Tol. VIII Sam. bl. 10 v. Moor, Comm. 1 735 761-771.

16 Moor, Comm. 1 744-755. Ypey en Dermout, Gesch. der N. H. Kerk III 202 Aant. 84 v. Archief v. Kerk. Gesch. VIII 419 v.

17 Baur t.a.p. II 29 v.

18 Schwane, D. G. II 135-150.

19 Erigena, de div. nat. I 13.

20 Abaelard, Introd. ad theol. I 7.

21 Reuter, Gesch. der relig. Aufkl. im M. A. II 183-249.

22 Bijv. Camillo, bij Trechsel, Prot. Antitrin. II 95 v.

23 Trechsel t. a. p. I 44v. Cramer in Ned. Archief v. Kerk. Gesch. V 1-145 VI 289-368.

24 De trinitatis erroribus libri septem 1531. Dialogorum de trinitate libri duo 1532. Christianismi restitutio 1553.

25 Trechsel t. a. p. I 65 v. 103 v. 120 v. Riggenbach, art. Servet in PRE/3 XVIII 228-236.

26 Claassen, Jakob Böhme II 25 v.

27 Plitt, Zinzendorffs Theol. I 211 v. II 24. 133 v. III 14 v.

28 Swedenborg, Die wahre christl. Religion/2. Stuttgart 1873 bl. 241 v.

29 Kant, Religion inn. d. Grenzen der bl. Vernunft. ed. Rosenkranz bl. 168 v.

30 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 170-172. Verg. ook Lipsius, Dogm par. 368 Schweizer, Chr. Gl. par. 103 v. Scholten, L.H.K. II 238.

31 Schelling, Werke I 5 bl. 294. I 6 bl. 28 v. I 7 bl. 56 v. Hegel, Werke XI 120 v. 129 v. XII 181 v.

32 Strausz, Chr. Gl. I 492 v.

33 Biedermann, Dogm. par. 159. Pfleiderer, Grundriss par. 122.

34 Schelling in zijn latere periode. Rothe, Ethik par. 23 v. Nitzsch, Ev. Dogm. bl. 438-446.

35 Hase, Hutt. Rediv. par. 70. De Wette, Dogm./3 71.

36 Harnack, Das Wesen des Christ. Akad. Ausgabe 1902 bl. 79 v. Kaftan, Dogmatik par. 21. Häring, Der Chr. Glaube bl. 543.

x
This website is using cookies. Accept