Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

223. Maar nu ligt de heerlijkheid van de belijdenis der triniteit juist hierin, dat die Eenheid, hoe absoluut ook, verscheidenheid niet uit- maar insluit. Het Wezen Gods is geen abstracte Eenheid, geen afgetrokken begrip, maar een volheid van Zijn, een oneindige rijkdom van leven, die in de verscheidenheid juist de hoogste eenheid ontvouwt. Die zelfonderscheidingen, welke de Heilige Schrift nu onder de Naam van Vader, Zoon en Geest in het Goddelijk Wezen ons kennen doet, worden in de theologie aangeduid met het woord Persoon. In het oosten bezigde men daarvoor eerst proswpon, corresponderende aan het Hebr. Mynp, aangezicht, uiterlijke verschijning, rol. Maar dit woord was voor misverstand vatbaar; Sabellius zei, dat de éne Goddelijke oisia of ipostasiv; verschillende proswpa aannam. Daartegenover betoogden de kerkvaders, dat de drie proswpa in het Goddelijk Wezen niet maar verschijningen, openbaringsvormen, doch dat zij proswpa enupostata waren, dat zij bestonden en upostasei. Zo werd het woord proswpon door ipostasiv; vervangen, welk woord eerst grondslag, onderbouw, vastheid betekent, en dan datgene aanduidt, wat werkelijk en niet maar in schijn bestaat, of ook datgene, wat in zichzelf bestaat in onderscheiding van accidentia, die inhereren in iets anders1. In het Latijn bezigde men het woord persona, dat eerst het masker, dan de rol van een acteur aanduidde, daarna de conditio, qualitas, status, waarin iemand optreedt en zo in de rechtstaal het jus standi in judicio te kennen gaf. Dit begrip was dus ook vrij zwevend, en bij Tertullianus wisselt het nog met allerlei andere woorden af, nomen, species, forma, gradus, res. Toch bleef dit woord in het Latijn behouden, ook toen in het Oosten proswpon reeds door upostasiv; vervangen was; want het woord upostasiv was in het Latijn door geen geschikt woord weer te geven; substantia kon men niet bezigen, omdat dit al voor het wezen in gebruik was. Maar dit verschil in uitdrukking gaf herhaaldelijk tussen het oosten en het westen aanleiding tot misverstand. De Grieken dachten bij het Latijnse persona aan hun woord proswpon, en de Latijnen verstonden het Griekse upostasiv; in de zin van hun substantia. Over en weer verweet men elkaar de armoede der taal. Toch leerde men zakelijk geheel hetzelfde, nl. dat de drie Personen geen modi maar zelfstandigheden waren. Zo kreeg dus het woord proswpon, persona in de kerkelijke taal tot wezenlijk kenmerk de zelfstandigheid, upostasiv;, subsistentie, subsistens, suppositum. Deze zin heeft het woord upostasiv; nog bij Athanasius en de Cappadociërs. Maar later kreeg het woord persona er nog een karaktertrek bij. Als persona toch niets aanduidde dan ipostasiv, het in zichzelf bestaande, tegenover accidens, dan kon het ook wel van zaken gebezigd worden. In de christologische strijd werd men tegenover Nestorianisme en Monophysitisme gedrongen tot nog scherper bepaling van natuur en persoon; en zo kwam toen, in het aan Boëthius toegeschreven de duabus naturis et una persona Christi, de definitie van persona op als naturae rationabilis individua substantia. Het woord drukte nu tweeërlei uit: zelfstandigheid en redelijkheid of zelfbewustheid. Deze betekenis heeft het in de scholastiek2 en voorts ook in de oudere Roomse, Luth. en Geref. dogmatiek3.

In de nieuwere filosofie en psychologie kwam een geheel andere voorstelling van de persoonlijkheid op. Ten eerste toch begon men meer en meer de mening te koesteren, dat persoonlijkheid alleen de bestaansvorm van een eindig en beperkt wezen kan zijn, en dat er dus bij God van geen persoonlijkheid, dus ook van geen zelfbewustzijn en zelfbepaling sprake kan zijn. Als God bestaat, is Hij niets anders dan de Almachtige, Alomtegenwoordige, onbewuste kracht en drang in alle dingen. Ten tweede kwam men in de psychologie tot de gedachte, dat ook persoonlijkheid bij de mens hoegenaamd geen zelfstandig bestaan insloot; de ik-heid, de ziel is geen substantie, maar slechts de nominalistische samenvatting van de psychische verschijnselen, en datgene, wat persoonlijkheid heet, is maar de tijdelijke voorbijgaande bestaansvorm van het individuele wezen, dat mens heet. Ten derde werd daaruit afgeleid, dat persoonlijkheid, als bloesem en hoogste ontwikkeling van het menselijk wezen, het einddoel was, waarnaar de mens te streven had, het hoogste goed, dat hij voor een tijd verwerven kon. Höchstes Glück der Erdenkinder ist nur die Persönlichkeit (Goethe). Ten vierde bracht dit een heroëncultus en mensvergoding mede ten aanzien van hen, die zulk een toppunt van ontwikkeling hadden bereikt en tot een persoonlijkheid zich gevormd hadden. Bij sommigen verbindt zich daarmee dan de hoop, dat zulke mensen, die hier of hiernamaals tot die hoogte der persoonlijkheid zich hebben opgewerkt, ook wel eeuwig zullen voortbestaan (conditionele onsterfelijkheid). Dit begrip van persoonlijkheid gaat nu bij de mens al niet op, omdat persoonlijkheid, ik-heid iets anders en meer is dan de samenvatting der psychische verschijnselen. Maar het is nog veel minder voor toepassing vatbaar in de leer der triniteit. Hier heeft persoon een eigen betekenis. Zelfs de definitie van Boëthius past veel meer in de leer van Christus dan in die der triniteit. Dit is ook altijd door de degelijkste theologen gevoeld. Richard van St. Victor bestreed deze definitie, omdat ze sprak van individua substantia en omschreef persoon daarom als divinae naturae incommunicabilis existentia4. Calvijn sprak alleen van subsistentia in Dei essentia5. Allen erkenden de waarheid van het woord van Augustinus: wij spreken van personen, non ut illud diceretur, sed ne taceretur6. Persoon duidt in het dogma der triniteit niets anders aan, dan dat de drie Personen in het Goddelijk Wezen geen modi zijn maar elk op eigen wijze bestaan. Zelfs op het redelijke en zelfbewuste in dit begrip valt de nadruk volstrekt niet; want dit vloeit vanzelf daaruit voort, dat zij dezelfde Wezens en alle deugden, dus ook de kennis en wijsheid deelachtig Zijn. Wat echter in het woord persoon wordt uitgedrukt, is dat de Eenheid van het Goddelijk Wezen zich ontplooit in een drievoudig bestaan. Het is een unitas, ex semetipsa derivans trinitatem. De Personen zijn geen drie openbaringsmodi van de éne Goddelijke Persoonlijkheid, maar het Goddelijk Wezen bestaat niet anders dan als Drie-Persoonlijk, juist omdat zij absolute, Goddelijke Persoonlijkheid is. In de mens hebben wij daarvan slechts een zwakke analogie. Persoonlijkheid bij mensen komt alleen daardoor tot stand, dat er een subject is, dat zichzelf als object tegenover zich stelt en zich met zichzelf weer samenvat; drie momenten constitueren het wezen der menselijke persoonlijkheid, maar bij ons zijn dat slechts momenten; in God zijn het, omdat er in Hem geen tijd of ruimte, geen uitbreiding en geen deling is, drie upostaseiv, drie bestaanswijzen van het één en zelfde Wezen. Deze analogie van de menselijke persoonlijkheid moet echter nog op een andere wijze worden aangevuld. De menselijke natuur is te rijk, om in één enkel mens of persoon te worden belichaamd, zij breidt daarom in vele mensen zich uit en komt eerst in de mensheid tot haar volle ontplooiing. Zo ook ontplooit het Goddelijk Wezen zijn volheid in drie Personen, maar deze zijn geen drie Individuen naast en gescheiden van elkaar, maar in en binnen het Goddelijk Wezen de drievoudige zelfonderscheiding, welke de ontplooiing des Wezens in de persoonlijkheid opneemt en deze driepersoonlijk maakt. De ontvouwing der menselijke natuur is van tweeërlei aard; in de enkele mens tot persoonlijkheid en in de mensheid tot vele individuen, die samen ook weer een eenheid, een persoonlijkheid vormen gelijk Christus met de gemeente één volkomen man is, 1Cor. 12:12, Ef. 4:13. Deze dubbele ontvouwing, die in de mensheid geen andere zijn kan, is in God één; de ontplooiing van Zijn Wezen tot persoonlijkheid valt samen met die van Zijn Wezen tot Personen. De drie Personen zijn de in en uit en door en binnen het Wezen tot volkomen zelfontvouwing gebrachte éne Goddelijke Persoonlijkheid.

1 Verg. ook het gebruik van het woord in het Nieuwe Testament, 2Cor. 9:4; 11:17; Hebr. 1:3; 3:14; 11:1; en daarbij Cremer, Neut. Wörterbuch s.v.

2 Lombardus, Bent. I dist. 23 cf. 25,26. Thomas, s.Th. I qu. 29. Bonaventura, Sent. I dist. 23 qu. I en dist. 25.

3 Petavius, de trin. IV c. 9. Schmid, Dogm. der ev. Luth. K. bl. 90 v. Beza, Tract, theol. I 616. Zanchius, Op. I 13. Maresius, Syst. theol. III 7. Synopsis pur. theol. VII 8 enz.

4 Richard Vict., de trin. IV 21.

5 Calvijn, Inst. I 13, 6. Verg. Alting, Theol. probl. nova III qu. 31.

6 Augustinus, de trin. V. 9. VI 10. Verg. Anselmus, Monol. c. 37. 38. Calvijn, Inst I 13, 2-4. Braun, Der Begriff Person in seiner Anwendung auf Trinität und Incarnation. Mainz 1896.

x
This website is using cookies. Accept