Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

226. De bijzondere eigenschap van de tweede Persoon in de triniteit is de filiatio. In de Schrift draagt Hij verschillende namen, die Zijn verhouding tot de Vader aanduiden, zoals Woord, Wijsheid, Logos, Zoon, Eerstgeboren, Eniggeboren, Enige Zoon, Beeld Gods, eikwn, upostasiv, carakthr. Op deze Namen en op enkele teksten, boven aangehaald, werd de leer der door Origenes het eerst zo genoemde eeuwige generatie, aiwniov gennhsiv, gebouwd. Natuurlijk spreken wij daarmee op menselijke en dus onvolkomen en gebrekkige wijze; en de gedachte daaraan maant tot bescheidenheid1. Maar toch mogen wij zo spreken. Want evenals bij gelijkenis aan God mond en oor en oog wordt toegeschreven, zo is de menselijke generatie analogie en beeld van die Goddelijke daad, waardoor de Vader aan de Zoon het leven in Zichzelf geeft. Maar dan moet al het onvolmaakte en zinnelijke daarvan ook worden weggedacht. De generatie van een mens is onvolkomen en gebrekkig; een man heeft een vrouw nodig, om een zoon voort te brengen; een man kan nooit in een kind en zelfs niet in vele kinderen zijn volle beeld, zijn gehele wezen mededelen; een vader wordt eerst vader mettertijd en houdt het ook op te zijn, en het kind wordt spoedig geheel onafhankelijk van en zelfstandig tegenover de vader. Maar is het niet bij God. Er is generatie ook in het Goddelijk Wezen. Het is een schone, bij de kerkvaders telkens terugkerende gedachte, dat God vruchtbaar is. Hij is geen abstracte, starre Eenheid, niet monadikov, solitarius. Hij is een volheid van Leven; Zijn natuur is een gennhtikh, karpogonov oisia; zij is voor uitbreiding, ontvouwing, mededeling vatbaar. Wie dit ontkent en alle productie in het Goddelijk Wezen loochent, maakt er geen ernst mee, dat God oneindig, volzalig Leven is. Hij houdt niets dan een abstract, deïstisch Godsbegrip over of neemt ter vergoeding op pantheïstische wijze het leven der wereld in het Goddelijk wezen op. Zonder de triniteit is ook de schepping niet te verstaan; indien God Zich niet mededelen kan, dan is Hij een duister licht, een droge bron, en hoe zou Hij zich ad extra, aan schepselen kunnen mededelen2? Maar toch is die generatie op Goddelijke wijze te denken. Daarom is zij in de eerste plaats geestelijk. De Arianen brachten tegen haar vooral het bezwaar in, dat alle generatie noodzakelijk scheiding, deling, tomh, diairesiv en ook nu payov, aporroia meebrengt. Dat zou zo zijn, als ze lichamelijk, zinnelijk, creatuurlijk was. Maar zij is geestelijk en Goddelijk, en daarom eenvoudig, zonder deling of scheiding, zij geschiedt arreustwv kai adiairetwv;3. Zij brengt distinctio en distributio, maar geen diversitas en divisio in het Goddelijk Wezen. O de yeov amerhv wn ameristov esti kai apayhv tou uiou pathr, oute gar aporroh tou aswmatou estin, out epirroh tiv eiv aiton ginetai, wv ep anyrwpwn4. De generatie in God heeft daarom haar treffendste analogie in het denken en spreken; en de Schrift zelf wijst daarop, als zij de Zoon de Logos noemt. Gelijk de geest des mensen in het woord zichzelf objectiveert, zo deelt God in de Logos Zijn gehele Wezen mee. Maar ook hier is er weer onderscheid. De mens behoeft veel woorden om zijn gedachte uit te drukken; die woorden zijn klanken en dus zinnelijk en stoffelijk; zij zijn onzelfstandig en hebben geen bestand in zichzelf. Maar als God spreekt, dan spreekt Hij in de ene Logos Zijn ganse Wezen uit en geeft Hem het leven in Zichzelf. In de tweede plaats houdt daarom de generatie in, dat de Vader de Zoon genereert ek thv ousiav tou patrov, yeon ek yeou, fwv ek fwtov, yeon alhyinon ek yeou alhyinou, gennhyenta ou poihyenta, omoousion tw patri gelijk te Nicea vastgesteld werd. De Arianen leerden, dat de Zoon door de wil des Vaders uit niets was voortgebracht. Doch dit was geen generatie, maar creatie. Scheppen is to exwyen kai oik ek tyv ousiav tou ktizontov kai poiountov ginewyai to ktizomenon kai poioumenon anomoion pantelwv kai ousian; maar generatie is to ek thv ousiav tou gennwntov proagesyai to gennwmenon omoion kat ousian5. De Zoon is geen schepsel, maar God te prijzen in alle eeuwigheid, Rom. 9:5. En daarom is Hij niet voortgebracht door de wil des Vaders, uit niets en in de tijd. Maar Hij is gegenereerd uit het wezen des Vaders, in de eeuwigheid. De generatie is daarom geen eigenlijk werk, geen energeia van de Vader, maar de Vader komt toe een fusiv gennhtikh. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat de generatie een onbewuste, ongewilde emanatie is, dat zij buiten de wil en de macht des Vaders omgaat. Zij is niet een daad van een voorafgaande, besluitende wil, van een boulhsiv prohgoumenh, gelijk de schepping; maar zij is de Vader zo van nature eigen, dat Zijn wil als voluntas concomitans daarin Zijn ganse welbehagen heeft. Zij is openbaring van Zijn; fusewv gehsiothv kai ousiav en dus ook van Zijn kennis, wil en macht en van al Zijn deugden6. In de derde plaats wordt daarom de generatie door de christelijke kerk ook als een eeuwige beleden. De Arianen zeiden, dat de Zoon er eerst niet was, hn pote ote ouk hn beriepen zich vooral op het ektise;, creavit van Spr. 8:22, wezen op de antinomie, die er tussen de begrippen aiwniov; en gennhsiv; bestaat. Maar indien Vader en Zoon deze hun Naam dragen in metapfysische zin, gelijk de Schrift onwedersprekelijk leert, dan is daarmee de generatie ook als een eeuwige bewezen. Indien de Zoon niet eeuwig is, is ook God immers niet eeuwig Vader; Hij was dan God voordat Hij Vader was en is eerst later in de tijd Vader geworden. De loochening der eeuwige generatie doet dus niet alleen tekort aan de Godheid van de Zoon maar ook aan die van de Vader; zij maakt Hem veranderlijk, berooft Hem van Zijn Goddelijke natuur, ontneemt Hem de eeuwigheid van het Vaderschap, en laat het onverklaard, hoe God waarlijk en met recht in de tijd Vader heten kan, indien de grondslag daarvoor niet eeuwig ligt in Zijn natuur7. Maar die generatie is dan ook in ware zin als een eeuwige op te vatten. Zij is niet eens in de eeuwigheid afgelopen en volbracht, maar zij is een eeuwige, onveranderlijke, en dus tegelijk eeuwig voltooide en eeuwig voortgaande daad Gods. Gelijk de zon het licht uitstraalt, en de bron het water uitstroomt, zo is de generatie eigen aan de natuur des Vaders. De Vader was nooit en is nooit zonder generatie. Hij genereert altijd. ouci egennhsen o pathr ton uion kai apelusen auton o pathr apo thv genesewv autou, all’ aei genna auton)8. Gods genereren is spreken en Zijn spreken is eeuwig, yeou aidion to gennhma9.

1 Irenaeus, adv. haer. II 28, 6. Athanasius, c. Ar. II 36. Basilius, adv. Eun. II 22. 24. Gregorius Naz., Orat. XX enz.

2 Athanasius, c. Ar. II 2. Damascenus, de fide orth. I 8.

3 Id., Expos. fidei 2.

4 Id., de decr. nic. syn. II. c. Ar. I 16. 28 v.

5 Damascenus, de fide orth. I 8. Verg. Athanasius, de decr. nic. syn. 13-26. c. Ar. I 5.6.

6 Athanasius, c. A. III 59-67. Gregorius Naz., Or. III 6 v. Cyrillus Alex., de trin. II. Hilarius, de trin. III 4. Augustinus, de trin. XV 20. Lombardus, Sent. I dist. 6. 7. Thomas, S: Th. I qu. 41 art. 2.

7 Athanasius, de decr. nic. syn. 26 v. de sent. Dionysii 14 v. c. Ar. I 12 v. Basilius, adv. Eun. II 14 v. de Spir. S. 14 v. Gregorius Naz., Or. theol. III 3 v.

8 Origenes, in Jerem. nom. IX 4. de princ. I 2, 2.

9 Athanasius, c. Ar. I 14. 20. IV 12. de sent. Dion. 15.16. Damascenus, de fide orth. I 8. Augustinus, de trin. VI 1. Thomas, S. Theol. I. qu. 42 art. 2. Polanus, Synt. theol. III c. 4. Voetius, Disp. v 632. Synopsis, pur. theol. VIII 11. Scholten, L. H. K. II 207.

x
This website is using cookies. Accept