Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

23. Een goede methode der dogmatiek dient dus met alle drie gegevens, met Schrift, kerk en Christelijk bewustzijn rekening te houden. Dan alleen is het mogelijk, om voor eenzijdigheden te worden bewaard. Toch komt het er dan nog op aan, de verhouding te bepalen, waarin deze drie gegevens tot elkaar staan. In de regel gaat het zo, dat wij onze godsdienstige overtuigingen ontvangen uit onze omgeving. Dat is het geval in alle godsdiensten, en ook in het Christendom. Wij worden allen als leden ener kerk geboren. Het verbond der genade neemt ons op van onze geboorte aan. De beloften Gods in Christus gelden niet alleen de gelovigen maar ook hun zaad. In kritische tijden, gelijk de onze, gebeurt het dikwijls, dat er dan later een smartelijke breuk komt tussen het geloof der kindsheid en de persoonlijke overtuiging. Is deze breuk van dien aard, dat men wel zijn eigen kerk verlaten moet maar toch bij een andere historisch bestaande kerk zich aansluiten kan, dan is ze betrekkelijk spoedig geheeld. Er is dan wel verandering, maar geen verlies van de religie zelf, van de Christennaam, van de gemeenschap, van de belijdenis. Er blijft dan nog een dogma, dat vaststaat en ons steun en troost biedt in het leven. Op dit standpunt blijft er dus ook nog een dogmatiek mogelijk, die de waarheid Gods beschrijft, gelijk ze in een bepaalde kerk erkenning vond. Maar dikwjls grijpt de twijfel veel dieper in het religieuze leven in. Velen verliezen alle geloof en komen tot scepticisme en agnosticisme; hier is er van dogmatiek, van geloof, van belijdenis, van gemeenschap geen sprake meer, loutere negatie is tot het stichten van gemeenschap onbekwaam. Anderen echter, het geloof der kindsheid niet meer kunnende handhaven, trachten onder ernstige inspanning en strijd zich een eigen godsdienstige overtuiging te verwerven. Ook hierbij laat natuurlijk de invloed der omgeving zich gelden; geheel zelfstandig komt men tot een godsdienstige overtuiging nooit. Alleen is er daarbij dan dit verschil, dat hetgeen in een kerk niet meer gevonden werd, nu gezocht wordt in een wijsgerige school. Iedere wijsbegeerte is in de nieuwere tijd beurtelings aangegrepen, om zekere godsdienstige overtuigingen te wekken en te handhaven. Ook op dit standpunt is er van dogmatiek geen sprake meer. Er is alleen nog een godsdienstig geloof, een Glaubenslehre, een wijsbegeerte van de godsdienst, een wijsgerige godsdienstleer.

Dogmatiek is er dus alleen mogelijk voor hem, die in gemeenschap des geloofs staat met een of andere Christelijke kerk. Dit ligt ook in de aard van het godsdienstig geloof. Religieuze voorstellingen zijn van wetenschappelijke o.a. daarin onderscheiden, dat ze niet steunen op eigen inzicht, op het gezag van enig mens, maar alleen op het gezag Gods. Maar dit sluit in, dat ze ook in een godsdienstige kring, d.i. in een kerk geloof en erkenning hebben gevonden. Daarin wordt alleen kenbaar, dat wij in het dogma niet met een menselijke mening, maar met een goddelijke waarheid te doen hebben. Een kerk gelooft haar belijdenis niet, wijl ze de waarheid ervan wetenschappelijk inziet, maar enkel en alleen op grond van het woord Gods, hetzij dit alleen in de Schrift of ook door kerkelijke organen zich uit. Wie zijn godsdienstige overtuiging zoekt bij een wijsgerige school, verwart godsdienst met wetenschap en ontvangt niets dan een altijd onzekere, door velen bestreden, sententia of opinio doctoris. Het godsdienstig geloof echter is krachtens zijn eigen natuur aan een gemeenschap en aan haar belijdenis verbonden. Ook hier is het als overal elders. Abstracties, universalia zijn er in de werkelijkheid niet. De boom, de mens, de wetenschap, de taal, de godsdienst, de theologie zijn nergens te vinden. Er zijn alleen bijzondere bomen, mensen, wetenschappen, talen en godsdiensten; zoals een taal samenhangt met een volk, zoals wetenschap en wijsbegeerte altijd in een zekere richting en school beoefend worden, zo is religie en theologie alleen te vinden en te kweken in een haar verwante gemeenschap. Een kerk is de natuurlijke bodem voor religie en theologie. Evenmin als er nu reeds de kerk is, is er ook de religie en de theologie. Er zijn slechts verschillende kerken, en zo ook verschillende theologieën. En dit zal duren, tot de gemeente in Christus haar volle wasdom heeft bereikt en allen gekomen zijn tot de eenheid des geloofs en der kennis van de Zoon Gods. Deze eenheid is niet met geweld te grijpen, maar kan het best worden bevorderd, als elk het geloof zijner eigen kerk indenkt, en op ‘t zuiverst voorstelt. Niet buiten de bestaande kerken om, maar door deze heen bereidt Christus zich zijn éne heilige, algemene gemeente. En niet buiten de verschillende kerkelijke dogmata om, maar door deze heen wordt de eenheid der kennis Gods voorbereid en verkregen. Op deze wijze zal de dogmaticus ook het best vruchtbaar kunnen werken voor de reiniging en de ontwikkeling van het religieuze leven en de belijdenis zijner kerk. Aanknoping aan het bestaande is voorwaarde tot verbetering in de toekomst. In het nu ligt wat worden zal1. Deze betekenis der kerk voor de theologie en dogmatiek is gegrond in het verband, dat Christus zelf tussen beide gelegd heeft. Hij heeft aan zijn kerk de H. Geest beloofd, die haar leiden zou in de waarheid. De dogmenhistorie komt hierdoor in een heerlijk licht te staan. Zij is de explicatie der Schrift2; de uitlegging, welke de H. Geest in de kerk van de schatten des Woords gegeven heeft. De dogmaticus heeft dus de stof voor zijn dogmatiek niet te putten alleen uit de geschreven confessie zijner eigen kerk, maar deze in samenhang te beschouwen met heel het eigenaardig geloof en leven zijner kerk, en deze wederom met de geschiedenis der ganse kerk van Christus. Hij staat dus op de schouders der voorgeslachten. Hij voelt zich omringd door een wolk van getuigen, en laat zijn getuigenis samenvloeien met die stem veler wateren. Elke dogmatiek behoort mede in te stemmen in de lofzang, die door de kerk aller eeuwen God toegebracht wordt.

1 Twesten, Vorles. über die Dogm. 2 I 46.

2 Lange, Christl. Dogm. I 3. Schoeberlein, Prinzip und System der Dogm. bl. 26.

x
This website is using cookies. Accept