Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

237. Terwijl de Luthersen het oorspronkelijk standpunt van Luther en van geheel de Reformatie meer en meer prijsgaven, zijn de Gereformeerden daaraan getrouw gebleven; de oorzaak der scheuring is dus niet bij hen te zoeken. Zwingli leerde de predestinatie zo beslist mogelijk, niet alleen op antropologische gronden maar ook vooral op theologische gronden, aan het Wezen Gods ontleend1. Calvijn sprak in de eerste uitgave van zijn Institutie nog zeer zacht en bescheiden, maar kwam door zijn studie van de brief aan de Romeinen, April 1538-1541 in Strassburg, tot steeds beslister belijdenis, zowel ten aanzien van ‘s mensen onvrijheid, als ten opzichte van de verkiezing2. Hoewel zich wachtend voor de paradoxen van Luther en Zwingli en soms de predestinatie meer onderstellend dan lerend, bv. in de Catech. Ecclesia Genev. met voorrede aan de coetus van Oostfriesland3, trad hij toch met kracht voor haar op, waar ze ontkend en bestreden werd. Hij verdedigde ze tegen Alb. Pighius van Kampen in zijn geschrift: Defensia sanae et orthadoxae doctrinae de servitute et liberatione humani arbitrii 1543. Tegen Bolsec schreef hij de eterna Dei predestinatiane 1552. Tegen Rome richtte hij zijn Acta Synodi Tridentine cum antidoto 1547. En hij rustte niet, voordat zijn leer in geheel het reformatorisch Zwitserland, bepaaldelijk in Zurich, waar Bullinger een gematigde, infralapsarische opvatting voorstond, ingang gevonden had4. Door Calvijn is de leer der predestinatie opgenomen in de belijdenis van alle Gereformeerde, kerken. Toch is er van de beginne af groot verschil geweest in de wijze van voorstelling, zowel in de confessies als onder de theologen. Afgezien van de Repetitio Anhaltina5 van 1579, de confessio Sigismundi6 van 1614, het colloquium Lipsiense7 van 1631, welke de Gereformeerde leer slechts onzuiver teruggeven, is er onder de belijdenisgeschriften een onmiskenbaar verschil. De Catechismus Genevensis van Calvijn spreekt heel niet over de predestinatie; de Heidelb. Catechismus maakt van de verkiezing maar even gewag, vr. 52,54; de Anglikaansche confessie spreekt alleen van predestinatio ad vitam en geeft haar tot object eos quos (Deus) in Christo elegit, art. 7; de Confessio Helv. II van Bultinger art. 10 en de Conf. Scotic. I art. 8 spreken ongeveer in gelijke geest; de Confessio Gallië. art. 12 en Belgica art. 18 en de Formula cons. Helv. 4-6 zijn beslist maar sober en infralapsarisch; het strengst en meest Calvinistisch laten zich uit de consensus Genevensis, de canones van Dordrecht, de Lambeth articles8 opgesteld door Dr. Whithaker 1595, de Ierse artikelen9 van 1615, en de Westminster Confessie10.

En evenzo is er groot onderscheid onder de theologen. Er waren er altijd, die de leer der predestinatie, uit vrees voor misbruik behandelden “a posteriori, van beneden op”11. Ze hielden meer van de methode, om op te klimmen uit het gevolg tot de oorzaak, uit de vrucht tot de wortel, en om uit het geloof en de bekering tot de verkiezing te besluiten en deze dan aan te wenden tot troost en verzekering, dan dat zij apriori uit de idee Gods de predestinatie en electie afleiden. Daartoe behoorden vooral Bullinger, Ursinus, Olevianus, Boquinus, Hyperius, Sohnius e.a.12. Maar dit is geen verschil in wezen en in beginsel. Al de genoemde theologen hebben meermalen duidelijk en onomwonden hun instemming met de Calvinistische leer der predestinatie betuigd13. Omgekeerd wilden ook de Calvinisten ten alle tijde soberheid en voorzichtigheid in de behandeling van dit leerstuk. Calvijn bracht ze in de Catech. Genev. niet ter sprake. De Dordtse canones I 12,14 en de Westminster confessie c. 4 par. 8 waarschuwen tegen ijdele en nieuwsgierige onderzoekingen. Vele theologen behandelden in de eerste tijd de leer der verkiezing niet in de locus de Deo maar in de locus de salute14. Zij volgden dus de orde van de apostel Paulus, die uit de leer der zonde en der genade in Rom. 9-11 tot de verkiezing opstijgt en ook in Ef. 1:3 uitgaat van de zegeningen van Christus. Maar gelijk Paulus, daar aangekomen, dan ook apriori uit de verkiezing alle heilsweldaden afleidt, Rom. 9:29v. Ef. 1:4v., zo maakte ook bij de Gereformeerden de analytische methode langzamerhand voor de synthetische plaats. Het geloofsleven was wel de voorwaarde, onder welke de belijdenis der verkiezing opkwam, maar het feit der verkiezing was toch de bron van alle heil, fundamentum ac prima causa bonorum omnium. Dit was de overtuiging niet alleen van Calvijn, maar ook van Melanchton, Hemming, Bucer, Olevianus enz.15. Musculus zegt uitdrukkelijk: wij behandelen de verkiezing na het geloof, niet alsof ze daarop eerst volgen zou, maar opdat wij van daaruit als van de stroom ad ipsum fontem zouden opzien16. De systematische orde en het theologisch belang eisten, dat de predestinatie in de locus de Deo behandeld werd. Zo was reeds geschied door de scholastiek17; zo geschiedde ten dele ook nog door de Luthersen18; en zo werd dit de gewone orde bij alle Gereformeerden19, hetzij ze dan behandeld werd bij de leer der eigenschappen Gods of ook in een afzonderlijke locus na de triniteit.

Dit verschil in orde is op zichzelf niet principiëel en behoeft dit niet te zijn. Maar toch is het niet toevallig, dat de apriorische orde meest door de Gereformeerden is gevolgd, en daarentegen de aposteriorische orde, die de predestinatie behandelt aan de ingang of in ‘t midden van de locus de salute, langzamerhand in gebruik gekomen is bij de Luthersen, de Remonstranten, de Roomsen en de meeste nieuwere dogmatici. Ook dan echter bestaat het verschil niet daarin, dat de Gereformeerden de predestinatie op speculatieve manier afleiden uit een apriorisch, wijsgerig, deterministisch Godsbegrip en de anderen zich houden aan de openbaring Gods in Christus. Want ook de strengste calvinisten willen in de locus de Deo en in die de decretis niets anders geven dan de leer der Schrift, de inhoud van Gods openbaring. Maar bij de Gereformeerden heeft de predestinatie niet alleen een antropologisch en soteriologisch, maar vooral ook een theologisch belang. Het gaat in haar niet allereerst om de zaligheid des mensen maar om de eer van God. Ook met de synthetische, apriorische orde is een diep religieus belang gemoeid. De bewering, dat deze orde een nominalistisch Godsbegrip zou onderstellen en een dor, levenloos dogma zou bieden, gelijk sommigen menen20, is daarom van alle grond ontbloot. Dor en abstract kan de leer der predestinatie behandeld worden evengoed in het midden als in het begin der dogmatiek. Waarachtig, zaligmakend geloof is er nodig, niet alleen om de verkiezing, maar ook om alle andere dogmata, ook die over God, de triniteit, de mens enz. te belijden. Gave deze overweging de doorslag, dan moesten alle dogmata na de locus de salute verplaatst worden. De dogmatiek beschrijft echter de waarheid niet, gelijk ze subjectief tot het bewustzijn der gelovigen komt, maar gelijk God ze objectief in Zijn Woord heeft voorgesteld. De synthetische methode handhaaft alleen voldoende het religieus belang van de eer van God21.

1 Zwingli, de Provid., Op. IV 79 v.

2 Calvijn, Inst. II c. 2. III c. 21 v.

3 Bij Niemeyer, Conf. Ref. 123 v. Bij Karl Müller, Die Bekenntnisschriften der ref. Kirche. Leipzig 1903 bl. 117 v.

4 Schweizer, t.a.p. I 255-292.

5 Bij Niemeyer t.a.p. bl. 638.

6 ib. 650. Karl Müller t.a.p. 835.

7 ib. 661 v. 664 v.

8 Bij Schaff, Creed of Christ. III 523. Karl Müller t.a.p. 525.

9 Bij Schaff, t.a.p. III 526. Karl Müller bl. 526.

10 Bij Karl Müller bl. 542.

11 Trigiand, Kerk. Gesch. 79. 84. 85 v. 92 v. 99.

12 Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 1-79. Gooszen in zijn beide werken over de Heid. Catech. Dr. Van ‘t Hooft, De Theol. van H. Bullinger 1888. Verg. Deel I; Inleiding; Par. 5 Geschiedenis en Literatuur van de Dogmatiek; F 54

13 Trigland, t.a.p. 59-79. Schweizer, t.a.p. I passim. II 110.

14 Calvijn, Inst. III c. 21-24. Martyr, Loci Communes 1580 bl. 229. Schnius,. Op. I 256. II 42. Musculus, Loci Comm. c. 24. Heidelb. Catech. vr. 54. Conf. Belgart. 16. Gall. art. 12 enz.

15 Verg.Heppe, Dogm. d.d. Prot. II 12. 20. 27. 70.

16 Musculus, Loci Comm. bl. 534.

17 Lombardus, Sent. I dist. 40. Thomas, S. Theol. I qu. 23.

18 Gerhard, Loc. VII.

19 Hyperius, Meth. Theol. bl. 182. Beza, Tract. Theol. I 171. III 402. Polanus, Synt. Theol. IV c. 6-10. Zanchius, Op. II 476 enz.

20 Bijv. Schneckenburger, Vergl. Darst. I 55. Doedes, Ned. Geloofsbel. 185, 203 v. De Cock, is de leer der absolute predest. uitgangspunt of resultaat van de leer der Geref. Kerk. 1868.

21 Verg. Deel I; Hoofdstuk 1; Par. 8 Principia in de Religie; C 80, Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 12 Openbaring en Natuur; 101

x
This website is using cookies. Accept