Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

240. Onder de Raad Gods is te verstaan Zijn eeuwig besluit over al wat in de tijd zijn of geschieden zal. De Schrift gaat er allerwege van uit, dat al wat is en geschiedt, realisering is van Gods gedachte en wil, en zijn voorbeeld en grondslag vindt in Gods eeuwige raad, Gen. 1, Job 28:27, Spr. 8:22, Ps. 104:24, Spr. 3:19, Jer. 10:12, 51:15, Hebr. 11:3, Ps. 33:11, Jes. 24; 46:10; Spr. 19:21, Hand. 2:23, 4:28, Ef. 1:11 enz . Het is reeds het voorrecht van de mens, om na overleg en beraad te handelen. Hij een redelijk wezen gaat aan de daad de gedachte, het voornemen vooraf. Veelmeer is dit het geval bij de Here onze God, zonder Wiens weten en willen niets in het aanzijn treden kan. Onder christenen kan er dan ook over het bestaan van zulk een raad des Heren geen verschil bestaan. Alleen het pantheïsme, dat geen eigen, van de wereld onderscheiden, leven en bewustzijn in God erkent, kan daartegen bezwaar inbrengen. Maar dit komt daardoor voor de keuze te staan, om of de logos in de wereld te loochenen en deze uit een blinde wil af te leiden, of de logos in de wereld te erkennen maar dan ook in God een bewustheid aan te nemen, die de ideeën aller dingen bevat. De Logos in de wereld onderstelt de Logos in God. Er zou geen gedachte in de schepping kunnen wezen, als deze niet geschapen was met verstand en met wijsheid. Deze gedachte des Heren, die in de schepping belichaamd wordt, is verder niet te denken als een onzeker denkbeeld, waarvan de realisering twijfelachtig blijft; zij is geen nuda prescientia, welke uit de schepselen haar inhoud ontvangt; geen plan, ontwerp, voornemen, waarvan de uitvoering verijdeld worden kan. Maar ze is beide tegelijk, een daad van Gods verstand en van Zijn wil. Daarom spreekt de Schrift van raad, van gedachten Zijns harten, Ps. 33:11, van raad van Zijn wil, Ef. 1:11, van voorbestemming en voorverordinering, Hand. 2:23, 4:28, Rom. 8:29; van voornemen, Jer. 4:28, 51:12, Rom. 8:28, Ef. 1:9,11; welbehagen, Ps. 51:20 [Ps. 51:18], Jes. 53:10, 60:10, 61:2, Mt. 11:26, Ef. 1:5,9; besluit, Gen. 41:32, 2Chron. 25:16, Job 38:10, Ps. 2:7; God spreekt en het is, Hij gebiedt en het staat, Ps. 33:9. De raad Gods is van die aard, dat Hij te zijnertijd de uitvoering noodzakelijk meebrengt. Hij is krachtdadig, Jes. 14:27, Ps. 115:3, 135:6, onveranderlijk, Jes. 46:10, Ps. 33:11, Hebr. 6:17, Jak. 1:17, onafhankelijk, Mt. 11:26, Ef. 1:9, Rom. 9:11,20,21. Toch is er tussen het besluit en de uitvoering onderscheid, evenals tussen Gods Wezen en Zijn werken naar buiten. Het besluit Gods is een opus ad intra, immanent in het Goddelijk Wezen, eeuwig en staande buiten de tijd. Wel is daartegen ingebracht, dat de eeuwigheid niet kan en niet mag gedacht worden áls een tijd vóór de tijd, en dat de raad Gods en Zijn verkiezing dus ook niet mag verstaan worden als een besluit, dat eeuwen te voren genomen werd. Deze opmerking is ook juist op zichzelf. De eeuwigheid is essentieel onderscheiden van de tijd. De raad Gods is evenmin als de generatie een daad Gods in het verleden; hij is een eeuwige daad Gods, eeuwig voltooid en eeuwig voorgaand, buiten en boven de tijd1. Hij is geen vrucht van allerlei redenering en overweging, zodat God eerst een tijd lang zonder besluit, besluiteloos, zonder wil zou geweest zijn, zoals Scaliger terecht opmerkte2. En hij is evenmin te denken als een plan, dat ergens gereed ligt en nu op uitvoering wacht. Maar de raad Gods is de eeuwig werkzame wil Gods, de willende besluitende God zelf, niet iets toevalligs in God maar als eeuwig werkzame wil met Zijn Wezen één. God kan niet als niet willende als besluiteloos gedacht worden3. Maar daarmee blijft toch de raad Gods als een opus ad intra gehandhaafd, door niets dan door God zelf bepaald, onderscheiden van de werken Gods in de tijd, Hd. 15:18, Ef. 1:4.

Inhoud en voorwerp van deze raad Gods zijn alle dingen, welke in de tijd zijn en geschieden zullen, in één woord de wereldidee, de kosmov nohtov. Deze wereldidee staat met het Wezen Gods in nauw verband, maar mag toch niet met het Wezen Gods en dus ook niet met de Zoon de Logos vereenzelvigd worden. Ze staat tot het Wezen Gods in dezelfde verhouding, als het Weltbewusstsein tot het zelfbewustzijn Gods. De zelfkennis Gods put zich in de wereld niet uit, evenmin als Zijn macht of enige van Zijn deugden. Maar wel is de wereld een geschikt instrument, om al Gods deugden op creatuurlijke wijze tot openbaring te brengen. De wereldidee is zo door God geconcipiëerd, dat zij Zijn heerlijkheid kan uitstralen en Zijn volmaaktheden naar de mate van het schepsel tot aanschouwing brengen kan. Zij is een spiegel, waarin God Zijn Beeld vertoont. Zij is de creatuurlijke reflex van Zijn aanbiddelijk Wezen; eindige, beperkte, inadequate, maar toch ware en getrouwe afdruk van Zijn zelfkennis. In betrekking tot de wereld zelf is deze raad Gods daarom beide causa efficiens en causa exemplaris. Causa efficiens, want al het creatuurlijk zijnde kan uiteraard slechts tot bestaan komen door en tengevolge van het besluit en de wil Gods. Het besluit is de baarmoeder aller dingen, Zef. 2:2. Al wat is, vindt zijn laatste, diepste grond in het welbehagen Gods, in de eudokia tou yeou. Hoger kunnen wij niet opklimmen. Waarom alle dingen zijn en zo zijn, vindt voor ons zijn laatste antwoord in het Deus voluit, in Zijn absolute soevereiniteit. Maar de raad Gods is ook causa exemplaris van al wat is en geschiedt. Wij denken de dingen, nadat en zoals ze zijn. Voor God zijn de dingen, nadat en zoals ze door Hem zijn gedacht. Gelijk Mozes de tabernakel maken moest naar de afbeelding, op de berg hem getoond, Hebr. 8:5, gelijk alle patria in hemel en aarde uit de Vader genoemd wordt, Ef. 3:15 zo is al het tijdelijke een beeld van het eeuwige, al het zijnde een afschaduwing van het gedachte, en in de diepste grond al wat is en geschiedt een weerkaatsing van het Goddelijk Wezen. Hoewel er aanmerking op gemaakt is, omdat de wereldidee niet met Gods Wezen samenvalt, kan toch het woord van Thomas in goede zin verstaan worden, Deus secundum essentiam suam est similitudo omnium rerum4.

Daarom is deze raad Gods niet anders te denken dan als een enkel, eenvoudig besluit. Op de Westminster synode was er discussie over, of men van besluit in sing. of in plur. zou spreken. De confessie gebruikt het woord alleen in het enkelvoud. En inderdaad is de wereldidee in het Goddelijk bewustzijn één eenvoudige conceptie. Gelijk Minerva geheel volwassen uit Jupiters hoofd te voorschijn komt, gelijk het genie plotseling en ineens de idee van een kunstwerk grijpt, zo is in het zelfbewustzijn Gods de wereldidee eeuwig voltooid. Maar evenals een kunstenaar zijn conceptie slechts langzamerhand uitvoeren kan, zo spreidt God de éne gedachte van Zijn raad stuksgewijze in de tijd voor de ogen van Zijn schepselen uit. De wereldidee is één; maar zich realiserende, ontplooit zij zich in al haar rijkdom in de vormen van ruimte en tijd. In schepselen en op creatuurlijke wijze, dat is buiten Zich, kan God Zijn liefde en zo al Zijn deugden niet anders openbaren dan in de vormen van lengte en breedte, van diepte en hoogte, Ef. 3:18-19. Zo alleen leren wij iets kennen van Gods veelvuldige wijsheid en van Zijn onnaspeurlijke rijkdom. Máar zo legt het éne, eenvoudige en eeuwige besluit Gods zich in de tijd voor onze ogen ook in een veelheid van dingen en gebeurtenissen uiteen, welke elk weer op een moment in het éne besluit Gods terugwijzen en ons op menselijke wijze van vele besluiten Gods doen spreken. Af te keuren is dit spraakgebruik niet, indien maar de eenheid van het besluit in God en het onverbrekelijk verband aller bijzondere besluiten vastgehouden en erkend wordt.

1 Martyr, Loci Comm. bl. 230b.

2 De Moor, Comm. I 900. M. Vitringa, Doctr. chr. rel. II 13. Heppe, Dogm. der u. ref. k. bl. 101-102.

3 Maccovius, Loci Comm. bl. 129. Mastricht, Theol. III 1, 28. Turretinus, Theol. El. IV 1,7 Examen v. h. Ontw. van Tol. VI 164-166.

4 Thomas, S. Theol. I qu. 15 art. I qu. 44 art. 3. Verg. Lombardus, Sent. I dist. 36. Polanus, Synt. bl. 268. Gomarus, Theses Theol. IX par. 28-30. Amesius, Medulla, Theol. I 7.13 v. Heidegger, Corpus Theologiae V 12. Turretinus, Theol. El. IV 1,7. Mastricht, Theol. III 1,28. De Moor, Comm. I 903.

x
This website is using cookies. Accept