Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

242. Bij de providentia generalis en specialis verheft het pelagianisme zich echter nog niet in zijn volle kracht; deze erkent het tot op zekere hoogte. Maar dan vooral treedt het bestrijdend op, wanneer de eeuwige staat der redelijke schepselen, het bijzonder besluit der predestinatie ter sprake komt. Nu is de predestinatie slechts een nadere toepassing van de raad, de providentia Gods. Evenmin als er scheiding te maken is tussen de natuurlijke en de zedelijke wereld, is er een grens aan te wijzen tussen wat betrekking heeft op de tijdelijke en wat betrekking heeft op de eeuwige staat der redelijke schepselen. Toch heeft het pelagianisme hier de predestinatie voor de prescientia ingeruild en de voorverordinering omschreven als dat besluit Gods, waarbij Hij eeuwige zaligheid of straf heeft bepaald voor hen, wiens volhardend geloof of ongeloof hij te voren had gezien. Hoe algemeen deze voorstelling nu ook in de christelijke kerk is aangenomen—zij is immers de belijdenis van alle Griekse, Roomse, Lutherse, Remonstrantsche, Anabaptistische, Methodistische christenen enz. —zij wordt toch en door de Schrift, en door de religieuze ervaring en door het theologisch denken beslist weersproken. Ten eerste leert de Schrift duidelijk en klaar, dat geloof en ongeloof, zaligheid en verderf niet maar een object is van de nuda prescientia Dei, doch bepaald van zijn wil en besluit. De prognwsiv in Rom. 8:29; 11:2; 1Petr. 1:2, cf. Hd. 2:23 is geen passief vooruit weten, geen toestand van het bewustzijn maar evenals het Hebr. edy, Hos. 13:5, Am. 3:2 enz., een aan de realisering in de historie voorafgaand zelfbepaling Gods, om tot de objecten Zijner voorkennis in een bepaalde verhouding te treden; ze staat met de proyesiv, proorismov en eklogh in het nauwste verband en is een daad Zijner eidokia. Ten tweede is de leer der Schrift, dat het geloof niet voortkomen kan uit de natuurlijke mens, 1Cor. 2:14, dat het een gave Gods is, Ef. 2:8, Phil. 1:29, 1Cor. 4:7, en dat het dus niet aan de verkiezing voorafgaat maar deze onderstelt en haar vrucht en werking is, Rom. 8:29, Ef. 1:4-5 Hd. 13:48. Ten derde is het het eenparig getuigenis van alle religieuze, christelijke ervaring, dat de zaligheid beide in objectieve en in subjectieve zin enkel en alleen Gods werk is. In de leer moge iemand pelagiaans wezen, in de praktijk van het christelijk leven, in het gebed bovenal, is ieder christen Augustiniaansch. Dan sluit hij allen roem uit en geeft God alleen de eer. Augustinus zei daarom terecht, dat het geloof der oude kerk aan Gods genade zich niet zozeer in de opuscula als in de gebeden had uitgesproken1. Ten vierde is de prescientia Dei toch van die aard, dat haar object als ontwijfelbaar zeker vooruit geweten wordt en dan is ze gelijk aan de predestinatie; indien het object echter totaal toevallig en willekeurig is, is ook de prescientia niet te handhaven. Volgens de Griekse, Roomse en Lutherse kerken, en zelfs ook volgens de Remonstranten in hun remonstrantie, die allen de predestinatie door de prescientia zoeken te ontwijken, is het getal degenen, die geloven en zalig zullen worden, even vast en zeker als volgens Augustinus en de Gereformeerden. Augustinus zei: certus est predestinatorum numerus qui neque augeri potest neque minui2. En zo wordt geleerd door Lombardus, Thomas, en alle Roomse theologen, al verschillen zij ook daarin, dat sommigen die zekerheid der uitkomst meer afleiden uit de wil, en anderen, zoals Molina e.a., meer uit het weten Gods3. De Lutherse theologen hebben later wel de predestinatie laten afhangen van de prescientia, maar toch de zekerheid en onveranderlijkheid der uitkomst nooit in twijfel getrokken4. De Schrift sprak op vele plaatsen, Dan. 12:1, Mt. 24:24, 25:34, Joh. 10:28, Ro. 8:29-30, 1Pe. 1:2-4; te duidelijk en te sterk, dan dat deze onveranderlijkheid kon ontkend worden.

Zowel formaliter als materialiter, beide naar kwantiteit en kwaliteit, staat dus het getal degenen, die zalig worden, volgens de belijdenis van alle Christelijke kerken onwrikbaar vast. Maar indien dit erkend en ingedacht wordt, is de prescientia met de providentie en predestinatie één en hetzelfde. God heeft vooruit geweten wie geloven zouden, en weet dat eeuwig en onveranderlijk. Zo zullen deze in de tijd ook zeker en onfeilbaar komen tot het geloof en tot de zaligheid. Voor vrijheid in de zin van toeval en willekeur blijft er op dit standpunt nergens enige ruimte over. De prescientia sluit de predestinatie in. Zegt men, gelijk Castellio5, dat God het toevallige juist als toevallig vooruit geweten heeft, dan valt men in de gedachtenlijn van Augustinus terug en kan men daardoor evengoed de vrijheid met de predestinatie in overeenstemming brengen. De vraag is juist, of het vrije, toevallige als zodanig zeker en onfeilbaar eeuwig geweten kan worden. Zo ja, dan heeft Augustinus gelijk en is heel de leer der prescientia onnodig. Zo neen, dan moet men verder gaan en ook de prescientia ontkennen; dan moet de uitkomst van de wereldgeschiedenis volstrekt toevallig en als zodanig onberekenbaar en onkundig blijven. Cicero heeft dit reeds ingezien en daarom ook de prescientia ontkend. Later volgden hem de Socinianen6, de Remonstranten7, Vorstius8 en vele theologen in de nieuwe tijd, die ter handhaving van de creatuurlijke vrijheid een zelfbeperking Gods in Zijn weten, willen en kunnen hebben aangenomen9.

Toch hebben de christelijke kerken deze konsekwentie niet aangedurfd. Alle belijden de providentia en de prescientia Dei. Alles geschiedt in de tijd, gelijk het eeuwig door God geweten wordt. Het eindresultaat en de daartoe leidende wegen en middelen staan in Gods prescientia vast. Zo beschouwd, is de leer der predestinatie geen belijdenis der Gereformeerde kerk alleen, geen private mening van Augustinus en Calvijn, maar een dogma der ganse christenheid. Er is verschil in de naam, waarmee ze genoemd wordt; in de wijze, waarop ze voorgesteld wordt; maar zakelijk is er overeenstemming, d.i. alle christelijke kerken en theologen belijden, dat alles is en geschiedt en uitkomt, zoals God het eeuwig weet. In die zin kon Augustinus terecht zeggen: predestinationis hujus fidem, quae contra novos haereticos nova sollicitudine defenditur, nunquam ecclesia Christi non habuit10. Alle Christelijke kerken hebben haar in de confessie in meer of mindere mate ter sprake gebracht. Ja, er kan gezegd, hetzij men Pelagiaans of Augustiniaansch denkt, de zaak waarover men denkt blijft er toch dezelfde om. De historie verandert niet. De feiten en het verband der feiten in de wereldgeschiedenis bestaan gelijk ze zijn, onafhankelijk van de valse of ware voorstelling, die wij er ons van vormen11. Het onderscheid ligt alleen hierin, dat de Gereformeerden met de Schrift in de hand en met Augustinus tot voorbeeld niet bij de tweede oorzaak zijn blijven staan, maar tot de eerste oorzaak, d.i. de wil Gods, durfden opklimmen en daarin alleen voor hun denken en leven rust hebben kunnen vinden. De leer der predestinatie heeft haar onoverwinlijke kracht en gestrengheid in de feiten der wereldhistorie, gelijk zij door Gods Woord worden verklaard als de uitvoering van Zijn eeuwige raad. Zij is zelf niet hard en streng, maar huiveringwekkend ernstig zijn de feiten, waarop zij gebouwd is12. En het Pelagianisme bevredigt daarom niet, omdat het op ieder punt van het leven en van de geschiedenis der mensheid met de ontzaglijke werkelijkheid in botsing komt. Het is een oppervlakkig vernis, dat de mens wel bedriegt maar de werkelijkheid niet verandert.

1 Augustinus, de dono persev. 23. Verg. Hodge, Syst. Theol. I 16.

2 Augustinus, de corr. et gr. 13.

3 Lombardus, Sent. I dist. 40. Thomas, S. Theol. I qu. 23 art. 6. 7, verg. qu. 24. Perrone, Prael. II 249. Pesch, Prael. theol. II 205. Jansen, Prael. theol. dogm. III 143.

4 Gerhard, Loci Theol. loc. VII par. 212 v. Quenstedt, Theol. did. pol. III 20. Hollaz, Ex. theol. bl. 641.

5 Bij Schweizer, Centraldogmen II 278.

6 Fock, Der Socin. 437 v.

7 Episcopius, Inst. theol. IV Sect. 2 c. 18.

8 Bij Scholten, L.H.K. II 492.

9 Weisse, Philos. Dogm. par. 509. Martensen, Dogm. par. 115. 116. Rothe, Theol. Ethik par. 42. Dorner, Chr. Gl. I 319 v. Von Oettingen, Luth. Dogm. II 1 bl. 251-259. Hofstede de Groot, Inst. theol. nat. ed. 3 bl, 183, verg. Scholten, L.H.K. II 490. In Engeland wordt door sommigen aan God de almacht en zelfs de schepping ontzegd, als met Zijn goedheid onverenigbaar, verg. John Mc Taggart Ellis Mc Taggart, Some dogmas of religion. London Arnold 1906 bl. 221 v.

10 Augustinus, de dono persev. c. 23. Verg. Prosper: predestinationem Dei nullus catholicus negat, bij Perrone: Prael. II 249.

11 Schweizer, Gl. der ev. ref. kirche I 73.

12 Hodge, Syst. Theol. II 349.

x
This website is using cookies. Accept