Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

246. Hieruit wordt duidelijk, in welke zin de reprobatie tot de predestinatie te rekenen is. Let men alleen op het feit, dat de raad Gods alle dingen omvat, dan is er alle recht, om van een gemina predestinatio te spreken. Ook de zonde, het ongeloof, de dood en de eeuwige straf staan onder het bestuur Gods. Niet alleen baat het feitelijk niets, of men hier liever van prescientia en permissio dan van predestinatio spreekt. Maar de Schrift getuigt in deze ook zo beslist en stellig mogelijk. Het is waar, dat zij van de verwerping als eeuwig besluit weinig gewag maakt. Des te meer echter laat ze haar als daad Gods optreden in de historie. Hij verwerpt Kaïn, Gen. 4:5, vervloekt Kanaän, Gen. 9:25, drijft Ismaël uit, Gen. 21:12, Rom. 9:7, Gal. 4:30, haat Ezau, Gen. 25:26, Mal. 1:2,3, Rom. 9:13, Hebr. 12:17, laat de Heidenen wandelen op hun eigen wegen, Hd. 14:16; zelfs binnen de kring der openbaring is er dikwijls van een verwerping door de Here van Zijn volk en van bijzondere personen sprake, Deut. 29:28, 1Sam. 15:23,26, 16:1, 2Kon. 17:20, 23:27, Ps. 53:6 [Ps. 53:5], 78:67, 89:39 [Ps. 89:38], Jer. 6:30, 14:19, 31:37, Hos. 4:6, 9:17. Maar in die negatieve verwerping treedt ook menigmaal een positieve handeling Gods op, bestaande in haat, Mal. 1:2-3, Rom. 9:13, vervloeking, Gen. 9:25, verharding en verstokking, Ex. 7:3, 4:21, 9:12, 10:20, 10:27, 11:10, 14:4, Deut. 2:30, Jos. 11:20, Ps. 105:25, 1Sam. 2:25, Joh. 12:40, Rom. 9:18, in verdwazing, 1Kon. 12:15, 2Sam. 17:14, Ps. 107:40, Job 12:24, Jes. 44:25, 1Cor. 1:19, in verblinding en verdoving, Jes. 6:9, Matth. 13:13, Mk. 4:12, Luk. 8:10, Joh. 12:40, Hd. 28:26, Rom. 11:8. Gods bestuur gaat over alle dingen en ook in de zonden der mensen heeft Hij Zijn hand. Hij zendt een leugengeest, 1Kon. 22:23, 2Kron. 18:22, port door Satan David aan, 2Sam. 24:1, 1Kron. 21:1 beproeft Job, noemt Nebucadnezar en Cyrus Zijn knechten, 2Kron. 36:22, Ezra 1:1, Jes. 44:28, 45:1, Jer. 27:6, 28:14 enz., en Assyrië de roede zijns toorns, Jes. 10:5v. Hij geeft Christus over aan Zijn vijanden, Hd. 2:23, 4:28, stelt Hem tot een val en opstanding, tot een reuk des doods en des levens, tot een oordeel en tot een steen des aanstoots, Luk. 2:34, Joh. 3:19; 9:39; 2Cor. 2:16, 1Petr. 2:8. Hij geeft de mensen over aan hun zonden, Rom. 1:24, zendt een kracht der dwaling, 2Thess. 2:11, verwekt Simeï om David te vloeken, 2Sa. 16:10, cf. Ps. 39:10 [Ps. 39:9], een Faraö om Zijn kracht te betonen, Rom. 9:17 en de blindgeborene, om Zijn heerlijkheid te openbaren, Joh. 9:3. Zeker mag in al deze werken Gods de eigen zonde des mensen niet voorbijgezien worden. In de verharding Gods verhardt de mens zichzelf, Ex. 7:13,22; 8:15; 9:35; 13:15; 2Chron. 36:13, Job 9:4, Ps. 95:8, Spr.28:14, Hebr. 3:8, 4:7 . Jezus spreekt in gelijkenissen, niet alleen opdat, maar ook omdat de ongelovigen niet zien noch horen, Mt. 13:13. God geeft de mensen aan de zonde en de leugen over, omdat zij zich dit waardig hebben gemaakt, Rom. 1:24, 2Thess. 2:11. En het is aposteriori, dat de gelovigen in de ongerechtigheden der vijanden het bestuur en de hand des Heren zien, 2Sam. 16:10, Ps. 39:10 [Ps. 39:9]. Maar desniettemin wordt in dit alles ook de wil en de mogendheid Gods openbaar. Hij betoont in dit alles zijn vrijmachtige soevereiniteit. Hij schept het goede en het kwade, het licht en de duisternis, Jes. 45:7, Am. 3:6, de goddeloze tot de dag des kwaads, Spr. 16:4, doet alles wat Hem behaagt, Ps. 115:3, handelt met de inwoners der aarde naar Zijn welgevallen, Dan. 4:35, neigt aller hart gelijk Hij wil, Spr. 16:9, 21:1, richt aller gang, Spr. 20:24, Jer. 10:23, maakt uit hetzelfde leem vaten ter ere en ter onere. Jer. 18, Rom. 9:20, ontfermt zich over die Hij wil en verhardt die Hij wil, Rom. 9:18, stelt tot ongehoorzaamheid, 1Petr. 2:8 schrijft op ten oordeel, Jud. 4, en heeft veler namen niet geschreven in het boek des levens, Op. 13:8, 17:8.

Deze veelvuldige, sterke uitspraken der Schrift worden iedere dag bevestigd in de geschiedenis der mensheid. De verdedigers der reprobatie hebben dan ook altijd een beroep gedaan op die schrikkelijke feiten, waaraan de geschiedenis zo rijk is1. Er is zoveel onredelijks in de natuur, zoveel onverdiend lijden, zoveel rampen zonder oorzaak, zo ongelijke, onbegrijpelijke lotsbedeeling, zo schreiende tegenstelling van vreugde en smart, dat voor elk die nadenkt slechts de keuze overblijft, om of met het pessimisme deze wereld te verklaren uit de blinde wil van een onzalige God, of op grond van de Heilige Schrift in het geloof te berusten in de souvereine en vrijmachtige, maar altijd toch, hoe onbegrijpelijk ook, wijze en heilige wil van Hem, die eens over deze raadselen des levens het volle licht zal doen opgaan. De al of niet aanneming van een besluit der verwerping heeft haar oorzaak dan ook niet in een kleinere of grotere mate van liefde en medelijden. Het onderscheid tussen Augustinus en Pelagius, Calvijn of Castellio, Gomarus en Arminius ligt niet daarin, dat de laatsten zoveel zachter en liever, gemoedelijker en medelijdender mensen waren. Maar het is hierin gelegen, dat geen de Schrift in haar geheel, ook in deze haar leer, hebben aanvaard; dat zij theïstisch waren en altijd wilden zijn en ook in deze ontroerende feiten des levens de wil en de hand des Heren hebben herkend; dat zij de werkelijkheid in al haar schrikkelijkheid onder de ogen hebben durven zien. Het Pelagianisme strooit bloemen op de graven, maakt van de dood een engel, ziet in de zonde een zwakheid, houdt verhandelingen over het nut der tegenspoeden, en acht deze wereld de beste, die mogelijk is. Het Calvinisme is van zulk een oppervlakkig gebazel en gebeuzel niet gediend. Het rukt zich de blinddoek van de ogen, het wil niet leven in een ingebeelde waan, het aanvaardt de ernst des levens in zijn volle diepte, het komt op voor de rechten van de Here HERE, en buigt in ootmoed en aanbidding neer voor de onbegrepen, souvereine wil van God almachtig. En daardoor blijkt het in de grond veel barmhartiger te zijn dan het Pelagianisme. Hoe diep Calvijn de ernst gevoelde van wat hij zei, blijkt uit zijn decretum horribile2. Geheel ten onrechte is dit woord hem tot een verwijt gemaakt. Het pleit niet tegen Calvijn, het pleit vóór hem. Het decretum, als leer van Calvijn, is niet horribile; maar de werkelijkheid is verschrikkelijk, die van dat besluit Gods de openbaring is, die alzo door Schrift en geschiedenis wordt geleerd, die voor ieder denkend mens, hetzij hij Pelagius of Augustinus volgt, volkomen dezelfde blijft, en die door geen waanvoorstellingen ook maar in ‘t minst kan worden teniet gedaan. En temidden van die schrikkelijke werkelijkheid brengt nu het Calvinisme niet deze oplossing maar wel deze troost aan, dat het in al wat geschiedt de wil en de hand erkent van een almachtig God, die tevens een barmhartig Vader is. Het Calvinisme geeft geen oplossing, maar doet de mens rusten in Hem, Die woont in een ontoegankelijk licht, Wiens oordelen ondoorzoekelijk, Wiens wegen onnaspeurlijk zijn. Daarin rustte Calvijn. Testis enim mihi erit Dominus, cui conscientia mea subscribet, sic me stupenda haec ipsius judicia quotidie meditari, ut nulla me plus aliquid sciendi curiositas sollicitet, nulla mihi de incomparibili ejus justitia obrepat sinistra suspicio, nulla me obmurmurandi libido prorsus titillet3. En in die ruste des gemoeds wacht hij de dag af, waarin hij zien zou van aangezicht tot aangezicht en de oplossing van deze raadselen ontvangen zou4.

1 Calvijn, Corpus Ref. XXXVII 289 v.

2 Calvijn, Inst. III 23, 7.

3 Calvijn, de eterna predest., C. R. XXXVI 316.

4 Calvijn, Inst. III 23, 2. C. R. XXXVI 366.

x
This website is using cookies. Accept