Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

255. Dienovereenkomstig leert dan ook de Heilige Schrift, dat God Drieëenig de auteur der schepping is. Tussenwezens kent de Schrift niet. De Joden dachten bij de pluralis in Gen. 1:26 aan de engelen1. De gnostieken lieten uit God een reeks van eonen uitgaan, die scheppend optraden. De Arianen maakten van de Zoon een tussenwezen tussen Schepper en schepsel in, dat, ofschoon geschapen, toch ook zelf weer schiep. In de Middeleeuwen waren velen niet ongeneigd, om de mogelijkheid ener medewerking van het schepsel bij de schepping aan te nemen. Zij kwamen daartoe, omdat in de kerk de zondenvergeving en genade-uitdeling inherent was aan het ambt, en een priester in de mis het brood veranderen kon in het lichaam van christus en dus een creator sui creatoris (Biel) werd. Vandaar dat Lombardus in de leer van de sacramenten zegt, dat God ook wel posset per aliquem creare aliqua, non per eum tanquam auctorem sed ministrum, cum quo et in quo operaretur2. Door enkelen, zoals Durandus, Suarez, Bellarminus gevolgd, werd hij toch door anderen zoals Thomas, Scotus, Bonaventura, Richard, Suarez enz. weersproken3. En hiermee stemden ook de gereformeerden overeen, die meer nog dan roomsen en Luthersen alle vermenging van Schepper en schepsel weerstonden4. De Schrift kent de schepping uitsluitend aan God toe, Gen. 1:1, Jes. 40:12v.; Jes. 44:24; 45:12; Job 9:5-10; 38:2v. Daardoor is Hij van de afgoden onderscheiden, Ps. 96:5, Jes. 37:16, Jer. 10:11,12. Scheppen is een Goddelijk werk, een daad van oneindige macht, en daarom noch in de natuur noch in de genade mededeelbaar aan enig schepsel, wat het ook zij. Maar des te eenpariger werd door de christelijke theologie het werk der schepping toegeschreven aan alle Drie Personen in de triniteit. De Schrift liet hier ook geen twijfel over. God heeft alle dingen geschapen door de Zoon, Ps. 33:6, Spr. 8:22, Joh. 1:3; 5:17; 1Cor. 8:6, Col. 1:15-17, Hebr. 1:3, en door de Geest, Gen. 1:2, Ps. 33:6, Job 26:13, 33:4, Ps. 104:30, Jes. 40:13, Luk. 1:35. En daarbij zijn Zoon en Geest niet gedacht als afhankelijke krachten maar als zelfstandige principia, als auctores, die met de Vader het werk der schepping tot stand brengen, gelijk zij met Hem ook de éne, waarachtige God zijn. In de christelijke kerk kwam deze leer der Schrift niet aanstonds tot haar recht: de Logos werd eerst te veel opgevat als een tussenwezen, dat de overgang tussen God en de wereld bewerkte; en de persoon en het werk van de Heilige Geest traden eerst nog geheel op de achtergrond. Maar Irenaeus zei toch reeds, dat God geen vreemde werktuigen behoefde bij de schepping en ook de engelen daarbij niet gebruikte, maar dat Hij Zijn eigen handen heeft, de Logos en de Heilige Geest, door wie en in wie Hij alles heeft geschapen5. Klaar werd de leer der schepping als werk der ganse triniteit ontwikkeld door Athanasius en de drie Cappadociërs in het oosten en door Augustinus in het westen. Geen schepsel, zegt Athanasius, kan poihtikon aition der schepping zijn; als de Zoon dus met de Vader de wereld schept, kan Hij geen buitengoddelijk, geschapen demiurg zijn, gelijk Arius meent, maar moet Hij de eigen Zoon des Vaders zijn, idion gennhma thv ousiav autou6. Maar waar de Logos is, daar is ook de Geest, en dus o pathr7. En nog sterker spreekt Augustinus: ab hac summe et equaliter et immutabiliter bona trinitate creata sunt omnia, zodat de ganse schepping een vestigium trinitatis is8. En zo is deze leer het gemeengoed geworden van heel de christelijke theologie9, en ook van de verschillende confessies10. Tegenspraak vond deze leer alleen bij hen, die ook het kerkelijk triniteitsdogma verwerpen en hoogstens alleen van een schepping des Vaders door de Zoon willen weten, maar in geen geval in de creatie een gemeenschappelijk werk der drie Goddelijke personen erkennen, zoals de Arianen, Socinianen, Remonstranten, Rationalisten, en in de nieuwe tijd Martensen, Van Oosterzee, en vooral Doedes11.

Beide dogmata staan en vallen ook met elkaar. De belijdenis van de Wezenseenheid der drie Personen brengt vanzelf mee, dat alle opera ad extra communia en indivisa zijn; en omgekeerd is de bestrijding van het trinitarisch werk der schepping bewijs van afwijking in de leer der triniteit. Het komt er hier slechts op aan, om met de Schrift en met de kerkvaders, zoals Athanasius, ten strengste onderscheid te maken tussen Schepper en schepsel, en voor alle gnostische vermenging zich te wachten. Indien Zoon en Geest in de Schrift optreden als zelfstandige principia, als auctores der schepping, dan zijn Zij ook het Goddelijk Wezen deelachtig; en indien Zij waarachtig God zijn, hebben Zij ook deel aan het werk der schepping. Daarentegen wikkelt zich de Ariaanse leer in onoplosbare moeilijkheden. Het is niet tegen te spreken, dat de Schrift de schepping als een werk des Vaders door de Zoon leert. Indien de Zoon nu beschouwd wordt als een Persoon buiten het Goddelijk wezen, is er recht tot de vraag: aan het scheppen van de Vader door de Zoon is geen zin te hechten: de Schrift zegt het, maar wat kan het betekenen? de Vader heeft de Zoon het scheppen opgedragen? Dan ware de Zoon de eigenlijke Schepper. Vader en Zoon hebben samen alles geschapen? maar dan is het geen scheppen door de Zoon12. De leer der triniteit doet hier het ware licht opgaan. Gelijk God één is in Wezen en onderscheiden in Personen, zo is ook het werk der schepping één en ongedeeld en toch in die eenheid rijk aan verscheidenheid. Het is een enig God, die alle dingen schept, en daarom is de wereld een eenheid, gelijk omgekeerd de eenheid der wereld de Eenheid Gods bewijst. Maar in dat éne Goddelijk Wezen zijn drie Personen, die elk in het éne werk der schepping een eigen taak vervullen. Niet in die zin, dat de schepping principaliter aan de Vader en minus principaliter aan de Zoon en de Geest toekomt, of dat de drie Personen onafhankelijk naast elkaar werken, elkanders arbeid aanvullen en drie gescheiden causae efficientes der schepping zijn; de spreekwijze van tres causae sociae bij sommige theologen vond daarom bij velen bezwaar13. Er is wel cooperatie, maar geen arbeidsverdeling. Alle dingen zijn tegelijk uit de Vader door de Zoon in de Geest. De Vader is de eerste oorzaak; van Hem gaat het initiatief uit; de schepping wordt daarom in $oeconomische zin bepaaldelijk aan Hem toegeschreven. De Zoon is niet het instrument maar de Persoonlijke Wijsheid, de Logos, door Welke alles geschapen wordt; alles rust en heeft systeem in Hem, Col. 1:17, en is tot Hem geschapen, Col. 1:16, niet als einddoel maar als Hoofd en Heer aller schepselen, Ef. 1:10. En de Heilige Geest is de Persoonlijke immanente oorzaak, waardoor alle dingen in God leven, zich bewegen en zijn, hun vorm en gestalte ontvangen en heengeleid worden tot hun bestemming14.

1 Weber, System der altsyn. pal. Theol. 170.

2 Lombardus, Sent. IV dist. 5 n. 3.

3 Thomas, S. Theol. I qu. 45 art. 3. Kleutgen, Philos. der Vorzeit II 849 v. Heinrich, Dogm. V. 89 v.

4 Voetius, Disp. I 556 v. Synopsis pur. Theol. X14. Turretinus, Theol. El. v. qu. 2. Heidegger, Corpus Theol. VI 14. Mastricht, Theol. III 5. 20. M. Vitringa, Doctr. chr. rel. II. 81-82.

5 Irenaeus, adv. haer. IV 20.

6 Athanasius, c. Ar. II 21 v.

7 Id., ad Serap. III 5.

8 Augustinus, Enchir. 10. de trin. VI 10. de civ. Dei XI 24. Conf. XIII 11.

9 Damascenus, de fide orthod. 18. Thomas, S. Theol. I qu. 45 art. 6. Luther, Art. Smalc. I 1. Calvijn, Inst. I 14,20.

10 Verg. Denzinger, Enchir. symb. n. 202. 227. 231. 232. 355. 367. 598. J.T. Müller, Die symb. B. der ev. Luth. K./3 38. 299. Niemeyer, Coll. conf. eccl. Ref. 87. 331. 341 enz.

11 Martensen, Dogm. par. 61. Van Oosterzee, Dogm. par. 56. 5. Doedes, Ned. Geloofsbel. 121 v.

12 Doedes, Ned. Geloofsbel. 128.

13 Zöckler, Gesch. der Bezieh. I 621 v. 679 v.

14 Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I 328 v. Kuyper, Het werk van de Heilige Geest. I 20 v. Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 32 De Heilige Drieëenheid; 228.

x
This website is using cookies. Accept