Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

276. Iets dergelijks geldt van de dagen zelf, waarin de aarde gevormd en toebereid is tot een woonplaats voor de mens. Ten allen tijde hebben daarover verschillende meningen bestaan; en niet ten onrechte zegt Thomas, dat in die zaken, die niet behoren tot de noodzakelijkheid des geloofs, verschillende zienswijzen vrijstaan1. Augustinus was van oordeel, dat God alles tegelijk en in één moment geschapen had, zodat de dagen, waarvan Genesis 1 spreekt, ons niet de temporale, maar alleen de causale orde doen kennen, waarin de delen van het scheppingswerk tot elkaar staan. En hij waarschuwde er tegen, om in duistere zaken zo op één bepaalde uitlegging der Heilige Schrift te staan, dat men, wanneer er later rijker licht over opging, meer schijnen zou voor eigen mening, dan voor de zin der Heilige Schrift te strijden2. Dit is bijv. geschied, als in vroeger tijd de Kopernikaansche wereldbeschouwing met Joz. 10:12 in strijd werd geacht en op grond van een onjuiste exegese verworpen werd. Maar de waarschuwing van Augustinus geldt naar links zowel als naar rechts. Enkele jaren geleden vond de bovengenoemde concordistische theorie bij velen instemming, omdat men meende daardoor overeenstemming te verkrijgen tussen het Bijbels scheppingsverhaal en de perioden der geologie. Ook tegen deze theorie echter zijn zeer ernstige bezwaren ingebracht, waarvan vooral twee de aandacht verdienen. Ten eerste zijn de geologische perioden, zoals later blijken zal, noch in orde noch in duur zo boven alle bedenking verheven, dat wij daarin met een vaststaand resultaat der wetenschap zouden te doen hebben. En ook al was dit het geval, de harmonie van de geologie met de Heilige Schrift komt door de concordistische theorie toch niet tot stand, omdat er verschillende punten van verschil blijven bestaan. De hoofdbedoeling, waarmee zij werd opgesteld en aanbevolen, nl. de overeenstemming van Schrift en natuurwetenschap, viel er toch niet door te bereiken, en daarom verloor ze hoe langer hoe meer aan betekenis en invloed. Daarbij kwam nog een tweede bezwaar, nl. dat de dagen in Genesis 1 geen perioden zijn, in welke herhaalde, dagelijkse wisselingen van licht en duisternis plaats hebben, maar dagen, die telkens door één wisseling van duisternis en licht gevormd en door avond en morgen bepaald worden. Ofschoon de corcordistische theorie desniettemin nog door velen voorgestaan wordt3, hebben anderen haar geheel laten varen, echter niet, om tot de vroeger aangenomen, historische opvatting terug te keren, maar integendeel, om tot de ideale, visionaire of ook mythische theorie door te gaan4. Hiertegen verheffen zich echter nog gewichtiger bedenkingen dan tegen de concordistische theorie. Het gevoelen van Augustinus, dat hij trouwens zelf niet voor zeker doch alleen voor mogelijk uitgaf5, ontving bij de theologen gewoonlijk wel een waarderende bespreking, maar werd toch ook vrij algemeen verworpen, omdat het de tekst der Heilige Schrift geweld scheen aan te doen. En dit geldt in veel sterker mate van de visionaire en mythische theorie. Weliswaar kan de openbaring zich bedienen van allerlei soort van literatuur, tot zelfs van de fabel toe6; maar of een gedeelte der Heilige Schrift een poëtische schildering, een gelijkenis of een fabel bevat, mag niet willekeurig door ons worden aangenomen, maar moet uit de tekst Zelf blijken. Het eerste hoofdstuk van Genesis bevat echter hoegenaamd geen grond voor de mening, dat wij daarin met een visioen of een mythe te doen zouden hebben; het draagt blijkbaar een historisch karakter, en vormt de inleiding van een Boek, dat zich van het begin tot het einde voor historie uitgeeft. Ook scheiding tussen de feiten zelf (de religieuze inhoud) en de wijze, waarop zij ingekleed zijn, is niet mogelijk; want als bijv. met Lagrange de schepping zelf voor een feit, maar de scheppingsdagen voor vorm en inkleding worden gehouden, valt daarmee tegelijk de gehele orde, waarin de schepping tot stand is gekomen, en wordt het fundament weggenomen voor de instelling der week en van de sabbat, die volgens Exod. 20:11 zeer beslist in de zesdaagse schepping en de daarna volgende rust van God is gegrond.

Al zijn de dagen van Genesis 1 dus om de genoemde redenen voor dagen te houden en niet met de perioden der geologie te vereenzelvigen, desniettemin dragen zij, gelijk heel het scheppingswerk, een buitengewoon karakter. Dat blijkt uit het volgende. Ten eerste gaat het niet aan, om, zoals boven reeds is opgemerkt, de creatio prima in Gen. 1:1 en de ongevormde toestand van de aarde in Gen. 1:2 te brengen tot de eerste dag. Want de eerste avond in Gen. 1:5 valt niet met de duisternis in Gen. 1:2 samen, trad eerst in en kon eerst intreden, nadat het licht geschapen was en een tijdlang geschenen had. Met de schepping van het licht begon dus de eerste dag; nadat dit licht een tijd lang geschenen had, werd het avond en daarna weer morgen. En toen was de eerste dag voorbij; Genesis 1 rekent de dag van morgen tot morgen. Ten tweede worden de eerste drie dagen van de creatio secunda in het Bijbels verhaal op een andere wijze gevormd en berekend, dan de volgende drie. Het wezen van dag en nacht bestaat niet in een korter of langer duur, maar in de wisseling van licht en duisternis, gelijk Gen. 1:4 en 5a [Gen. 1:4-5] duidelijk leert. Deze wisseling werd voor de eerste drie dagen niet door de zon bewerkt, welke eerst op de vierde dag is geschapen, maar kwam op een andere wijze, door de emissie en contractie van het in Gen. 1:3 geschapen licht, tot stand. Indien dit het geval is, zijn de eerste drie dagen, in weerwil van de overeenkomst, in een belangrijk opzicht aan onze dagen ongelijk en dus ongewone, kosmische dagen geweest. Ten derde is het niet onmogelijk, dat ook het tweede drietal dagen nog in dit ongewoon karakter heeft gedeeld. Want wel zijn op de vierde dag zon en maan en sterren geschapen, en laat het zich dus denken, dat het tweede drietal dagen door de rotatie der aarie ten opzichte van de zon is bepaald. Maar uit de formatie van zon en maan en sterren op de vierde dag volgt op zichzelf nog niet, dat de astronomische en tellurische verhoudingen toen dezelfde als thans zijn geweest. De Schrift zelf wijst er ons op, dat door de val en in de zondvloed ontzaglijke veranderingen hebben plaatsgehad, niet alleen in de mensen- en dierenwereld, maar ook in de aarde en de dampkring7; en de scheppingsperiode verkeerde uit de aard der zaak in geheel andere omstandigheden, dan die, welke na afloop van het scheppingswerk intraden. Ten vierde is het zeer moeilijk, om op de zesde dag ruimte te vinden voor al wat Gen. 1; 2 daarop laten geschieden, indien die dag nl. in alle opzichten aan onze dagen gelijk is geweest. Want op die dag moet vallen de schepping der dieren, Gen. 1:24-25, de formering van Adam, Gen. 1:26, 2:7, de planting van de hof, Gen. 2:8-14, de afkondiging van het proefgebod, Gen. 2:16-17, de leiding der dieren tot en hun naamgeving door Adam, Gen. 2:18-20, de slaap van Adam en de schepping van Eva, Gen. 2:21-23. Het moge niet onmogelijk zijn, dat dit alles in een tijdsbestek van enkele uren heeft plaats gehad; waarschijnlijk is het toch niet. Ten vijfde is er op iedere scheppingsdag veel meer geschied, dan de sobere woorden van Genesis ons vermoeden doen. De schepping is een reeks van ontzaglijke wonderen geweest, welke het Bijbels verhaal, verheven en eenvoudig tegelijk, ons telkens slechts met één enkele trek tekent, zonder op bijzonderheden in te gaan. Gelijk in de dekaloog één enkele zonde vele andere onder zich begrijpt, zo wordt ook in het scheppingsverhaal van iedere dag slechts het voornaamste genoemd, datgene, wat voor de mens als heer der aarde en beeld Gods het belangrijkste en nodigste is. Het natuuronderzoek leert ons dan ook allerlei schepselen kennen, waarvan in Genesis met geen woord sprake is; allerlei bestanddelen der hemellichamen, vele delfstoffen en planten, verscheidene soorten van dieren worden in Genesis niet vermeld. Zij moeten echter toch geschapen zijn, en hebben onder de scheppingswerken der zes dagen hun plaats ingenomen. Op iedere dag is het scheppingswerk zeker veel groter en rijker geweest, dan Genesis ons in zijn verheven verhaal summierlijk bericht. Om al deze redenen duidt de dag in het eerste hoofdstuk van de Bijbel de tijd aan, waarin God scheppend werkzaam was. Met iedere morgen geeft Hij aan een nieuwe wereld het aanzijn; de avond treedt in, als Hij deze tot stand heeft gebracht. De scheppingsdagen zijn werkdagen Gods. Door een zesmaal vernieuwde arbeid heeft Hij de gehele aarde toebereid en de chaos in een kosmos veranderd. Dit wordt in het sabbatsgebod ons ten voorbeeld gesteld. Gelijk voor God, treedt ook voor de mens na zesdaagse arbeid de rust in. Bij Israël was die scheppingstijd ook de grondslag voor de indeling van het kerkelijk jaar. En voor heel de wereld blijft hij type van de $aeonen dezer bedeling, die eens in de wereldsabbat, in de eeuwige rust eindigt, Hebr. 4.

1 Thomas, Sent. II dist. 2 qu. 1 art. 3.

2 In rebus obscuris atque a nostris oculis remotissimis, si qua inde scripta etiam divina legerimus, quae possint salva fide qua imbuimur alias atque alias parere sententias, in nullam earum nos praecipiti affirmatione ita projiciamus, ut si forti diligentius discussa veritas eam recte labefactaverit, corruamus; non pro sententia divinarum scripturarum, sed pro nostra ita dimicantes, ut eam velimus scripturarum esse, quae nostra est, cum potius eam quae scripturarum est, nostram esse velle debeamus. Augustinus, ad lit. I 18. Verg. Thomas, S. Theol. 1 qu. 68 art. 1.

3 B.v. Heinrich, Dogm. V 256. Kaulen, Der biblische Schöpfungsbericht, Freiburg 1902. Mannens, Theol. dogm. II 233. Bettex, in verschillende werken. Albert Gnandt, Der mos. Schöpfungsbericht in s. Verhältnis zur mod. Wissenschaft. Graz 1906 Wright, Wetensch. bijdragen tot bevestiging der Oudt. gesch. bl. 332 v. enz.

4 Bijv. Zöckler, Bew. d. Gl. 1900 bl. 32-39 en art. Schöpfung in PRE/3. Bachmann, Der Schöpfungsbericht und die Inspiration (Neue Kirchl. Zeits. Mai 1906 bl. 383-405, verg. ook ibid. Oct. 1907 bl. 743-762). Urdritz, Neue kirchl. Zeits. Oct. 1899 bl. 837-852. R. Schmid, Das naturwiss. Glaubensbekenntnis eines Theologen. Stuttgart 1906 bl. 26 v. Reinke, Die Welt als That/3 1903 bl. 481 v. Carl Holzhey, Schöpfung, Bibel und Inspiration 1902. Hummelauer t.a.p. Martin Gander, Naturwiss. u. Glaube 1906 bl. 117 enz.

5 Augustinus, de Gen. ad lit IV 28.

6 Verg. Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 13 Openbaring en Heilige Schrift; 103

7 Verg. Kuyper, De Gemene Gratie 110 v. 84 v.

x
This website is using cookies. Accept