Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

280. Met hoeveel gezag deze descendentieleer nu ook aanstonds is opgetreden, het heeft toch van de beginne af aan zeer ernstige tegenspraak gevonden, niet alleen bij theologen en filosofen1, maar ook bij allerlei natuurkundigen2; en die tegenspraak is in de loop der jaren niet verstomd, maar heeft zich steeds luider en krachtiger laten gelden. Virchow herhaalde bijna ieder jaar op de vergadering van natuurvorsers zijn protest tegen hen, die het Darwinisme uitgaven voor een vaststaand dogma. Dubois Reymond sprak in 1880 van zeven wereldraadsels, die door de natuurwetenschap niet konden worden opgelost, en schreef een paar jaren vóór zijn dood in Dec. 1896: es scheint keine andere annahme übrig, als sich dem Supranaturalismus in die Arme zu werfen3. Renan kwam in 1890 terug op de grote verwachtingen, die hij aangaande de wetenschap in vroegere jaren gekoesterd had4. Brunetière sprak in 1895 van het bankroet der wetenschap, en loochende daarmee haar ontdekkingen niet, maar trachtte wel aan te tonen, dat zij niet het enige middel was, waarmee de mens zijn lot verbeteren kon5. Romanes, die beslist Darwinist was, stierf in 1895 verzoend met het geloof der Anglikaansche kerk6. In het algemeen onderging het geestesleven tegen het einde der vorige eeuw een merkwaardige verandering; ofschoon er in de natuurwetenschap, in de cultuur, in de techniek allerlei schitterende uitkomsten verkregen waren, het hart werd er niet door bevredigd, en zo keerde men van het intellectualisme naar de mystiek, van de exacte wetenschap naar de filosofie, van het mechanisme naar het dynamisme, van de dode stof naar de levende kracht, van het atheïsme naar het pantheïsme terug. Het materialisme, bleek bij voortgezet onderzoek volkomen onhoudbaar. Het atoombegrip, waarvan het uitging, kon de toets ener logische kritiek niet doorstaan; de fysica werd genoodzaakt, om het denkbeeld ener actio in distans prijs te geven en de ganse ruimte van een wereldaether vervuld te denken; de ontdekking der röntgenstralen leidde tot een dusver nooit vermoedde deelbaarheid der materie; het monistisch denken kwam tot de erkentenis, dat ook het materialisme met zijn stof en kracht het dualisme niet overwonnen had; en het wijsgerig idealisme leerde inzien, dat ook de materie en heel de natuur ons eerst in de vorm van een voorstelling gegeven is. Al deze overwegingen baanden de weg voor het pantheïsme van Spinoza of Hegel en oefenden zulk een invloed, dat zelfs Haeckel zich daaraan niet onttrekken kon en zijn materialistisch monisme tot een nieuwe religie verhief7.

Deze verandering in de gemoedsstemming ondermijnde ook het geloof aan de waarheid van het Darwinisme. Daarbij moet echter tussen het Darwinisme in enger en ruimer zin onderscheid worden gemaakt. Het Darwinisme in ruimer zin, d.w.z. de mening, dat de hogere organismen uit de lagere zijn voortgekomen en dat de mens zich dus langzamerhand uit het dier ontwikkeld heeft, deze mening geniet thans nog even grote instemming als vroeger. Daarentegen is het Darwinisme in enger zin, dat is de eigenaardige verklaring, welke Darwin met zijn natural selection enz. van het ontstaan der soorten gaf, bij velen in discrediet gekomen of ook zelfs geheel prijsgegeven. Toch staat het Darwinisme in de een zin met dat in de andere betekenis in nauw verband. Voor Darwin zelf hing de waarheid der descendentieleer af van de mogelijkheid, om haar te verklaren8; wanneer de verklaring, die beproefd is, niet deugt, begint ook de theorie te wankelen en daalt zij tot de rang ener onderstelling af, die evenveel of even weinig recht van bestaan heeft als elke andere. Werkelijk zijn dan ook de argumenten, die tegen de leer der descendentie kunnen Worden ingebracht, van niet minder kracht en gewicht dan die, welke tegen de door Darwin gegeven verklaring gericht zijn. Ze zijn in hoofdzaak de volgende: Ten eerste is de descendentieleer tot dusver nog volkomen onmachtig gebleken, om de oorsprong des levens enigszins begrijpelijk te maken9. Men nam eerst de toevlucht tot de generatio aequivoca, d.i. tot het ontstaan van organische wezens door toevallige verbinding van anorganische stoffen. Toen de onderzoekingen van Pasteur haar onhoudbaarheid bewezen hadden, greep men de onderstelling aan, dat de protoplasmen of levenskiemen door meteoorsteen en van andere hemellichamen op de aarde waren gebracht (Helmholtz, Thomson10. Toen ook deze hypothese niet veel meer dan een inval bleek, werd de leer verkondigd, dat de cellen en levenskiemen altijd naast het anorganische hadden bestaan en dus evenals stof, kracht, beweging enz. eeuwig waren. Maar daarmee werd de ongenoegzaamheid der evolutie-theorie door de voorstanders zelf uitgesproken; wie stof, beweging, leven eeuwig maakt, lost het raadsel niet op maar wanhoopt aan de oplossing11. Vele natuurkundigen, Rindfleisch, Bunge, Neumeistert Merkel e.a. zijn daarom weer tot het vitalisme teruggekeerd.

In de tweede plaats is het Darwinisme ook niet in staat, de verdere ontwikkeling van de organische wezens te verklaren. De Schrift erkent enerzijds de waarheid, die er in de evolutie ligt, als zij planten en dieren op Gods bevel uit de aarde laat voortkomen, Gen. 1:11,20,24; maar ter andere zijde zegt ze, dat de aarde deze organische wezens alleen kon voortbrengen door een woord van Gods almacht, en dat die organische wezens van de beginne aan soortelijk onderscheiden naast elkaar bestonden; ze hebben allen hun eigen aard, Gen. 1:11,21. Daardoor is niet uitgesloten, dat binnen de soorten allerlei veranderingen kunnen plaats grijpen, en is evenmin het recht der wetenschap verkort, om de grenzen der soorten nader aan te wijzen. Zelfs is het volstrekt niet noodzakelijk, om in alle soorten, welke de botanie en zoölogie thans opnoemt, oorspronkelijke scheppingen te zien: het begrip van soort is nog lang niet scherp en duidelijk bepaald12. Maar het staat evenzeer vast, dat de wezenlijke verscheidenheid en ongelijkheid der schepselen op Gods scheppende almacht berust. Hij is het, die onderscheid maakt tussen licht en duisternis, dag en nacht, hemel en aarde, plant en dier, engel en mens13. En deze verscheidenheid en ongelijkheid der schepselen, bepaaldelijk van de organische wezens, blijft in het Darwinisme een raadsel. Als de mens van het dier was afgestamd, zou juist het grote verschil, dat tussen beide bestaat en in heel het organisme uitkomt, een onoplosbaar raadsel blijven. Het is thans wel algemeen erkend, dat de vele soorten van planten en dieren niet uit één of ook zelfs uit vier of vijf oorspronkelijke organismen afgeleid kunnen worden14; die soorten lopen morfologisch en fysiologisch veel te sterk uiteen. De natural en de sexual selection zijn ongenoegzaam, om zodanige soortveranderingen mogelijk te maken, en zijn dan ook door Darwin zelf reeds belangrijk beperkt en gewijzigd15. Bovendien, zulke overgangen uit de een soort in de andere zijn nooit, noch in ‘t verleden noch in de tegenwoordige tijd, waargenomen. Dezelfde soorten van planten en dieren, die wij nu kennen, bestonden ook vóór duizenden jaren en traden ineens in grote getale op. De overgangsvormen, welke de thans bestaande soorten nader tot elkaar zouden brengen, zijn nergens gevonden. De paleontologie bewijst geen langzaam en rechtlijnig opklimmen van de organische wezens uit het lagere tot het hogere, maar toont, dat allerlei soorten van de beginne af naast elkaar bestonden. Zulke overgangsvormen zouden echter in grote getale te vinden moeten zijn, omdat de morfologische veranderingen zo langzaam, eerst in duizenden van jaren, plaats hadden en telkens van zo geringe betekenis waren. Het laat zich niet denken, dat deze alle toevalligerwijs door catastrofen zouden zijn omgekomen; te minder, omdat al de lagere organismen tot de huidige dag toe, in weerwil van hun onvolmaaktheid en ongeschiktheid tot de strijd om het leven, naast de hogere zijn blijven voortbestaan. Daarbij komt, dat van verschillende zijden, vooral door Aug. Weismann, op goede gronden de stelling verdedigd is, dat juist verworven eigenschappen niet overerven, zodat hierover en over de herediteit in het algemeen het grootste verschil van gevoelen heerst16. Geheel in tegenspraak met Darwins theorie zijn de morfologische eigenschappen het minst en de fysiologische het meest variabel. Indien de morfologische veranderingen ook zo langzaam voortgingen en telkens zo gering van betekenis waren, konden zij in de struggle for life ook niets baten; ze waren in de tijd van overgang eerder een gebrek dan een volkomenheid. Zolang het ademen door kieuwen overging in het ademen door longen, was het eerder een beletsel dan een voordeel in de strijd om het bestaan. Om al deze redenen deed de natuurkundige, wiens wetenschap op feiten steunen moet, beter, in deze van een oordeel zich te onthouden. Het materialisme en het Darwinisme zijn beide historisch en logisch geen resultaat der experimentele wetenschap maar der filosofie. Trouwens, Darwin zegt zelf, dat vele der beschouwingen, die hij voordroeg in hoge mate bespiegelend zijn17. Hij heeft volgens Haeckel geen nieuwe feiten ontdekt, maar ze wel op eigenaardige wijze gecombineerd en geütiliseerd18. De grote verwantschap van mens en dier is altijd erkend en in het animal rationale uitgedrukt19. Maar daarmee verbond men in vroeger tijd de monistische filosofie nog niet, dat een zuivere potentie, die niets is, zoals atomen, chaos, cellen enz., toch alles worden kan.

Ten derde is bij het Darwinisme het ontstaan van de mens een onoplosbaar probleem. Positieve bewijzen voor ‘s mensen dierlijke afstamming zijn er eigenlijk niet. De ontogenie van Häckel kan na de weerlegging van Bischoff en anderen niet meer als bewijs gelden20. De argumenten, die men ontleende aan allerlei in holen gevonden mensenbeenderen en mensenschedels, het laatst in Ned. Indië, zijn beurtelings het een na het ander weer prijsgegeven21. Het onderzoek enerzijds van de anthropoïde apensoorten en anderzijds van allerlei beenderen, schedels, abnormale mensen, mikrocefalen, dwergen enz., is geëindigd met te constateren, dat het onderscheid van dier en mens wezenlijk is en altijd heeft bestaan22. Algemeen is dan ook erkend, dat geen apensoort, zoals ze thans bestaat of bestaan heeft, de stam van het menselijk geslacht kan zijn23. De sterkste verdedigers van het Darwinisme geven toe, dat er een overgangssoort moet aangenomen worden, waarvan echter het geringste spoor tot dusver niet gevonden is. Virchow zei op de vergadering van natuurvorsers in 1894: Bis jetzt is noch kein affe entdeckt worden, der als der eigentliche urvater des mensen betrachtet werden konnte, auch kein halbaffe. Diese frage steht nicht mehr im vordergrund der forschung24. Bovenal echter blijft het Darwinisme in de vierde plaats de verklaring schuldig van de mens naar zijn psychische zijde. Darwin begon met de poging, om alle geestelijke verschijnselen bij de mens, bewustzijn, taal, religie, zedelijkheid enz. uit verschijnselen af te leiden, die bij de dieren voorkwamen25, en vele anderen zijn hem daarin gevolgd. Maar ook deze pogingen zijn tot dusver niet geslaagd. Evenals het wezen van kracht en stof, de oorsprong der beweging, het ontstaan des levens, de teleologie, behoren ook het bewustzijn, de taal, de wilsvrijheid, de religie, de zedelijkheid nog tot de welträthsel, die op oplossing wachten. De gedachte, die zuiver geestelijk is, staat tot de hersenen in een gans andere verhouding dan de gal tot de lever en de urine tot de nieren. De taal is en blijft naar het woord van Max Müller de Rubicon tussen ons en het dier. De psychologische verklaring van de godsdienst is onhoudbaar. En de afleiding van de zedelijkheid uit de sociale instincten laat aan de autoriteit der zedewet, aan het categorische van de zedelijke imperatief, aan het “Sollen” van het goede, aan geweten, verantwoordelijkheid, schuldbewustzijn, berouw, wroeging, straf geen recht wedervaren. Ja, ofschoon het Darwinisme op zichzelf nog niet met het materialisme identiek is, toch beweegt het zich in die lijn, vindt het daar zijn voornaamste steun, maar bereidt alzo ook de verkering van religie en zedelijkheid voor en doodt het menselijke in de mens. Het doet er niets toe, of men al zegt, dat het beter is, een hoog ontwikkeld dier dan een gevallen mens te zijn; de leer van de dierlijke afstamming van de mens tast in de mens het Beeld Gods aan en verlaagt hem tot het beeld van orang-oetan en chimpanse. En dat Beeld Gods is op het standpunt der evolutie niet te handhaven. Het dwingt ons terug te gaan tot de creatie, gelijk de Schrift ze ons leert.

1 Verg. behalve de boven deze par. genoemde werken ook nog Ulrici, God und die Natur 1866. Id., Gott und der Mens I 1874. Ed. von Hartmann, Wahrheit und Irrthum im Darw. 1875, herdrukt in filos. des unbew. eilfte aufl. III 1904. Carneri, Sittlichkeit und Darw. Wien 1877. Weygoldt, Darw. Relig. Sittl. Leiden 1878. Steude, Christ. und Naturw. 1895 bl. 148 v. Pesch, Die grossen Welträthsel II 147-171 v. Reusch, Bibel und Natur 330 v. Otto, Natural. und relig. Weltansicht 1904 enz.

2 Agassiz, Essay on the classification 1865. Dawson, Die Natur und die Bibel, Aus d. Engl. Gütersloh 1877. Dana, (verg. Wright, Wetens. Bijdr. enz. bl. 306 Nägeli, Entstehung v. Begriff der naturhist. Art./2 1865. Id., Mech. phys. Theorie der Abstammungslehre 1883. Wigand, Der Darwinismus usw. 1874-77. Ranke, Der Mens/2 1894. G. Beck, Der Urmens 1899. Bettex, Naturstudium und Christentum/2 1896. Reinke, Die Welt als That/3 1903. Id., Die Natur und wir 1907. Dennert, Am Sterbelager des Darwinismus 1903. Id., Die Weltanschauung des modernen Naturforschers 1907. A. Dippe, Naturfilosophie 1907. Wasmann, Die moderne Biologie und die Entwicklungslehre/3 1906 enz.

3 Verg. Beweis des Glaubens Febr. 1895 bl. 77-78.

4 Renan, L’avenir de la science 1890.

5 Brunetière, La science et la religion 1895.

6 G.J. Romanes, Thoughts on religion ed. by Ch. Gore 1897.

7 Haeckel, Der Monismus als Band zw. Relig. u. Wiss./6 1893. Die Welträthsel l899 bl. 384. 439.

8 Verg. Orr, Gods Image in Man bl. 99.

9 Oskar Hertwig, Die Entw. der Biologie im 19 Jahrb. Jena 1900. Von Hartmann, Mechanismus und Vitaliamus in der mod. Biologie. Archiv. f. syst. Filos. 1903 bl. 139-178. 331-377. Otto, Die mechanist. Lebenstheorie und die Theologie, Zeits. f. Theol. u. Kirche 1903 blz. 179-213. Id., Natur. u. relig. Weltansicht 145 v. R.P. Mees, De mechan. verklaring der levensverschijnselen 1899. J. Grasset, Les limites de la biologie. Paris 1902.

10 Verg. ook Mag Gillavry, De continuïteit van het dode en het levende in de natuur. Leiden 1898.

11 In een opstel: Geist oder instinct, Neue Kirchl. Zeits. 1907 zegt Hoppe terecht: Der Darwinismus hat aufgehört die Erklärung der Entwicklungstheorie zu liefern; an seine Stelle tritt die Vergeistigung der Materie und die Entwicklung ist gerettet! ib. bl. 39.

12 Verg. Wasmann, Die moderne Biologie/2 197 v. 271.

13 Thomas, S. Theol. I qu 47.

14 Fur eine einstämmige fylogenese fehlt jeder tatsächliche Beweis, Wasmann, t.a.p. 194.

15 De leer van Darwin, dat de soorten ontstonden door allerkleinste veranderingen in een eindeloze reeks van jaren maakte bij Hugo de Vries plaats voor de theorie der plotselinge, sprongswijze mutatie, Afstammings- en Mutatieleer. Baarn 1907. Maar daarbij blijft de vraag nog onbeslist, of de alzo ontstaande nieuwe organismen soorten dan wel variëteiten zijn.

16 Oskar Hertwig, Präformation oder Epigenese. Jena 1894. A. Kuyper, Evolutie 1899.

17 Darwin, Afst. des mensen II 365.

18 Haeckel, Nat. Schöpf. 1874 bl. 25.

19 Wasmann, Instinkt und Intelligenz im Tierreich/8 1905. Wundt, Vorlesungen uber die Mensen- und Tierseele/4 1906.

20 Verg. vooral ook Oskar Hertwig, Das biogenetische Grundgesetz nach dem heutigen Stande der Biologie, Internat. Wochenschrift 1907 n. 2. 3.

21 Hubrecht, Gids Juni 1896. Evenals Virchow vroeger reeds, betoogde Dr. Bumiller van Augsburg op het anthropologencongres Sept. 1899 te Lindau, dat de pithecanthropus erectus van Dubois een gibbon was. Bew. d. Gl. 1900 bl. 80. Verg. Wasmann, Die mod. Biol. 296 v.

22 Pfaff, Schöpfungsgesch. 721, en Wasmann in zijn boven aangehaald werk.

23 Haeckel, Der Kampf um de Entwicklungsgedanken 58.

24 Bij Hettinger, Apol. III 297. Reinke, Die Entw. der Naturwiss. insbes. der Biologie usw. 1900 bl. 19. 20 zei dan ook: rückhaltlos müssen wir bekennen, dass kein einziger vollig einwurfsfreier Beweis für ihre (’ s mensen dierlijke afstamming) Richtigkeit vorliegt. Verg. ook Branco bij Wasmann, Die mod. Biol. 302 v. en Wasmann zelf 296.

25 Darwin, Afst. des mensen hoofdst. 3-4 en The expression of emotions in man and animals 1872.

x
This website is using cookies. Accept