Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

285. Over de inhoud van het Beeld Gods heerste in de christelijke kerk aanvankelijk allerlei verschil van gevoelen. Het werd nu eens gesteld in ‘s mensen lichaam, dan in zijn redelijke natuur, of in zijn wilsvrijheid, dan weer in zijn heerschappij of ook in andere zedelijke deugden zoals liefde, gerechtigheid enz1. Maar langzamerhand kwamen toch twee opvattingen duidelijk naast en tegenover elkaar te staan, die beide zich beroepen op de onderscheiding van Mlu en twmd. Sommigen nl., zoals Clemens Alexandrinus, Origenes e.a. merkten op, dat Gen. 1:26 wel zegt, dat God de mens wil scheppen naar Zijn Beeld en gelijkenis, maar dat Hij hem volgens Gen. 1:27 feitelijk alleen schept naar Zijn Beeld, d.i. met een redelijke natuur, opdat de mens nu de gelijkenis met God Zelf in de weg der gehoorzaamheid verwerven en aan het einde als loon uit Gods hand ontvangen zou2. Anderen daarentegen waren van oordeel, dat de mens met het beeld, d.i. de redelijke natuur, ook terstond de gelijkenis als gave ontving, en dat hij, deze door de zonde verloren hebbende, ze door Christus herkrijgt3. De eerste opvatting, die men de naturalistische zou kunnen noemen, vond steun in de leer der wilsvrijheid, waardoor men de heiligheid zich niet denken kon als een terstond aan de mens geschonken gave Gods, maar slechts als een door de mens zelf in de weg van zedelijke inspanning te verwerven goed4. Velen leerden dan ook, dat de mens geschapen was in een toestand, niet van positieve heiligheid maar van kinderlijke onschuld5. Op zulke uitspraken beriep zich later Felagius, als hij het wezen en de oorspronkelijke toestand des mensen stelde in zedelijke indifferentie, in niets dan formele kiesvrijheid. Het Beeld Gods bestaat alleen in de door God geschonken naturalis possibilitas perfectionis, welke onverliesbaar is en daarom nu nog het deel is van ieder mens. God schenkt het posse, maar onzer is het velle6. Later vond deze opvatting ingang bij de Socinianen, die het Beeld Gods alleen gelegen achten in de heerschappij7: bij de Wederdopers, die zeiden, dat de eerste mens als eindig aards schepsel nog niet Beeld Gods was maar het door wedergeboorte eerst worden kon8; bij de Remonstranten9, bij de Rationalisten en Supranaturalisten10, en bij vele nieuwere theologen11, die allen de status integritatis laten bestaan in een toestand van kinderlijke onschuld. Gewoonlijk houden al deze theologen nog wel vast aan de historische waarheid van zulk een oorspronkelijke toestand. Maar zakelijk komen zij in de opvatting van het Beeld Gods bij de eerste mens geheel overeen met hen, die, de idee losmakende van het feit, de werkelijkheid van de status integritatis loochenen en het Beeld Gods alleen stellen in de vrije persoonlijkheid, in de redelijke of zedelijke natuur, in de religieus-ethische aanleg, in de bestemming des mensen tot gemeenschap met God12. Ongemerkt leidt deze opvatting dan heen tot de leer der evolutie, volgens welke het wezen des mensen gelegen is, niet in wat hij was of is, maar in hetgeen hij in eindeloze ontwikkeling door eigen krachtsinspanning worden kan. Het paradijs ligt niet achter, maar vóór ons. Een ontwikkelde aap verdient de voorkeur boven een gevallen mens. Oorspronkelijk het beeld dragend van orang-oetan -en chimpanse, hief de mens langzamerhand uit een toestand van ruwe brutaliteit tot die van edele humaniteit zich op.

1 Verg. plaatsen hij Suicerus s. v. E eikwn. Petavius, de sex dier. opif. 11 c. 2. Münscher von Coelln, D. G. I 339 v. Hagenbach, D.G. par. 56.

2 Clemens, Strom. II c. 22. Origenes, de princ. III 6.

3 Irenaeus, adv. haer. V 16, 2. Athanasius, c. Ar. II 59. c. Gent. 2. de incarn 3.

4 Harnack, D.G. II 134 v.

5 Tertullianus, de an. 38. Theofilus, ad Autol. II 24. 27. Irenaeus, adv. haer. IV 38.

6 Augustinus, de gratia Chr. I 3v.

7 Fock, Der Socinianismus 484.

8 Menno Simons, Werken 125. 126. 18O. Verg, Erbkam, Gesch. der Prot. Sekten 461. Cloppenburg, Op. II 144 v.

9 Conf. Remonstr. V 5. Apol. conf. ib. Episcopius, Instit. theol. IV 3, 7. Limborch, Theol. Christ. II 24, 5.

10 Wegscheider, Inst. theol. par. 99. Bretschneider, Dogm. par. 115. 116. Reinhard, Dogm. par. 70.

11 Dorner, Gl. I 515. Lange, Dog m. II 298 v. Müller, Sünde II 457 v. Beck, Lehrw. I 186 v. Chr. Gl. II 328 v. Martensen, Dogm. 139. Kahnis, Dogm. I 432. Zöckler, Lehre v. Urstand des Mensen 1879 bl. 40 v. 333. Grétillat, Theol. syst. III 464 v. Hofstede de Groot, Gron. Gods. 89v. Doedes, Leer der Zaligheid par. 24. Ned. Geloofsbel. 145. Heid. Catech. 69 enz.

12 Kant, Relig. ed. Rosenkranz 27 v. Fichte, Die Bestimmung des Mensen 1800. Hegel, Werke XI 183 v. Schleiermacher, 91. par. 59-61. Strausz, Gl. II 72. Biedermann, Dogm. II 562. v. Lipsius, Dogm. par. 420. 440. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III/3 314. Nitzsch, Ev. Dogm. 306 v. Kaftan, Dogm. par. 39. Häring, Der Chr. Glaube bl. 248 v. Bovon, Dogm. Chrét. I 132. 139, Scholten, L. H. K. I 304 v. II 67 v.

x
This website is using cookies. Accept