Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

314. Met de onderscheiding van het materiële en het formele in de zonde is echter de vraag nog niet beantwoord, waarom God de zonde in zijn besluit en in de uitvoering daarvan heeft opgenomen. Het antwoord ligt in de voorzienigheid Gods, zoals ze ook over de zonde gaat, opgesloten. De Schrift spreekt het herhaaldelijk uit, dat God de zonde als middel gebruikt, tot straf van de goddelozen, Deut. 2:30, Jos. 11:20, Richt. 9:23-24; Joh. 12:40, Rom. 1:21-28, 2 Thess. 2:11-12, tot redding van zijn volk, Gen. 45:5, 50:20, tot beproeving en kastijding van de gelovigen, Job 1:11-12; 2 Sam. 24:1, 1 Cor. 10:13; 11:19; 2 Cor. 12:7, tot verheerlijking van zijn naam, Ex. 7:3, Spr. 16: 4, Rom. 9:17, 11:33, enz. Juist omdat God de volstrekt Heilige en Almachtige is, kan Hij de zonde gebruiken als een middel in zijn hand. Schepselen kunnen dat niet en worden bij de minste aanraking zelf bezoedeld en onrein. Maar God is zo oneindig verre van goddeloosheid, dat Hij de zonde als niets dan een willoos instrument dienstbaar maken kan aan zijn verheerlijking. Er zijn voorbeelden te over, om te bewijzen dat ook in deze het spreekwoord geldt: duo cum faciunt idem, non est idem. God wil, dat Simeï David vloekt, dat de Satan Job verzoekt, dat Joden en Heidenen zijn heilig kind Jezus overgeven aan de dood—en toch staan in al deze ongerechtigheden de schepselen schuldig en God gaat vrij uit. Want ook als Hij wil, dat het kwade er is, wil Hij dit nooit anders dan op heilige wijze; Hij gebruikt het, maar pleegt het niet. En daarom heeft Hij in zijn schepping ook de zonde toegelaten. Hij zou ze niet hebben gedoogd, indien Hij ze niet op absoluut heilige en souvereine wijze had kunnen regeren. Hij zou ze niet hebben geduld, indien Hij niet God was, de Heilige en de Almachtige. Maar omdat Hij God is, heeft Hij haar bestaan en haar macht niet gevreesd; Hij heeft ze gewild, opdat Hij in en tegenover haar zijn Goddelijke deugden aan het licht brengen zou. Indien Hij haar het bestaan niet had gegund, zou er altijd plaats zijn geweest voor de gedachte, dat Hij niet in al zijn deugden verheven was boven een macht, wier mogelijkheid met de schepping zelf gegeven was. Want alle redelijk schepsel sluit als creatuur, als eindig, beperkt, veranderlijk wezen, de mogelijkheid van afval in. Maar God heeft, omdat Hij God is, de weg van de vrijheid, de werkelijkheid van de zonde, de uitbarsting van de ongerechtigheid, de macht van Satan niet gevreesd. En zo regeert Hij altijd over de zonde, bij haar ontstaan en bij haar ontwikkeling. Hij dwingt ze niet; Hij stuit ze niet met geweld; Hij verplettert ze niet door zijn mogendheid; maar Hij laat ze tot haar volle krachtsontwikkeling komen. Hij blijft Koning en laat haar toch vrij spel in Zijn rijk; Hij gunt haar alles, Zijn wereld, Zijn schepselen, Zijn Christus zelfs, want mala sine bonis esse non possunt; Hij staat haar toe, om gebruik te maken van alwat het zijn is; Hij schenkt haar gelegenheid, om te tonen wat ze vermag, om dan toch aan het einde als Koning der koningen uit het strijdperk te treden. Want de zonde is van dien aard, dat ze omkomt door de haar geschonken vrijheid, dat ze sterft aan eigen ziekte, dat zij aan zichzelf de dood eet. Op het toppunt van haar macht wordt ze, alleen door het kruis, in haar machteloosheid in het openbaar tentoongesteld, Col. 2:151.

Daarom heeft God gewild, dat de zonde er zijn zou. Quamvis ergo ea, quae mala sunt, in quantum mala sunt, non sint bona, tamen ut non solum bona sed etiam sint et mala, bonum est. Nam nisi hoc esset bonum, ut essent et mala, nullo modo es se sinerentur ab omnipotente bono, cui procul dubio quam facile est quod vult facere, tam facile est, quod non vult esse, non sinere. Hoc nisi credamus, periclitatur ipsum nostrae confessionis initium, qua nos in Deum omnipotentem credere confitemur2. Omdat Hij wist, de zonde absoluut te kunnen beheersen, melius judicavit de malis bene facere quam mala nulla esse permittere3. Hij denkt en leidt het kwade ten goede en stelt het in dienst van zijn glorie. Augustinus bedient zich zelfs van allerlei beelden, om de zonde een plaats aan te wijzen in de orde van het geheel. Zij heeft daar dezelfde betekenis als de schaduw op een schilderij, de soloecismenl en barbarismen in de taal, de tegenstellingen in een lied4. God heeft de ordo seculorum als een pulcherrimum carmen uit enkele antitesen sanmengesteld, om de schoonheid en de harmonie van het geheel te verhoogen5. Deze beelden bevatten wel enige waarheid, maar ze geven licht aanleiding tot misverstand, ze doen de zonde al te zeer voorkomen als noodzakelijk en in het geheel van de dingen juist op haar plaats, ze offeren het bijzondere aan het algemene op en bieden daardoor ook aan wie met de zonde worstelt of onder lijden gebukt gaat, geen verzoening noch troost. Maar dit is waar, dat ook en juist in de regering van de zonde Gods deugden luisterrijk tot openbaring komen. De rijkdom van Gods genade, de diepte van zijn ontferming, de onveranderlijkheid van zijn trouw, de onkreukbaarheid van zijn rechtvaardigheid, de heerlijkheid van zijn wijsheid en macht zijn door de zonde heen te helderder in het licht getreden. Als de mens het werkverbond verbroken had, heeft Hij het zoveel betere verbond van de genade in de plaats gesteld. Toen Adam gevallen was, heeft Hij Christus gegeven als de Heer uit de hemel. Dat nu is Goddelijke grootheid, zo de zonde te regeren, dat ze nog tegen haar natuur en streven dienstbaar wordt aan de ere van zijn naam. En daarom kan de zonde, die in de wereld is, ons zo weinig het geloof in God, in zijn liefde en macht ontnemen, dat ze, wel beschouwd, veeleer in dat geloof ons bevestigt en versterkt. Si malum est, Deus est. Non ellim esset malum, sublato ordine boni, cujus privatio sit malum; hic autem ordo non esset, si Deus non esset6.

1 Von Oettingen, Luth. Dogm. II 469v.

2 Augustinus, Enchir. 96.

3 Id., Enchir. 11. 27. de civ. XXII 1. de Gen. ad litt. II 9. de Geh ad Manich. II 28.

4 Augustinus, de civ. XI 18. 23. de ord. II 11.

5 Angustinus, de civ. XI 18. de Gen. ad Manich. I 16. Erigena, de div. nat. V 35. Thomas, S. Theol. I qu. 48 art. 2. c. Gent. III 61. Leibniz, bij Pichler, Theol. des Leibniz I 264 v. enz.

6 Thomas, c. Gent. III 71.

x
This website is using cookies. Accept