Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

319. Op deze gegevens van de Schrift werd in de Christelijke kerk de leer van de erfzonde gebouwd. Van begin af aan werd een zekere samenhang erkend tussen Adams zonde en die van zijn nakomelingen1. In zoverre is de bewering, dat de leer van de erfzonde een uitvinding van Augustinus is, geheel onjuist, en kon deze zelf getuigen: non ego finxi peccatull originale, quod catholica fides credit antiquitus2. Maar toch is het waar, dat de theologie in de eerste tijd, vooral in het Oosten, de nadruk veel meer tegenover het Gnosticisme legde op de vrije wil en de persoonlijke, dadelijke zonde dan op de erfzonde uit Adam; en waar erkend wordt, dat een malum animae ex originis vitio antecedit3, wordt toch het wezen van die erfzonde niet nader bepaald en de wijze van haar verbreiding niet dieper ingedacht. Pelagius kon zich daarom met enige schijn van recht op vele voorgangers beroepen, maar hij ging toch veel verder dan zij, leerde iets wezenlijk anders en ontkende de erfzonde. Volgens Pelagius bestond het beeld van God alleen in de vrije persoonlijkheid, niet in positieve heiligheid, onsterfelijkheid enz. De overtreding van Adam heeft dat beeld van God niet aan de mens ontnomen en feitelijk in het geheel geen nadelige gevolgen gehad. Er is geen erfzonde. Alleen in zoverre heeft Adams overtreding aan zijn nakomelingen schade gedaan, als zij een kwaad voorbeeld stelde, dat, door anderen gevolgd, de zonde tot een macht in de mensheid maakte. Overerving van zonde is een manichese dwaling; zonde is geen toestand maar een daad, en draagt altijd een persoonlijk karakter; het zou met Gods rechtvaardigheid in strijd zijn, om ons vreemde zonden toe te rekenen; ook zou de voortplanting in het huwelijk ongeoorloofd zijn, als de overerving van de zonde in die weg plaats greep; bovendien kunnen gedoopte ouders de zonde niet meer voortplanten, omdat zij immers in de doop is uitgedelgd. De zonde wordt daarom niet voortgeplant door generatie, maar door imitatie. De mensen, wier zielen rein door God worden geschapen, worden nu nog in dezelfde toestand geboren, als waarin Adam zich bevond vóór de val; ziekte, lijden, dood enz. zijn geen straffen van de zonde; de mens is nog volkomen vrij, en kan uit zichzelf het goede kennen en doen, hij heeft geen genade nodig; het is mogelijk, om van alle zonden zich te onthouden, en enkele mensen hebben het inderdaad ook zo ver gebracht4.

Deze gedachten uitsprekende, deed PeIagius niet veel meer dan de voorstellingen overnemen, die reeds lang geleden door Griekse en Romeinse wijsgeren verkondigd waren en in de populaire filosofie ingang hadden gevonden. VoIgens de Joden zelfs werden de zielen nog altijd rein door God geschapen en in staat gesteId, om de in het vlees wonende begeerlijkheid tegen te staan en te overwinnen. En de dichters en denkers in de klassieke wereld spraken wel dikwijls in roerende klacht over de algemene macht van de zonde; maar, omdat zij van geen verlossing wisten, konden zij daaraan niet getrouw blijven en leerden daarnaast toch altijd weer de kracht van de mens, om zichzelf van de zonde te bevrijden en de deugd te beoefenen. Zij verkeerden in een antinomie en sloegen van het ene in het andere uiterste over. Soms schilderen zij de verdorvenheid van hun tijd met zo donkere kleuren, dat het somberste pessimisme er niets meer aan toevoegen kan; en dan weer verheerlijken zij de wereld en achten de natuur volmaakt en voor geen verbetering vatbaar. Zo duikt bij hen de tegenstelling reeds op tussen cultuur en natuur; gene mag dikwijls verkeerd zijn, deze is goed zowel in als buiten de mens. Het kwade wordt niet met ons geboren, maar wordt later door ons vrijwillig gepleegd; daarentegen zijn beginselen van de deugd in ons hart geplant, en staat zij zelf in onze macht. Sunt ingeniis nostris sellina innata virtutum, quae si adolescere liceret ipsa nos ad beatam vitam natura perducerat5. Erras, si existimas nobiscum nasci vitia, supervenerunt, ingesta sunt6. De deugd wordt niet gegeven en ontvangen, maar alleen door oefening en inspanning verkregen; wij danken er God niet voor, maar onszelf. Hoezeer de zonde dan ook algemeen verbreid mag zijn, er zijn uitzonderingen; er zijn waarlijk brave, deugdzame mensen; nemo paene sine vitio est, oi pleistoi kakoi7.

In het Pelagianisme werd deze leer van de natuurlijke goedheid van de mens vernieuwd. Ofschoon zij onder de naam van Pelagius veroordeeld werd, bleef zij toch onder een andere naam in de Christelijke kerk zich handhaven. Door haar supranaturalistische en mechanische opvatting van het beeld van God kwam de Roomse kerk tot de belijdenis, dat de homo naturalis na verlies van het donum superadditum nog waarlijk goede werken kan doen, wel niet in bovennatuurlijke, maar dan toch in natuurlijke zin8. Men behoefde het supranaturele toevoegsel maar weg te nemen, om in eens voor de ongeschonden natuur te staan. Dit geschiedde in het Humanisme, en Coornhert, die Rooms en humanist bleef tot zijn dood toe, gaf daar uiting aan, als hij zich grotelijks ergerde aan de vijfde en achtste vraag uit de Heidelberger Catechismus. Socinianen9, Wederdopers10, Rationalisten11 keerden tot ditzelfde Roomse standpunt terug; in de achttiende eeuw vooral was de verheerlijking van de natuur de mode van de dag, en Rousseau was daarvan de welsprekende tolk. Alles is goed, zoals het uit de handen van de natuur voortkomt, maar alles bederft in de handen van de mens. De natuur is altijd en overal goed, maar de cultuur is oorzaak van alle gebrek en ellende. Neem het werk van de mens weg, en alles is goed. Het dier is gelukkig in zijn natuurtoestand, maar de mens is ellendig geworden door de maatschappij. En daarom, laten wij in de opvoeding, in de godsdienst, in de moraal, in de maatschappij en de staat tot de natuur terugkeren, tot de idyllische toestand van de herders en landbouwers, tot de onschuldige en onbezorgde leefwijze van Hottentotten en Roodhuiden; dan is de deugd en het geluk in eens voor de mensheid hersteld12. De Revolutie heeft dat ideaal toen praktisch zoeken te verwezenlijken; tal van utopisten ontwierpen een geluksstaat op het papier; enkelen trachtten in de vreemde een kolonie naar deze beginselen te stichten. Maar in weerwil van al de teleurstellingen en niettegenstaande de evolutieleer een heel andere kijk op de natuurtoestand deed slaan, zijn er duizenden bij duizenden, die aan de volkomen natuurlijke goedheid van de mens geloven, die er in de opvoeding van uitgaan, en die er hun optimistische verwachtingen voor de toekomst op bouwen13.

In de theologie vond zij zelfs bij Ritschl voorspraak. Naar zijn voorstelling mogen wij niet achter de bijzondere, actuele zonden een algemeen begrip van zonde aannemen, want zulk een begrip is geheel onverstaanbaar; een passief overgeërfde toestand kan niet als zonde gedacht worden; de Schrift leert ze niet, Ps. 51:7 [Ps. 51:5] is maar een individuele belijdenis, Ef. 2:3 ziet op de vroegere dadelijke zonden van hen, die nu Christenen zijn, en Rom. 5:12 is te onduidelijk, om er iets uit af te leiden; de erfzonde zou ook alle verantwoordelijkheid wegnemen, de opvoeding onmogelijk maken, het graadonderscheid in de zonden te niet doen; elk mens was dan in de erfzonde al tot de hoogste graad van zonde gestegen en de persoonlijke, dadelijke zonden zouden daarbij haast niet meer in aanmerking komen. Neen, de zonde is geen eenheid krachtens één principe, maar een collectieve eenheid als resultaat van alle individuele handelingen en neigingen; en subject van de zonde is niet de mensheid als geslacht, wat een abstractie en slechts een herinneringsbeeld is, maar de mensheid als som van alle individuen. Niet eerst de zondige toestand en dan de daad, maar omgekeerd de zelfbepaling van de wil is de grond van alle zonden. Alleen krijgt de wil, die steeds het kwade doet, wel allengs een neiging, een habitus, en deze werkt dan weer op de wilsdaden in. En dat niet alleen, maar de zondige daden en neigingen van de mensen hebben ook op elkaar weer invloed, bevorderen en sterken elkaar. Zo ontstaat er dus in de menselijke maatschappij een “Gesetz der Sünde,” een rijk van de zonde, een gemeenschappelijke zonde, maar deze is heel iets anders dan de erfzonde en werd door Schleiermacher ten onrechte zo genoemd. Een zondeloze levensontwikkeling kan daarom ook a priori niet worden ontkend, de wil van de kinderen is niet op het kwade gericht, veeleer is er in hen een algemene neiging ten goede14.

Deze Pelagiaanse verklaring van de algemeenheid van de zonde ontmoet echter te vele en te ernstige bezwaren, dan dat zij lange tijd en bij velen ingang kan vinden. In de achttiende eeuw met haar rationalisme, individualisme en optimisme was er plaats voor. Maar de historische zin, die na de revolutie ontwaakte; het inzicht in de onberekenbare waarde van samenleving, maatschappij en staat; de organische beschouwing, die overal is doorgedrongen; de leer van de erfelijkheid bovenal, waarvan de betekenis, ook op geestelijk en zedelijk gebied, meer dan vroeger in het licht is gesteld, hebben aan de individualistische en atomistische opvatting van de mensheid en van de in haar heersende zonde een einde gemaakt. Indien iets vaststaat, dan is het wel dit, dat de zonde niet een toevallig verschijnsel is in het leven van de individuen, maar dat zij is een toestand en leefwijze van heel het menselijk geslacht, een eigenschap van de menselijke natuur. De zondige daden, die niet nu en dan voorkomen, maar alle mensen in alle leeftijden en omstandigheden eigen zijn, wijzen op een zondige hebbelijkheid terug, evenals kwade vruchten een kwaden boom onderstellen en troebel water terugwijst naar een onreine bron.

Daaruit immers wordt alleen verklaard, dat alle kinderen van van de jeugd aan een lust tot het verbodene tonen en een neiging tot allerlei kwaad. Wel hebben de Pelagianen menigmaal met beroep op Jon. 4:11, Ps. 106:38, Matt.18:3, 19:14, Luk.18:17, Joh.9:3 1Cor. 7:14 van de onschuld van de kinderen gesproken. En in relatieve zin is dat ook juist; er is onderscheid in graad tussen de zonden; in verband met leeftijd en ontwikkeling, is ook de zonde bij kinderen nog niet tot haar volle openbaring gekomen en kan zij zich nog niet zulke verschrikkelijke vormen vertonen als op latere leeftijd; maar de ervaring van alle ouders en onderwijzers leert evenzeer, dat de zaden van allerlei zonden in de bodem van het kinderlijke hart gestrooid zijn. Het zijn volstrekt niet de zinnelijke zonden, die in de prille jeugd het sterkst zich uiten, maar het zijn juist gebreken en ondeugden van geestelijke aard, die het meest op de voorgrond treden. Zelfzucht, ijdelheid, jaloersheid, liefdeloosheid, trots, list, bedrog, onwaarheid, ongehoorzaamheid, halsstarrigheid enz., dat zijn de fouten, die al spoedig bij kinderen aan de dag komen en die, indien zij niet door een wijze opvoeding beteugeld worden, met de jaren nog toenemen. En als wij zelf ons eigen leven nagaan, vinden wij de zonde zover terug, als wij ons kunnen herinneren; hoe dieper ons schuldbewustzijn afdaalt, des te meer gaat het tot de zonden van de jeugd, ja van de geboorte en ontvangenis terug, Ps. 25:7, 51:7 [Ps. 51:5]. De bovengenoemde Schriftplaatsen bieden dan ook aan de Pelagianen geen steun; zij spreken hoogstens van een relatieve onschuld, maar leren de zondeloosheid van de kinderen niet.

Voorts is de bewering, dat er mensen zonder zonde geleefd hebben of kunnen leven, van alle waarschijnlijkheid en van alle grond ontbloot. Xenophons getuigenis van Socrates15 wordt wel door niemand in absolute zin verstaan; van de vromen in Oude en Nieuwe Testament worden ons tal van zondige daden bericht; de verstgevorderden op de weg van de heiligmaking hebben in diezelfde mate hun schuld en onvolkomenheid te dieper gevoeld. En zo sterk en algemeen is de overtuiging van de zondigheid van heel het menselijk geslacht, dat, als iemand optrad met de bewering van zondeloos te zijn, wij allen dit terstond zouden toeschrijven aan gebrek aan zelfkennis, hoogmoed of krankzinnigheid16. Deze volstrekte algemeenheid van de zonde is door imitatie niet te verklaren. Zij gaat aan alle bewuste en opzettelijke wilsdaad vooraf, en is bij ons allen een toestand, lang voordat zij in daden overgaat. Dat Ritschl dit niet erkent, hangt bij hem met het nominalisme samen; hij ziet in de mensheid geen organisme, maar de som van alle individuen; zonde is geen toestand, maar bestaat alleen in wilsdaden; de dingen in het algemeen zijn of zijn in elk geval slechts kenbaar in hun werkingen. Toch blijft Ritschl zelf niet aan zijn uitgangspunt getrouw; want ofschoon hij de aangeboren zonde ontkent en de integriteit van de menselijke natuur leert, geeft hij toch evenals Pelagius aan het kwade voorbeeld en de invloed van de maatschappij zulk een macht, dat daardoor de algemeenheid van de zonde toch een feit wordt, en er zelfs een gemeenschappeIijke zonde ontstaat. Een van beide nu: deze invloeden van buiten werken slechts toevallig en dan verklaren zij niets en is de algemeenheid van de zonde een raadsel; of zij veroorzaken de algemene zondigheid feitelijk, maar dan zijn zij nog van veel erger natuur dan de Schriftuurlijke leer van de erfzonde. Voorts bestrijdt Ritschl deze leer wel daarmee, dat zij alle graden in de zonde opheft, maar dit berust op misverstand; zelf heeft hij maar twee klassen van zonden, die van onwetendheid en van definitieve boosheid, welke zeker de veelzijdigheid van het zondige leven niet omvatten. En de pogingen, om deze leer uit de Heilige Schrift te verwijderen, dragen bij al hun scherpzinnigheid toch een te gewelddadig karakter, dan dat zij geslaagd kunnen heten17.

1 Zie vele citaten bij Vossius, Hist Pelag. bl. 134v., en voorts Wiggers, Aug. und. Pelag. I 403v. Münscher- von Coelln, D. G. I. 343. 353. Schwane, D. G. II 439. Harnack, D. G. III 38. 151.

2 Augustinus, de nupt. II 12.

3 Tertullianus, de anima 41.

4 Verg. de antipelagiaanse geschriften van Augusfinus, o.a. opgenoemd en zakelijk teruggegeven bij B. B. Warfield, Two studies in the history of dogma, New-York 1897 bl. 3-139.

5 Cicero, Qu. Tusc. II 1.

6 Seneca, Ep. 96.

7 Schneider, Christl. KIänge 141v.

8 Trid. VI. can. 5. 7.

9 Fock, Der Socin. 654v.

10 Cloppenburg, Op. II 151v.

11 Wegscheider, Inst. Theol. par. 117.

12 Rousseau in zijn profession de foi du vicaire Savoyard. Gelijk hij zelf ingenomen was met de goedheid van zijn eigen hart, zo getuigde Lamartine dat zijn ziel niets dan goedheid ademde, bij Weisz, Apol. d. Christ. II 38. En ook Pierson zei, dat hij volstrekt niet geneigd was tot alle kwaad, maar wel tot veel goeds, Gids Nov. 1895 bl. 259.

13 Verg. mijn Pedag. Beginselen bl. 82 en Wijsbeg. der Openbaring bl. 240.

14 Verg. Deel III; Hoofdstuk 6; Par. 41 De Oorsprong van de Zonde; 310, en ook nog Ritschl, Unterricht in der chr. Rel. 1886 bl. 25. Clemen, t.a.p. I 256.

15 Xenophon, Memor. II, 11. IV 8, 11,

16 Müller, Sünde II 370.

17 Verg. Pfleiderer, Die Ritsch’sche Theologie, in Jahrb. f. prot. Theol. 1889. Dorner, Chr. Gl. II 149. Orr, The Ritschlian Theology. London 1897 bl. 145.

x
This website is using cookies. Accept