Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

321. Op dit probleem had Paulus echter, door de tegenstelling van Christus geleerd, ten antwoord gegeven, dat door de misdaad van één de zonde en de dood in de wereld gekomen en tot alle mensen doorgegaan was. Langzaam ging in de Christelijke theologie voor deze diepe leer het bewustzijn open1. Irenaeus zei: in primo quidem Adam (Deum) offendimus, non facientes ejus praeceptum, in secundo autem Adam reconciliati sumus, obedientes us que ad mortem facti2. Tertullianus sprak van een malum animae, dat ex originis vitio tot ons gekomen en uit Adams val is af te leiden; omnis anima eo usque in Adam censetur, donec in Christo recenseatur, tamdiu immunda, quamdiu recenseatur3. Het sterkst spreekt Ambrosius, die meer dan anderen vóór hem op het schuldig karakter van alle zonde en op de zondigen toestand, waarin wij geboren worden de nadruk legt en deze tot de val van Adam terugleidt: fuit Adam et in illo fuimus omnes, periit Adam et in illo omnes perierunt4. Maar toch was het vooral Augustinus, die de gedachte van Paulus aangreep en verder ontwikkelde; telkens doet hij, vooral in zijn beide geschriften tegen Julianus, een beroep op Rom. 5:12, 1 Cor. 15:22, Ef. 2:3; voorts haalt hij Cyprianus, Hilarius, Ambrosius, Gregorius Naz., Chrysostomus e.a., tot verdediging van zijn gevoelen aan; dan ziet hij ook in de praktijk van de kinderdoop een krachtig bewijs voor zijn leer van de erfzonde; en eindelijk wijst hij erop, dat de schrikkelijke ellende van het menselijk geslacht niet anders dan als een straf op de zonde te verkIaren is. Hoe kan God, die toch goed en rechtvaardig is, alle mensen van hun ontvangenis af aan onderwerpen aan zonde en dood, als zij volkomen onschuldig zijn? Er moet op allen rusten een oorspronkelijke schuld; het grave jugum, dat alle kinderen van Adam drukt, is anders niet te begrijpen; wie de ellenden van het menselijk leven nagaat, van het eerste schreien van de kinderen af tot de laatste zuchten van de stervenden toe, moet met Paulus tot de erkentenis komen van een originale peccatum. Quoniam Dei non est iniquum judicium, ideo in miseria generis humani, quae incipit a fletibus parvulorum, agnoscendum est originale peccatum5.

De zonde van Adam moet daarom opgevat worden als een daad van hem en van al zijn nakomelingen. Adam was niet een privaat persoon, niet een individu naast anderen, maar alle mensen waren in hem begrepen. De wijze hiervan wordt bij Augustinus niet volkomen duidelijk: omdat hij bij de vraag naar de oorsprong van de ziel van een keuze tussen traducianisme en creatianisme zich onthield, laat hij er zich ook hier niet beslist over uit, of het begrepen zijn van het menselijk geslacht in Adam alleen realistisch of ook foederalistisch te denken is. Enerzijds zegt hij telkens, dat allen in Adams lendenen waren, zoals de Israëlieten in die van Abraham, dat Adam geen betere kon voortbrengen dan hijzelf was, dat Adams zonde door propagatie en niet door imitatie wordt overgeplant, dat de zonde van Adam ons deel wordt door geboorte op dezelfde wijze als de gerechtigheid en het leven van Christus door wedergeboorte6. Maar anderzijds is toch het feit van betekenis, dat hij het traducianisme van Tertullianus niet aanvaardt, en dat hij telkens zo sterk mogelijk uitspreekt, dat allen in Adam waren en in hem zondigden; omnes ille unus homo fuerunt, omnes fuimus in illo uno7. De erfzonde is daarin van dadelijke zonden onderscheiden, dat zij niet persoonlijk door ons bedreven werd; maar zij is toch zonde, omdat zij in zekere zin weer onze daad was. Zij is beide, een vreemde en een eigen zonde; aliena enim (sunt peccata originalia), quia non ea in sua vita quisque commisit; nostra vero, quia fuit Adam et in illo fuimus omnes8; zij is zelfs een peccatum voluntarium, quia ex primi hominis mala voluntate contractum, factum est quodam modo haereditarium9. De zondige toestand, waarin wij ontvangen en geboren worden, is een gevolg en straf van onze overtreding in Adam; God straft menigmaal zonde met zonde10. Deze erfzonde bestaat feitelijk in de concupiscentia. Soms neemt Augustinus dit woord in ruime zin en zegt hij, dat de overgeërfde zondigheid niet alleen in de geslachtslust zetelt, maar in quocunque corporis sensu cognosci; dat de carnalis concupiscentia ook in de ziel haar zetel heeft, dat de erfzonde geen substantie is maar een affectionalis qualitas, een vitium, languor, morbus, substantiae accidens11. Maar toch denkt hij bij de concupiscentia allereerst aan de geslachtslust; in de zelfstandige, van de wil onafhankelijke motus genitalium komt vooral de verdorvenheid van de natuur uit, en de schaamte strekt daarvoor ten bewijze; door de geslachtsdrift plant dan ook de zonde zich voort en maakt heel de mensheid tot een massa corrupta, die onderworpen is aan de misera necessitas non posse non peccandi12. Deze concupiscentia heet beter peccatum originale quam naturale, omdat zij niet van Goddelijke, maar van menselijke oorsprong is; zij is zonde, quia peccato facta est appetitque peccare, en maakt de mens originaliter reum13. Ongedoopt stervende kinderen gaan om haar verloren; en wanneer haar schuld in de doop wordt weggenomen, blijft zij zelf toch over als prikkel voor de strijd, reatus ejus regeneratione solutus est, conflictus ejus ad agonem relictus est14.

Scholastiek en Roomse theologie bouwden op deze grondslag voort, maar brachten in de voorstelling van Augustinus toch een niet onbelangrijke wijziging aan. Behouden bleef de gedachte, dat Adams overtreding de oorzaak was van de zonde en dood van iedere mens. De erfzonde bestaat allereerst in de toerekening aan alle mensen van die overtreding, welke Adam beging, omdat zij allen in hem begrepen waren; zij is in de eerste plaats schuld, daarna straf. De Schrift sprak dit dan ook duidelijk uit, en de kerk nam het op in haar belijdenis15. Pighius en Catharinus gingen zelfs zover, dat zij in deze toerekening van Adams overtreding geheel de erfzonde lieten opgaan en al wat daarop volgde, verlies van de oorspronkelijke gerechtigheid, bederf van de natuur enz., alleen als straf, maar niet als zonde wilden opvatten16. Maar ongetwijfeld spraken deze theologen daarmee een gedachte uit, die uit de ontwikkeling van het leerstuk van de erfzonde in de Roomse theologie voortvloeide. Er kwam nl. spoedig verschil over het karakter van die zedelijke toestand, welke na Adams ongehoorzaamheid bij hem en bij al zijn nakomelingen was ingetreden. Bij Augustinus bestond deze in de concupiscentia, die dan in de geslachtsdrift haar voornaamste zetel en orgaan had. Hierbij bleef Lombardus nog staan17. Maar langzamerhand kwam de leer van het donum superadditum op, dat aan Adam geschonken, maar door zijn val verloren werd. Het eerste gevolg van Adams overtreding was dus voor hem en alle mensen het verlies van de gratia supernaturalis (justitia originalis); dit was het eerste, negatieve element in de erfzonde, waar dan het tweede, positieve, nl. de concupiscentia, nog bijkwam. Zo omschreef Anselmus de erfzonde reeds18, en werd daarin door Halesius, Bonaventura, Albertus, Thomas gevolgd. De erfzonde bestond dus in privatio originalis justitiae en in quaedam inordinata naturae dispositio (concupiscentia)19. Maar bij verder nadenken moest over deze laatste weer verschil ontstaan.

Immers, het beeld Gods werd langzamenrhand opgevat als een donum supernaturale; er was dus ook een mens denkbaar en bestaanbaar zonder dat beeld en toch zonder zonde, een homo naturalis; in zulk een mens zouden echter vlees en geest toch uiteraard tegenover elkaar staan en met elkaar strijd voeren; d.i. de concupiscentia, de begeerlijkheid van het vlees tegen de geest, is van nature, noodzakelijk, door schepping eigen aan de mens en kan dus op zichzelf geen zonde zijn. Het beeld van God was nu wel aan Adam geschonken tot een remedium en frenum, maar toen hij dit verloor, kwam de strijd van vlees en geest vanzelf weer op; deze lag in zijn natuur, was wel onderdrukt, maar werd nu weer vrij. De concupiscentia is een morbus seu languor naturae humanae, qui ex conditione materiae oriebatur20; zij kan op zichzelf geen zonde zijn, en dus ook geen deel uitmaken van de erfzonde. De Roomse leer van het donum superadditum wreekt zich hier op bedenkelijke wijze bij de erfzonde. Het is historisch aan te wijzen, hoe daarom allengs in de Roomse theologie het zwaartepunt in de leer van de erfzonde uit de concupiscentia in de privatio justitiae originalis, uit het positieve in het negatieve is verlegd. Augustinus omschreef heel de erfzonde door concupiscentia; de scholastici namen daarbij op het verlies van de oorspronkelijke gerechtigheid, maar handhaafden toch nog de erfzonde in positieve zin als een inordinata dispositio, languor naturae, habitus corruptus21. Trente liet zich zeer voorzichtig uit; het zegt, dat Adam niet alleen de gerechtigheid verloren heeft, maar ook naar lichaam en ziel in deterius veranderd is; dat hij, nadat hij verontreinigd was, niet alleen de dood en de straffen van het lichaam, maar ook vooral de zonde over zijn nakomelingen heeft uitgestort; dat de zonde van Adam niet door navolgingt maar door voortplanting aan ieder eigen is, inest unicuique propriumt en alleen door Christus’ verdienste in de doop kan worden weggenomen22. Maar de Synode onthield zich met opzet van engere bepalingen23, de aard van deze zonde werd niet nader omschreven; de woorden in deterius zeggen weinig; de concupiscentia, die in de gedoopten overblijft, is zelf geen zonde, maar is alleen ex peccato et ad peccatum inclinat, de vrije wil is niet verloren maar verzwakt, en kan ook vóór het geloof goede werken doen. Alles samengenomen, is niet in te zien, waarin, afgezien van de toerekening van Adams overtreding en het verlies van de oorsponkelijke gerechtigheid, de erfzonde verder nog zou kunnen bestaan. Er blijft niets voor haar over.

Na Trente werd dan ook uitdrukkelijk de mening van Lombardus bestreden, later nog omhelsd door Henricus, Gregorius Arim., Driedo, dat de erfzonde formaliter of materialiter in concupiscentia, in een positieve qualit as zou bestaan24. Met beroep op Thomas, Bonaventura, Scotus enz. werd de erfzonde alleen gesteld in het verlies van de justitia originalis; Bellarminus sprak het open en duidelijk uit: non magis differt status hominis post lapsum Adae astatu ejusdem in puris naturalibus, quam differat spoliatus a nudo, neque deterior est humana natura, si culpam originalem detrahas, neque magis infirmitate et ignorantia laborat, quam esset et laborasset in puris naturalibus condita. Proinde corruptio naturae non ex alicujus doni naturalis carentia neque ex alicujus malae qualitatis accessu sed ex sola doni supernaturalis ob Adae peccatum amissione profluxit25. De toestand, waarin de mens na de val geboren wordt, is volkomen gelijk aan die van Adam vóór de val zonder het donum supperadditum. Van een corruptio of vulneratio naturae kan er alleen in zover gesproken worden, als deze toestand er niet behoorde te zijn, omdat Adam het donum superadditum ontving en dat verloor; het verlies ervan is schuld. Maar zakelijk is die toestand niet verkeerd, hij is nackte Natürlichkeit; de erfzonde bestaat in niets anders dan reductio ad statum mere naturalem; supernaturalia amissa, naturalia integra; in de doop wordt dit verlies door de gratia infusa hersteld; na de dood wordt de erfzonde alleen met poena damni gestraft. Sommigen trachten nog wel een corruptio naturae vast te houden, maar de supranaturalistische opvatting van het Christendom maakt dit onmogelijk26. Alleen is er nog verschil over, of de toerekening van Adams zonde, die het verlies van het donum superadditum voor al zijn nakomelingen ten gevolge had, berust op een nexus physicus dan wel op een nexus moralis (foederalis). Sommigen zeggen, dat alle mensen wel niet formaliter, maar toch causaliter, materialiter, seminaliter in Adam begrepen waren; anderen menen de toerekening niet anders te kunnen verklaren dan door aan te nemen, dat Adam niet alleen onze stamvader, maar ook ons hoofd en onze vertegenwoordiger was; nog anderen verbinden beide voorstellingen met elkaar27.

1 Verg. Schwane, D. G. II2 439v. 480v.

2 Irenaeus, adv. haer. V 16, 3.

3 Tertullianus, de an. 40. 41. Cyprianus, de op. et eleem. 1. ep. 64, 5.

4 Harnach, D. G. III 45.

5 Augustinus, Opus imperf. c. Jul. II 77 en zoo passim I 25. 49. II 107. III 44. 202. VI 17. 28 enz.

6 De civ. Dei XIII 3. Op. imp. c. Jul. I 48 enz.

7 De pecc. mer. et. rem. I 10. de civ. XIII 14.

8 Op. imp. c. Jul. III 25. I 48-57.

9 Retract. I 13. c. Jul. III 5. de nupt. et. conc. II 28.

10 Op. imp. c. Jul. I 47. VI 17. c. Jul. V 3. de nat. et gr. 22. Verg. B. B. Warfield, Two studies in the history of doctrine bl. 128.

11 Op. imp. c. Jul. IV 28. V 7. VI 7. de nupt. et conc. I 24. 25 II 34. Conf. VII 12 enz.

12 Zo telkens in zijn geschrift de nupt. et conc. Verg. Harnack, D. G. III 190v. Wiggers, Aug. und Pelag. I 107v.

13 Op. imp. c. Jul. I 71.v. 9. c. Jul. VI 5.

14 Op. imp. c. Jul. 171, 101. c. Jul. VI 5. de pecc. mer. et rem. II 4 Verg. Gangauf, Die metaph. Psych. d. h. Aug. bl. 420v.

15 Conc. Milev. can. 2. Conc. Araus. c. 2. Trid. V2. Cat. Rom. 13, 2.

16 Bij Bellarminus, de amiss. gr. et statu pecc. V 16.

17 Lombardus, Sent. II dist. 30. 31.

18 Anselmus, de casu diaboli 27.

19 Thomas, S. Theol. II 1 qu. 82 art. 1. Verg. verder Schwane, D. G. III 393-413.

20 Verg. deel N586.

21 Thomas, S. Theol. II 1 qu. 82 art. 1.

22 Conc. Trid. sess.v. VI.

23 Möhler, Symb. 57.

24 Bellarminus, de amiss. gr. et statu pecc. V 15. Becanus, Theol. schol. de pecc. orig. qu. 3. 4. Theol. Wirceb. VII 84-94. Verg. ook J. H. Busch, Das Wesen der Erbsünde nach Bellarmin und Suarez. Paderborn 1909.

25 Bellarminus, de gratia primi hominis 5.

26 Bajus en Jansenius beproefden wel aan een strengere opvatting van de erfzonde ingang te verschaffen, maar hun stellingen verden door Rome verworpen, H. Denzinger, Enchir. Symb. et defin. n. 881v. 966v.

27 Vergelijk, behalve de boven reeds genoemde literatuur, Schwane, D. G. in der neueren Zeit 1890 bl. 166-198. Dens, Theol. I 356v. Schwetz, Theol. cath. II 163-177. Simar, Dogm. 351-367. Pesch, Prael. theol. III 111-152. Jansen, Theol. Dogm. II 495v. Mannens, Theol. dogm. II 336v. Bensdorp, in de Katholiek CX bl. 39v.

x
This website is using cookies. Accept