Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

326. De erfzonde is een eigenschap van de menselijke natuur en daarom eigen aan alle schepselen, die deze natuur deelachtig zijn. In Adamo persona corrumpit naturam, in aliis hominibus natura corrumpit personam1. De Pelagiaanse bewering, dat er mensen zijn of althans kunnen zijn zonder enige zonde, wordt door de Schrift, door de ervaring, door de getuigenissen van alle godsdiensten en volken weersproken. Op de regel, dat ieder mens een zondaar is, is maar één uitzondering, nl. Christus, maar Hij was dan ook de eniggeboren Zoon van God, de tweede Adam, hoofd van een ander en beter verbond, en op bijzondere wijze ontvangen van de Heilige Geest. De Roomsen maken echter ook nog een uitzondering voor Maria, de moeder van Jezus. De drie privileges, in de Roomse theologie allengs aan Maria toegekend, nl. de vrijheid van de erfzonde (immaculata conceptio), de vrijheid van alle dadelijke zonde (perfectio justitiae) en de vrijheid van de dood (assumptio in coelum) zijn eenvoudig gevolgtrekkingen uit de hoge rang van middelares, waartoe zij op grond van haar virginitas en deipartus door de kerk verheven werd. Ten aanzien van de onbevlekte ontvangenis stelde Pius IX in de bul Ineffablis van 10 Dec. 1854 vast, beatissimam virginem Mariam in primo instanti conceptionis suae fuisse singulari omnipotentis Dei gratia et privilegio, intuitu meritorum Christi Jesu Salvatoris humani generis, ab omni originalis culpae labe praeservatam immunem. Er ligt hier niet in opgesloten, dat Maria niet onder Adam begrepen en in hem gevallen zou zijn, want Maria werd alleen vrij van de erfzonde bewaard door een bijzondere genade Gods en met het oog op Christus’ verdiensten. Maar er wordt ook niet uitgesproken, dat Maria eerst in zonden ontvangen en daarna terstond geheiligd werd, want er wordt uitdrukkelijk verklaard, dat zij in het allereerste moment van haar ontvangenis vrij van erfzonde is bewaard.

Voor dit dogma is echter in de Schrift niet de zwakste grond aanwezig. Thomas zei ronduit, quod de sanctificatione B. Mariae, quod scilicet fuerit sanctificata in utero, nihil in Scripture canonica traditur2. De Roomse theologen zijn hiermede dan ook in niet geringe verlegenheid, zoeken allerlei redenen, om deze “verborgenheid van Maria” in de Schrift te verklaren, en dwingen de vreemdste teksten tot een schijn van bewijs. Zo beroepen zij zich op Gen. 3:15, Ps. 45:11v., Hoogl. 1:8-16; 2:2; 3:6; 4:1v.; Hoogl. 6:9, Wijsh. 1:4, Luk. 1:28, 41, 48, Op. 12 en op typen als de ark van Noach, de duif met de olijftak, het brandende doornbos3 enz.; maar al deze aanhalingen en redeneringen dienen slechts om hun armoede aan argumenten te bedekken en hebben geen weerlegging nodig. Veeleer leert de Schrift beslist, dat alle mensen, behalve Christus alleen, zondaren zijn; voor Maria wordt nooit een uitzondering gemaakt; al staan er geen bepaalde zondige woorden of daden van haar opgetekend, ook niet in Mark. 3:21, Joh. 2:3, toch verheugt zij zich in God haar Zaligmaker, Luk. 1:47, wordt zij wel om haar moederschap van Christus, maar nooit om haar zondeloosheid zalig gesproken, Luk. 1:28, 48, wordt ook in dit moederschap op zichzelf achtergesteld bij wie Jezus’ moeder en broeders en zusters zijn in geestelijke zin, Matt. 12:46v., Mark. 3:31v., Luk. 8:21, en volhardt met de apostelen in bidden en smeken, Hand. 1:14. Ook de kerkvaders leren noch de onbevlekte ontvangenis noch ook de zondeloosheid van Maria; Irenaeus, Tertullianus, Origenes enz. spreken bij haar van dadelijke overtredingen4; en zelfs Roomse godgeleerden kunnen dit niet loochenen. Dr. von Lehner zegt, dat dit de toenmaals heersende beschouwing was5; Schwane erkent, dat de traditie uit die tijd evenmin stringente bewijzen levert als de Heilige Schrift6, en Scheeben stemt toe, dat de persoon van Maria in de eerste vier eeuwen op de achtergrond treedt en in relatieve Dunkelheit verkeert7. Hoogstens werd alleen propter honorem Domini geloofd, dat Maria door bijzondere genade vrij van dadelijke zonden was gebleven8. Zelfs toen sedert de vijfde eeuw de verering van Maria hoe langer hoe meer toenam en later nog het feest van haar ontvangenis opkwam, leerden de voornaamste theologen—zoals Canus, Scheeben ea. ook erkennen9 —wel een sanctificatio B. Virginis post animationem et contractionem peccati in anima, maar bestreden een praeservatio, die a priori Maria van alle erfzonde vrijhield10. Maar Duns Scotus bracht hierin wijziging; hij betoogde dat, al was Maria ook in Adam begrepen, God haar toch wel in het allereerste ogenblik van haar ontvangenis de gratia schenken kon, die van alle zonde haar vrijhield. En omdat dit Gode, Christus en Maria waardiger en met het gezag van de Schrift en van de kerk niet in strijd was, achtte hij het probabile, quod excellentius est attribuere Mariae11. En daarmee is ook de grond aangegeven, waarop bij Rome dit dogma rust. Het heeft geen steun in de Schrift noch in de traditie van de oude kerk, maar het is, evenals de hemelvaart van Maria, eenvoudig een gevolgtrekking uit het middelaarschap, dat haar allengs toegekend werd. Het is niet passend, niet “conveniens,” dat Maria in zonde ontvangen is, zonde gedaan heeft en gestorven is. Zij moet zondeloos zijn, en daarom is zij het, al wordt het door Schrift noch traditie geleerd12.

1 Thomas, S. Theol. III qu. 8 art. 5. qu. 69 art. 3.

2 Thomas, S. Theol. III qu. 27 art. 1.

3 Verg. bijv. Spencer Northcote, Maria in den Evang. Mainz 1889. Schaefer, Die Gottesmutter in der h. Schrift. Münster 1867. Scheeben, Dogm. III 455-472.

4 Irenaeus, adv. haer. III 16, 7. Tertullianus, de carne Chr. 7. Origenes, hom. in Luc. 17. Erust Lucius, Die Anfänge des Heiligenkults in der Chr. Kirche, na zijn dood uitgegeven door Gustav Anrich, Tub. Mohr 1904, geeft bl. 420-504 een breedvoerig overzicht van de wijze, waarop de verering van Maria is opgekomen en toegenomen.

5 Dr. von Lehner, Die Marienverehrung der ersten Jahrh. Stuttgart 1881 bl. 151.

6 Schwane, D. G. I2 382.

7 Scheeben, Dogm. III 474. 476.

8 Augustinus, de nat. et gr. 36. Damascenus, de fide orthad. IV 14.

9 Canus, Loc. VII c. 1. Scheeben, Dogm. III 541v.

10 Anselmus, Cur Deus homo II 16. Lombardus, Thomas, Bonaventura op Sent. III dist. 3. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 81 art. 3. III qu. 27 art. 1. 2. Comp. Theol. c. 224.

11 Duns Scotus, Sent. III dist. 3 qu. 1.

12 Verg. Preuss, Die röm. Lehrev.d. unbefleckten Empfängniss 1865. Benrath, Zur Gesch. der Mariaverehrung, Stud. u. Krit. 1886. Hase, Handbuch der prot. Polemik5 1891 bl. 379v. Tschackert, Evang. Polemik gegen die röm. Kirche 1885 bl. 118v. Zöckler, art. Maria in PRE3 XIII 309-336. J. B. Mayor, Art. Mary in Hastings, D. B. III 286-293. Bolland, Rome en de geschiedenis. Leiden 1897 bl. 1-53.

x
This website is using cookies. Accept