Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

333. Behalve tussen de duivelse en de menselijke zonden, is er ook onder de laatste weer groot onderscheid. De Stoa, Novatianus, Seb. Franck, Deurhof e.a. hebben dit ten onrechte ontkend1. Wel is in beginsel de zonde en de deugd ondeelbaar; wie er één heeft, heeft ze alle, en wie er één mist, mist ze alle; tussen goed en kwaad is geen geleidelijke overgang; iemand stemt met de wet van God al of niet overeen; en de wet van God is een organisme, dat, in één van zijn geboden overtreden, in zijn geheel geschonden wordt, want God, die het gebod gaf, dat overtreden werd, is de auteur van alle andere geboden, Jak. 2:102. Maar daarom zijn toch niet alle zonden gelijk. De verschillende namen, voor de zonde in gebruik, wijzen daar reeds op. Bij de offerande van Kaïn en Abel in Gen. 4 komt het uit, dat de gezindbeid van meer waarde is dan de gave. De wet, aan Israël gegeven, bevat wel allerlei ceremoniële geboden, maar door heel het Oude Testament heen staat het ethische handelen toch ver boven het cultische en liturgische; het geloof wordt tot gerechtigheid gerekend, Gen. 15:6, gehoorzaamheid is beter dan offerande, 1 Sam. 15:22, Am. 2:6; 5:14, 21v., Hos. 4:1v., Hos. 12:7, Mich. 6:6, 8, Jes. 1:11v., Jes. 5: 8v., Jer. 7:3, 22:3, Ezech. 16:49; 18:5v., Zach. 7:5v., Mal. 3:5 enz.3. Als na de ballingschap het Farizeïsme opkomt en deze verhouding omkeert, gaan Jezus en de apostelen weer tot wet en profeten terug, Matt. 5-7, Matt. 19:18v., Mark. 7:21v., Rom. 1:29v., 1 Cor. 5:10v.; 1 Cor. 6:9v., 2 Cor. 12:20v., Gal. 5:19v., enz. De wet zelf maakt bovendien onderscheid tussen zonden hggvb die zonder boos opzet, uit onkunde of zwakheid bedreven zijn, het verbond niet verbreken en binnen het verbond verzoend kunnen worden, en zonden hmr dyb, die met bewustheid en opzettelijk gepleegd zijn, de dader buiten het verbond stellen en des doods waardig maken, Lev. 4; 5; 22:14; Num. 15:22v., Num. 35:11v., Jos. 20:3, 9. De Schrift verlaat nooit het objectieve standpunt, dat de maatstaf van de zonde alleen zoekt in de wet van God.

Maar desniettemin is de schuld van de overtreding toch kleiner of groter, al naarmate het gebod met zwakker of sterker bewustheid en wil geschonden werd. Enerzijds leidt Stade4 uit Gen. 12:17, 20:3, 26:10, Num. 22:34, 1 Sam. 14:24v., 36v. ten onrechte af, dat aan het oude Israël het onderscheid tussen bewuste en onbewuste overtredingen onbekend was en men dus geheel buiten zijn weten en willen schuldig worden kon; want al deze plaatsen houden de onkunde voor een selbstverschuldete of spreken van geen schuld. Maar anderzijds is het toch ook niet waar, dass Sünde in Allgemeinen nur ist, sofern auch ein Bewusstsein derselben ist5. Wel onderstelt zonde enige kennis van de wet; een mens zonder het minste zedelijk besef zou ontoerekenbaar zijn, maar ook ophouden mens te zijn, Rom. 2:14, 15; en wel gaat zonde gewoonlijk met enig schuldbesef gepaard, maar toch is de maatstaf van de zonde niet het schuldbewustzijn, maar de wet van God. Er zijn zonden, die,niet alleen voor anderen, maar ook voor onszelf verborgen zijn, Job 11:4v., Ps. 19:13 [Ps. 19:12], 90:8, of eerst later als schuld worden erkend en beleden, Ps. 25:7, 51:7. Onkunde is ook dikwijls zelf zonde, en het schuldbewustzijn verzwakt, naarmate de zonde langer wordt gediend, Am. 2:11, Hos. 4:6, Mich. 3:1, 6:8, Spr. 24:12 ; Pred. 4:17 [Pred. 5:1]. Daarom kan het subjectieve bewustzijn van schuld het karakter van de zonde niet bepalen. Al kan onwetendheid dus nooit de zonde zelf goedmaken, zij strekt toch dikwijls, wanneer ze niet moedwillig is, tot verontschuldiging. Paulus zegt, dat hij te voren een lasteraar, vervolger en verdrukker was, maar voegt eraan toe, dat hem barmhartigheid is geschied, omdat hij het onwetende deed, 1 Tim. 1:13. En zo spreekt de Heilige Schrift meermalen van de zonden van de Joden en van de Heidenen, als gedaan in onwetendheid, Luk. 23:34, Hand. 3:17-19, 13:27, 17:30, Ef. 4:18, Hebr. 5:2, 1 Petr. 1:14, 2:25. Daarmee worden die zonden wel niet van haar schuldig karakter ontdaan, gelijk Ritschl schijnt te menen6; want Rom. 1; 2; 3; 5:12v., Ef. 4:17-19, Col. 3:5-7, 1Cor. 15:9, 1 Tim. 1:13, 15 enz. leren dit anders. Maar toch zijn zonden in onwetendheid gedaan, onderscheiden van zonden, uit verharding voortgekomen; de onwetendheid biedt een pleitgrond voor vergeving aan.

En gelijk de zonden in graad en mate verschillen, naargelang zij uit onwetendheid en zwakheid of uit opzet en boosheid bedreven zijn, zo zijn ze ook onderscheiden naar het object, waartegen zij gericht zijn: zonden tegen de eerste tafel zijn zwaarder dan tegen de tweede, Matt. 22:37-38; naar het subject, dat ze bedrijft: naarmate iemand rijker met gaven bedeeld is, neemt de schuld van zijn overtreding toe, Matt. 11:21, Luk. 12:47-48, Joh. 9:41; 15:22, 24; naar de omstandigheden, waaronder zij gepleegd worden: wie uit armoede steelt, zondigt minder zwaar, dan wie het doet uit hebzucht, Spr. 6:30, Jes. 26:10; naar de mate, waarin iemand aan de zonde toegeeft: wie overspel pleegt met gedachte en woord, staat schuldig, maar verzwaart zijn oordeel, als hij de zonde voleindt in de daad, Matt. 5:28. Er is ook in de zonde een ontwikkeling, er is een wet van de zonde. een bepaalde zonde komt allengs tot stand door suggestio, delectatio, consensus, operatio; in suggestione peccati semen est, in delectatione fit nutrimentum, in consensu perfectio7. En zo ontwikkelt zich ook de zonde langzamerhand bij een persoon, in een gezin en familie, bij een maatschappijen volk, en ook in de gehele mensheid. De zonde is wel niet in zichzelf zo rijk, dat zij zo vele gedaanten aannemen kan, want zij is geen zelfstandig principe en is metafysisch niets dan privatio boni. Maar zoals in haar oorsprong, zo bestaat zij ook in haar ontwikkeling alleen aan en door het goede. Zij verbindt zich met de eindeloze rijkdom van het geschapene, verwoest al het bestaande, strijdt met de hele wereld als haar instrument tegen God en zijn heilige wet, en neemt daardoor al die verschillende vormen en gedaanten aan, welke al tezamen haar het karakter geven van een welbestuurd rijk, van een door één principe bezield organisme, van een kosmov, staande onder de leiding van de arcwn tou kosmou, de yeov tou aiwnov.

Omdat de zonde in haar wezen privatio is, kan aan haar zelf noch een principium dividendi, noch ook een divisio worden ontleend. Privatio accipit speciem aforma, cui opponitur. De vroegere dogmatiek en ethiek sprak daarom wel over het karakter van de eerste zonde, maar deed overigens geen moeite, om één zogenaamd principe van de zonde op te sporen en daartoe alle overtredingen van de zedewet te herleiden. Eerst in latere tijd heeft men zulk een principe trachten vast te stellen, en het beurtelings gezocht in de zinnelijkheid8, of in de zelfzucht9, of ook in beide10. Inderdaad vertonen de menselijke zonden ook meestal het karakter van zinnelijkheid of zelfzucht, van vleselijke begeerlijkheid of geestelijke hoogmoed, van zwakheid of boosheid; soms schijnt de zonde te bestaan in de heerschappij van de materie over de geest, soms ook in een misbruik van de vrijheid, in een opstand tegen Gods ordeningen. Maar toch is het noch aan Rothe gelukt, om de zelfzucht uit de zinnelijkheid, noch ook aan J. Müller met zijn preëxistentianisme, om de zinnelijkheid uit de zelfzucht te verklaren11. En dat is ook goed te begrijpen. Metafysisch en abstract kan de zonde niet anders en niet nader omschreven worden, dan als privatio boni; dan heeft zij geen eigen principe, geen reëel bestaan; ze bestaat slechts aan het goede. De vormen, die zij aanneemt, ontleent zij aan het goede, waarin zij woont en dat zij verderft. Ze zal dus in gedaante verschillen naar gelang van de schepselen, in welke zij zetelt en de organen en krachten, waarvan zij zich bedient. Ofschoon altijd privatio boni, draagt ze bij engelen en mensen en zelfs bij ieder van deze weer een bijzonder karakter. En omdat de mens van huis uit noch alleen een zinnelijk noch alleen een geestelijk wezen is, maar altijd beide tezamen, daarom zal alle zonde bij hem ook dit karakter vertonen. Geen enkele zonde van de mens is uitsluitend zinnelijkheid of uitsluitend zelfzucht. Evenals aan de eerste zonde bij Adam, zijn er aan elke zonde verschillende zijden op te merken, al is het ook dat meestal de een meer in het oog springt dan de andere. Elke zonde is bij de mens aversio a Deo, ongehoorzaamheid, opstand, anarchie, anomie en tegelijkertijd, omdat hij aan zichzelf nooit genoeg heeft, conversio ad creaturam, afgoderij, hoogmoed, zelfzucht, zinnelijkheid12. En omdat de schepselen, waar de mens zich heenwenden kan, zovele zijn, daarom kan de zonde bij hem ook zo velerlei vormen aannemen. Er zijn zoveel soorten van zonden, als er verschillende geboden, plichten, deugden, zedelijke goederen zijn. Thomas deelde de zonden in naar de objecten, op welke zij zich richten13. Scotus naar de deugden, aan welke zij tegengesteld zijn14. En daarnaast bestonden nog vele andere indelingen, zoals die in zeven hoofdzonden, superbia, avaritia, luxuria, via, gula, invidia, acedia (vox memorialis: saligia)15; naar de norma, in zonden tegen de verschillende geboden van de wet of in zonden tegen God, de naaste en onszelf; naar het instrument, waarmee ze geschieden, in zonden met gedachten, woorden en werken, of in zonden van de geest en van het vlees, of overeenkomstig 1 Joh. 2:16 in peccata sentiendi, sciendi et dominandi, of in zonden van zwakheid, onwetendheid en boosheid; naar de vorm in zonden van nalatigheid en van bedrijf, of in zonden per se en per accidens; naar de adjuncta in verborgen en openbare, heersende en niet heersende, stille en roepende zonden enz.16.

Verdere uitwerking aan de ethiek overlatende, bespreken wij hier alleen nog de Roomse onderscheiding van de zonden in peccata mortalia en venialia. Deze heeft haar oorsprong in de praktijk van de boete17, en komt zakelijk reeds voor bij Tertullianus en bij Augustinus, die van peccata levia, brevia, minuta, minima, quotidiana sprak, welke in de gelovigen nog overblijven18. Door de scholastiek uitgewerkt19, werd ze door de kerk vastgesteld20, en sedert door alle theologen met ijver tegen alle bestrijding verdedigd21. Naar deze onderscheiding zijn er zonden, die de ontvangen genade doen verliezen en des doods waardig zijn, en andere, zoals een ijdel woord, een al te luidruchtige lach, een onwillekeurig opwellende begeerte, drift, toorn, een zeer kleine diefstal enz., die de genade niet doen verliezen, niet zozeer contra als praeter legem, en van nature vergefelijk zijn. De onderscheiding wordt daarop gegrond, dat de Schrift van verschillende zonden en straffen spreekt, Matt. 5: 22; 7:3; 23:23; Luk. 6:41, 1 Cor. 3:12-15, soms aan de zonden de dood verbindt, Rom. 1:32; 6:23; 1 Cor. 6:9, Gal. 5:21, 1 Joh. 3:14, en toch de gelovigen dikwijls als zodanig blijft erkennen, ook al struikelen zij in velen, Spr. 24:16, Matt. 1:19, Luk. 1:6, Jak. 3:2, en voorts ook op de overweging, dat er geneeslijke en ongeneeslijke ziekten bestaan, en dat er kleine beledigingen zijn, die de vriendschap niet opheffen. De Hervormers verwierpen deze onderscheiding als met Gods Woord in strijd. Zij ontkenden niet, dat er graden in de zonden waren; en ook hielden zij de termen peccata mortalia en venialia nog wel bij, maar zij hechtten er een andere betekenis aan. De Luthersen moesten tot op zekere hoogte de onderscheiding nog overnemen, omdat de gelovigen zonden konden doen, waarbij de genade bewaard bleef, en andere, waarbij zij verloren ging22. Maar de Gereformeerden gingen verder en wilden van heel de onderscheiding niets weten. Als zij de woorden soms nog bezigden, verstonden zij eronder, dat alle zonden, behalve de lastering tegen de Heilige Geest, door Gods barmhartigheid vergeven kunnen worden en aan de gelovigen ook feitelijk vergeven worden, doch dat zij alle in zichzelf des doods waardig zijn23.

De Schriftuurplaatsen, waarop de Roomsen zich voor hun distinctie beroepen, zijn dan ook alle zonder enige bewijskracht. Alleen Matt. 5:22 biedt enige schijn van grond, maar de bedoeling van Jezus’ woord is daar toch een geheel andere, dan om lichte van zware zonden te onderscheiden. Tegenover de ouden nl., die zeiden, dat eerst de zondige daad, de eigenlijke doodslag, schuldig en strafbaar maakte bij het plaatselijk gericht, zegt Jezus, dat niet eerst de daad, maar reeds de eerste opwelling van onrechtmatige toorn, ook al uit hij zich nog niet in een woord, bij dat gericht schuldig en strafbaar maakt; dat wanneer die toorn zich uit in een klein, onwillig woord, de zonde reeds zo groot is, dat zij behandeld moet worden door het sanhedrin; en dat zij, wanneer de toorn in een smaadwoord zich uit, in eens, zonder vorm van proces, het helse vuur waardig is. Er is hier dus zo weinig sprake van vergefelijke zonden, dat Jezus juist omgekeerd de geringste zonde ten hoogste strafbaar acht, zo strafbaar als de ouden de zondige daad, d.i. de moord. Jezus stelt de opwellende, onrechtmatige toorn, met de doodslag gelijk; Hij zegt dat de lichtste zonde juist al een zeer zware zonde is, die zo grote straf verdient als volgens de ouden de doodslag. Welke straf deze opwelling van toorn hiernamaals waardig is, zegt Jezus met geen woord; maar als die toorn met een smaadwoord gepaard gaat, dan is deze zonde zo groot, dat zij op datzelfde ogenblik de helse straf waardig is; er is geen rechtbank meer nodig, om een straf te bepalen. Goed verstaan is deze tekst dus eerder een argument tegen, dan voor de onderscheiding van peccata mortalia en venialia. En zo staat heel de Schrift tegenover deze indeling. De wet is een organisch geheel Jak. 2:10, wie één gebod overtreedt, is in beginsel schuldig aan alle; zij moet in haar geheel worden vervuld, Matt. 5:17-19; zij eist ons geheel met heel het hart en verstand, met ziel en lichaam, Matt. 22:37; voor haar is niets onverschillig en gering; vervloekt is, wie niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek van de wet, dat hij dat doe, Deut. 27:26, Gal. 3:10; zelfs de kleinste en geringste overtredingen van de wet, zoals een opwellende toorn, een onreine begeerte, een overtollige bevestiging, een ijdel woord, Matt. 5:22, 28, 37; 12:36; Ef. 5:4 zijn zonde, in beginsel aan zondige daden gelijk, en dus als zonde ook anomia, vijandschap tegen God. Naar het beginsel beschouwd, zijn er geen kleine en geringe zonden. Nullum peccatum contemnendum ut parvum, cum revera nullum sit parvum, quando Paulus de omni peccato generatim pronuntiaverit, stimulum mortis esse peccatum24. Wanneer een zonde, b.v. een ijdel woord, op zichzelf gesteld en uit heel haar verband met de persoon, de omstandigheden enz. losgemaakt wordt, schijnt de bewering bovenmate streng, dat zij de eeuwige dood verdient. Maar het is juist die abstracte, atomistische beschouwing, welke, als in strijd met de Schrift en met de werkelijkheid tevens, door de Hervormers principiëel verworpen werd. Zonde is geen quantum, dat, van de dader geïsoleerd, op de vingers geteld of in de weegschaal gewogen kan worden. De Roomse onderscheiding heeft feitelijk dan ook tot allerlei kwade practijken geleid. Niet alleen zijn het de theologen er niet over eens, of de vergefelijke zonde God al dan niet beledigt; of zij al dan niet behoort gebiecht te worden; of tot haar herstel werkelijk berouw nodig is, dan wel het volbrengen van een of ander verdienstelijk werk voldoende is. Maar allen erkennen ook, dat de onderscheiding beide in theorie en praktijk zeer moeilijk en bijna niet te handhaven is. Men moet daarom tot allerlei subtiele redeneringen de toevlucht nemen, die onder de hand heel het karakter van de zonde verliezen doen. Waar redeneringen in de steek laten, telt men de meningen van de doctores op en stelt men zich met een kleinere of grotere mate van waarschijnlijkheid tevreden. Zo komt men tot een atomistische, casuïstische, mechanische, materialistische schatting van de zonden en van de voldoeningen, en houdt de zielen voortdurend in angst, of zij misschien een doodzonde hebben bedreven, of brengt ze tot lichtzinnigheid en onverschilligheid, omdat de zonden meestal van zeer lichte aard en zeer gemakkelijk goed te maken zijn.

1 M. Vitringa, Doctr. Chr. II 377.

2 Vinet, L’ unité de la loi, Nouv. Et. Evang. Rothe, Theol. Ethik par. 730. 731.

3 Clemen, Lehrev.d. Sünde I70.

4 Stade, Gesch. des Volkes Israël I 512v.

5 Schleiermacher, Chr. Gl. 68, 2.

6 Rifschl, Rechtf. u Vers. II2 38. 241-246. III2 350-354. Terecht zegt Bernard in Hastings B. D. IV 532: There is no trace of the Ritschlian view that till He (Jezus Christ.) came all sin was practically ignorance, and that sinners only needed to lay aside their sense of guilt. That ignorance, even where it exists, is but apartial and not a sufficient excuse, appears in Luk. 12:47, and the explanation of that passage is that moral ignorance is never total and only comes near totaliby by man’s own fault. The sharp distinction between sins, of ignorance which are forgivable, and sins without ignorance, which are not, is untrue to life. The man who sins from ignorance, has still some spark of knowledge which is enough to condemn him, and the man who sins against light has still some ignorance, for how can a man in his present limitations realize the gravity of the issues which are presented to him here? For the first point see Luk. 23:34; the soldiers in their ignorance nevertheless need forgiveness; and for the second see the lament over Jeruzalem, Luk. 19:42. Verg. ook Clemen, t.a.p. 82.

7 Gregorius Magnus, verg. Lombardus, Sent. II dist. 24, 8. Bonaventura, Brevil. III 8.

8 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 66.

9 Müller, Sünde I 178. Tholuck, Sünde 18. 98. Vilmar, Th. Moral I 136. Philippi, K. Gl. III 3. Art. Selbstsucht in PRE3, enz.

10 Rothe, Theol. Ethik par. 461. Lipsius, Dogm. par. 480.

11 Verg. Dorner, Chr. Gl. II 90-98.

12 Bonavenfura, Sent. II dist. 42 art. 3 qu. 2.

13 Thomas, S. Theol. II 1 qu. 72 art. 1.

14 Duns Scotus, Sent. II dist. 37 qu. 1, 9. Verg. Liguori, Theol. Mor. de peccato II n. 32.

15 Zöckler, Das Lehrstück von de sieben Hauptsünden. München 1893.

16 Lombardus, Sent II dist. 42. Thomas, S. Theol. I qu. 72. Gerhard, Loci X 5v. Ursinus, Tract. theol. 202. De Moor, Comm. III 313. Mastricht, Theol. IV 3, 10. Heidegger, Corpus Theol. X61. Vilmar, Theol. Mor. I 221.

17 Pijper, Gesch. der boete en biecht in de Chr. kerk 1891 bl. 306v.

18 Tertullianus, de pudic. 2. 3. 19. adv. Marc. IV 9. Augustinus, Enchir 44. 71. de civ. XXI 27. de nat. et gr. 39. de spir. et. litt. 36.

19 Lombardus, Sent. II dist. 42. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 88. 89.

20 Conc. Trid. VI c. 11 can. 27. XIV 5. Cat. Rom. II 5 qu. 40.

21 Bellarminus, de amiss. gr. I c. 3v. Becanus, Theol. schol. II 1619 bl 117. Liguori, Theol. mor. de peccato n. 51v. Busenbaum, Theol mor. qu. 31v. Antoine, Theol. mor. de peccato c. 2 enz.

22 Luther bij Köstlin II 472v. Melanchton, Loci Comm. de peccato. Gerhard, Loci X c. 20. Verg. Bellarminus, de amiss. gr. I c. 4.

23 Calvijn, Inst. II 8, 58 III 2, 11, 4, 28. Antid. conc Trid. VI 12. Ursinus, Tract. theol. 209. Gomarus, Theses theol. disp. 13. De Moor, Comm. III 308-312. Turretinus, Theol. El. IX 4. Mastricht, Theol. IV 3, 22. Pictet, Christ. Gods. VI 11 Heppe, Dogm. 257.

24 Basilius, bij Gerhard t.a.p.

x
This website is using cookies. Accept