Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

344. Toch wordt in Gen. 3 het woord verbond nog niet genoemd; eerst bij Noach, Abraham en Israël aan de Sinaï is er sprake van. De nieuwe kritiek meent, dat het ook hier nog is geantedateerd, en dat Israëls religie oorspronkelijk niet verschilde van die van andere volken. De verhouding van de Heere tot Israël was als die van Kamos tot Moab. De idee van een tussen de Heere en zijn volk bestaand verbond was aan het oude Israël geheel vreemd. Dit wist er niets van dat God als de God van hemel en aarde Israël uit alle volken verkoren, zich ten eigendom gemaakt, en met zich in een verbond gesteld had. Al deze gedachten zijn eerst veel later opgekomen. Zelfs bij Amos komt de bondsverhouding nog niet voor; Hosea zegt alleen, dat men Israëls ontrouw bij een bondsbreuk vergelijken kan, Hos. 6:7. Eerst Deuteronomium is in waarheid een bondsboek; het werd verbondsgewijze ingevoerd en aangenomen, 2 Kon. 23:3, cf. Jer. 34:8v. Ezr. 10:3, Neh.10:1. Maar nu werd dat verbond eerst, toen het opkwam, nog weer heel anders opgevat dan later. Men verstond er toen vooral onder de verplichting van Israël tegenover de Heere, om een heilig volk te zijn en zijn wetten te onderhouden. Als dus Israël het verbond niet hield, dan werd het verbroken en Israël beladen met de vloek, Deut. 27 en 28. Maar ofschoon Israël het verbond in de reformatie van Josia formeel aanvaardde, het hield er zich niet aan, werd gestraft en in ballingschap gezonden. En toen ontstond allengs de gedachte, dat Gods verbond bestond in een wet, die Hij had gegeven, dat God zich zelf verplicht had, om Israël trouw te blijven en ook, als het afviel, niet te verlaten; God kon Israël wel straffen, maar het verbond niet vernietigen. Het uit ballingschap teruggekeerde Israël klemde zich aan deze bondsidee vast en legde ze in het verleden, in de geschiedenis van de aartsvaders, terug1.

In deze voorstelling schuilt nu wel deze waarheid, dat de bondsidee bij de profetie eerst in later tijd, vooral sedert Jeremia, op de voorgrond treedt. Maar daar was reden voor. Want eerst toen de afval van het volk een definitief karakter had aangenomen en de ballingschap noodzakelijk maakte, kreeg de vraag een praktische betekenis, of God om deze afval zijn volk voor goed verlaten zou. En daarop gaf nu het verbond, dat de Heere met Israël gemaakt had, ten antwoord, dat de ontrouw van het volk Gods trouw niet te niet zou doen. Het vrije, door God in zijn gunst gesloten verbond werd meer en meer de vastigheid van Israëls geloof en de grond van zijn hoop voor de toekomst, Jes. 54:10. Van al de verwachtingen, die Israël koesterde, bleek meer en meer, dat zij uitsluitend rustten in het verbond, dat God in zijn genade met zijn volk had opgericht; dat verbond alleen verzekerde aan Israël zijn voortbestaan, de verschijning van de Messias en al de zegeningen van het toekomstige Godsrijk. Daarom kreeg deze Messias bij Jesaja ook de naam van verbond van het volk, Jes. 42:6, 49:8, want Hij zou het verbond voor het volk bewaren en bevestigen, en een nieuw verbond oprichten, Jer. 31:31-34; en de zegeningen, die Hij bracht, zouden bondszegeningen zijn, Jes. 55:3, Jer. 33:20-21; Ps. 89:29 [Ps. 89:28].

Maar daaruit volgt niet, dat dit bondsidee in vroeger tijd onbekend was. De nieuwere kritiek kan deze mening alleen vasthouden, door met grote willekeur te werk te gaan. Want tal van getuigenissen, die ook volgens haar tot de oudere gedeelten van de Pentateuch behoren, maken van zulk een verbond gewag. Zo is er bijv. in Gen. 15:18 sprake van een verbond, dat God met Abraham sloot, maar zonder genoegzame grond wordt beweerd, dat dit woord hier slechts de plechtige naam is voor de eed, waarmee God zich verplichtte, aan Abrahams zaad het land Kanaän te geven. De woorden in Gen. 28:21: zo zal de Heere mij tot een God zijn, wekken ongetwijfeld de gedachte aan een bondsverhouding, maar zij worden voor een louter toevoegsel gehouden. Exod. 21-23 draagt de naam van bondsboek, Exod. 24:7; het bloed van het offer, waarmee het bevestigd werd, heet bondsbloed, Exod. 24:8, en in Ex. 34:27 is er sprake van de bondswoorden; maar deze stukken, al zijn ze vóór-deuteronomisch, dateren toch niet uit Mozes tijd, en behelzen toch de bondsidee niet, zoals die later opgevat werd. Een kritiek, welke op deze wijze te werk gaat, krijgt geen ander resultaat, dan wat zij van te voren wenst. Eerst construeert zij op grond van de beweerde onechtheid van de geschriften de historie van de religieuze voorstellingen, en daarna bezigt zij de zo gereconstrueerde historie, om de onechtheid van de tegen haar getuigende documenten aan te tonen2.

En zelfs met deze willekeurige kritiek komt men niet, waar men wezen wil. Want al de profeten gaan uit van de gedachte, dat er een bijzondere verhouding tussen de Heere en het volk van Israël bestaat. Amos begint zijn profetieën met een strafbedreiging tegen Damascus, om wier misdrijven de Heere voor zijn volk optreden zal, Amos 1:3-5, en Hij zal Israël niet verschonen, juist omdat Hij dat alleen gekend heeft uit alle geslachten van de aarde. Hosea stelt de verhouding tussen God en zijn volk als een huwelijk voor, en spreekt Hos. 6:7; 8:1 van het verbond, dat door Israël overtreden is. De profeten zijn niet de stichters van een nieuwe religie geweest, maar staan met het volk op dezelfde grondslag van het verbond, en roepen het daarom tot boete en bekering. En niet alleen leidt Israël zijn historie altijd tot de aartsvaders en het land van Syrië en Egypte terug, Deut. 26:5, Hos. 12:13 [Hos. 12:12]; maar met name is de bondssluiting aan de Sinaï de grondslag, waarop heel Israëls religie berust. Vandaar, dat velen, die overigens het beginsel van de nieuwere kritiek aanvaarden, toch de geschiedkundige realiteit van Mozes’ persoon en werk handhaven3.

Bij het onderzoek naar de betekenis van het verbond onder Israël is echter de hoofdvraag niet deze, of het daarvoor gebezigde woord tyrb oorspronkelijk verbond, dan wel inzetting betekende. Sommigen, zoals Delitzsch, Gesenius, Dillmann, Schultz, Oehler, Wellhausen, Guthe, Bredenkamp, König, Cremer, zeggen het eerste, nemen dan als tweede betekenis die van verbondsvoorwaarde aan, en laten het zo overgaan in de betekenis van inzetting, wet, omdat een wet in de weg van het verbond rechtsgeldigheid verkrijgt. Anderen, zoals Hofmann, Buhl, Friedrich Delitzsch, Orelli, Strack, Siegfried, Stade, Nowack, zijn van mening, dat bepaling, inzetting de oudste betekenis is, en dat deze langzamerhand in die van verbond overging, omdat de wet een wederkerige verhouding regelt. De gegevens van de Schrift stellen ons niet in staat, om tussen deze beide gevoelens met enige zekerheid uitspraak te doen, en de overgang van de een tot de andere betekenis historisch aan te wijzen; nu eens overweegt deze, dan die betekenis, zonder dat men daarbij oudere of jongere bronnen onderscheiden kan.

Het begrip van tyrb is dan ook anders te bepalen. De afleiding verspreidt hierover weinig licht. Volgens de meesten komt het van hrb, snijden, en wijst zo terug op de oude Oosterse gewoonte, om bij een bondssluiting tussen de tegenover elkaar gelegde stukken van geslachte dieren door te gaan, ter aanduiding daarvan, dat gelijk lot als deze dieren de verbreker van het verbond mocht treffen, vandaar tyrb hrk, orkia temnein, foedus ferire, cf. Gen. 15:8v., Jer. 34:19; volgens anderen komt het van een Assyrische stam, die binden betekent4. Hoe dit ook zij, uit Gen. 21:22v., Gen. 26:26v., Gen. 31:44v. blijkt duidelijk, dat er tot een tyrb drie dingen behoorden, een eed of belofte, die de overeengekomen bepalingen inhield; een vloek, die de Goddelijke straf inriep over de verbreker; en een cultische ceremonie, die de vloek zinnebeeldig voorstelde. De sluiting van een tyrb was dus altijd een religieuze handeling. Wel was het woord eerst gebruikelijk op profaan gebied van bepalingen en verdragen tussen mensen. Lang voordat God met Noach en Abraham zijn verbond opricht, waren er al verbonden tussen mensen opgericht. En dit moest ook zo zijn, als Noach, Abraham, Israël de religie als een verbond zouden begrijpen en waarderen. Daarom komt het woord ook nog niet in Gen. 3:15 voor. Eerst toen in de zondige, leugenachtige menselijke maatschappij telkens ter verdediging of verkrijging van enig goed verbonden nodig werden, kon de betekenis en de waarde van een verbond worden ingezien en de religie onder dit gezichtspunt worden opgevat. Doch ook al wordt tyrb eerst van menselijke verbonden gebezigd, het duidt toch altijd een religieuze handeling aan. De hoofdzaak in tyrb is niet, of het een verbond of een inzetting aanduidt; maar het geeft in het algemeen te kennen zulk een belofte, overeenkomst, verdrag, verbond, bepaling, beschikking enz., welke door een plechtige ceremonie onder Gods hoede gesteld wordt en zo een karakter van onverbrekelijkheid verkrijgt5.

Of tyrb meer een tweezijdig verbond of een eenzijdige beschikking aanduidt, hangt niet van het woord noch ook van de historische ontwikkeling van het begrip af, maar wel eenvoudig van de partijen, die er bij betrokken zijn. Naarmate een van beide partijen ondergeschikter is en minder te zeggen heeft, krijgt het tyrb onwillekeurig het karakter van een beschikking, die door de een partij aan de andere opgelegd wordt; tyrb wordt dan synoniem met qx, Ex. 34:10, Jes. 59:21, Jer. 33:20, 31:36, 34:13, en tyrb trk wordt niet alleen met Me en Nyb, maar ook met l geconstrueerd, Jos. 9:6, Jes. 55:3, 61:8, Jer. 32:40. Als de overwinnaar met een overwonnene, of een koning met zijn onderdanen een tyrb sluit, valt al de nadruk op de plichten, die de laatsten daarbij hebben na te komen, Jos. 9, 1 Sam. 11, 2 Sam. 5:3, 1 Kon. 20:34, Ez. 17:13. Nog sterker wordt de betekenis van beschikking en inzetting, als er overdrachtelijk sprake is van een tyrb met de ogen, Job 31:1, met de stenen en de dieren, Job 5:22, 41:9, met de dood, Jes. 28:15, van God met de natuur, Gen. 8:22, Jer. 33:20, 25, of met de dieren, Gen. 9:12, Hos. 2:17-22 [Hos. 2:18-23], Jes. 11:6, enz.. Maar ook als God en mens een verbond sluiten, treedt vanzelf het monopleurisch karakter telkens sterk op de voorgrond; het zijn toch geen gelijke partijen, maar God is de Souverein, die aan de schepselen zijn ordinantiën oplegt. Als God in Gen. 15:8 v., met Abram een verbond sluit, is dat geen eigenlijke pactio, maar een sponsio; God geeft zijn belofte, Hij verbindt zich tot haar vervulling, en gaat tussen de stukken van het offerdier door. Elders zweert Hij bij zichzelf, Gen. 22:16, bij zijn leven, Deut. 32:40, bij zijn ziel, Am. 6:8, Jer. 51:14, om maar de mens te bewijzen het onveranderlijke van zijn raad, Hebr. 6:17.

Dit monopleurisch karakter van het verbond moest in de historie steeds helderder in het licht treden. Want wel legde het verbond van God ook aan degenen, met wie het gesloten werd, verplichtingen op; verplichtingen nl., niet als voorwaarden tot het ingaan in het verbond, want het verbond was gesloten en rust alleen in Gods ontferming, maar wel als weg, die de uit genade in het verbond opgenomenen nu voortaan hadden te bewandelen, Gen. 17:1, 2 Ex. 19:5-6, 8; 24:3, 7, Lev. 26:14v., Deut. 5:29, 27:10v., Deut. 28:1v., Deut. 30:1v., enz.. Maar al nam Israël het verbond Gods telkens bij vernieuwing aan, Ex. 19:8; 24:3, 7, Deut. 29:10-13, Jos. 24: 16, 2 Kon. 23:3, 2 Kron. 15:12, 23:16, 29:10, 34:31, Neh. 8 enz., het wandelde niet in de weg van het verbond, en ontheiligde en verbrak het ieder ogenblik. Zo rees de vraag, of dit verbond van de genade dan even wankel was als het verbond van de werken vóór de val. En daarop gaf de openbaring ten antwoord, en steeds krachtiger en luider, naarmate de afval toenam: neen, dit verbond wankelt niet; mensen mogen ontrouw worden, maar God vergeet zijn belofte niet, het verbond ligt enkel en alleen vast in zijn ontferming, Lev. 26:40-44, Deut. 4:31; 30:1v., Deut. 32:36v., Richt. 2:1, 2 Kon. 13:23, Ps. 81:9, 12 [Ps. 81:8, 11]; 89:1-5 [Ps. 89:1-4]; 105:8-10 ;106:45; 111:5; Jes. 1:3, 5:13, 54:10, Jer. 18:5-10, Ezech. 33:10-16, Hos. 6:1-3, 11:7-9, 14:2-9 [Hos. 14:1-8], Joël 2:12-14. God kan en mag zijn verbond niet verbreken; Hij heeft er zich vrijwillig, uit zich zelf, met een dure eed toe verbonden; zijn naam, zijn ere, zijn wezen zelf hangt eraan, Ex. 32; 33, Num. 14:16, Deut. 32:26, 1 Sam. 12:22, Jes. 48:8-11, Jer. 14:7, 20, 21, Ezech. 20:9,14, 22, 43, 44, Joël 2:17-19, enz..

In deze vastheid van het genadeverbond ligt de heerlijkheid van de religie, waarvan wij als Christenen belijdenis doen. Bij een vroegere gelegenheid6 werd reeds aangetoond, waarom de ware religie de gedaante van een verbond moet dragen. Als godsdienst waarlijk gemeenschap van God en mens zal zijn, waarin God niet alleen, maar ook de mens zijn zelfstandigheid als redelijk en zedelijk wezen behoudt en met zijn plichten ook rechten ontvangt, dan kan dit alleen in deze weg geschieden, dat God tot de mens afdaalt en met hem een verbond aangaat. God verplicht zich daarbij met ede, om de mens, niettegenstaande zijn afval en ontrouw, de eeuwige zaligheid te schenken; maar de mens wordt daardoor zijnerzijds ook vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Doch altijd zo, dat wij, als we soms nog uit zwakheid in zonden vallen, aan Gods genade niet moeten vertwijfelen noch in de zonde blijven liggen, overmits wij een eeuwig verbond van de genade met God hebben. Niet in onze deugden en werken, maar in Gods ontfermingen ligt het verbond van de genade onwankelbaar vast. Deze onverbrekelijkheid, die door de Oudtestamentische profetie steeds klaarder uit de bondsidee werd afgeleid, is waarschijnlijk ook de reden, waarom het woord in de LXX niet door sunyhkh, maar door diayhkhh werd overgezet. Volgens Deismann7 heeft dit laatste woord altijd de betekenis van testament, en nooit die van verbond. Wat Oude en Nieuwe Testament aangaat, mag dit echter op goede gronden betwijfeld worden. De eenzijdige, Goddelijke oorsprong en natuur, welke in het Hebreeuws aan het verbond toekomt, is genoegzame verklaring van de reden, waarom de LXX aan diayhkh, boven sunyhkh, de voorkeur gaven: Maar voorts was er tussen de testamentaire beschikking, welke overeenkomstig de Grieksch-Syrische wet in de tijd van de LXX gemaakt werd, en die, welke overeenkomstig de Romeinse wet tot stand kwam, een opmerkelijk onderscheid. Volgens gene was daiyhkh een plechtige handeling, waarbij een onherroepelijke overdracht van rechten en goederen plaats had; en deze trad, althans gedeeltelijk, onmiddellijk in werking en was dus van de dood van de testamentmaker onafhankelijk. Daarentegen moest naar de Romeinse wet de uitvoering van de testamentaire beschikking wachten op de dood van hem, die het testament had gemaakt. Het Griekse woord diayhkh kon daarom gemakkelijk als vertaling van het Hebreeuwse tyrb dienst doen, want God had door het verbond aan zijn volk weldaden en goederen beschikt, waardoor het bevoorrecht was boven alle volken van de aarde8. In deze betekenis ging het woord over in het Nieuwe Testament; het komt hier, in vergelijking met het Oude Testament, betrekkelijk zelden, slechts 33 malen, voor, maar heeft op niet meer dan één plaats, Hebr. 9: 15-17, beslist de betekenis van testament, want de auteur zinspeelt hier op de Romeinse wet, volgens welke een testament geen kracht heeft dan na de dood van de testamentmaker. In Gal. 3:17, 18 is de betekenis van testament wel waarschijnlijk, maar de uitvoering ervan wordt toch niet met de dood van Christus in verband gebracht. In alle andere plaatsen is het, evenals zo dikwijls in het Oude Testament, moeilijk uit te maken, welke betekenis, die van beschikking of van verbond, de schrijvers voor de geest heeft gestaan. In het verbond van de genade, dat God in Christus heeft opgericht, liggen ook beide elementen opgesloten. Opmerking verdient het tenslotte nog, dat onze Statenvertaling, evenals ook de Engelse overzetting, het woord door verbond weergeeft, als er sprake is van het oude verbond met Israël, Luk 1:72, Hand. 3:25, 7; 8, Rom. 9:4, 11:27, Gal. 3:15, 17; 4:24; Ef. 2:12, Hebr. 9:4, en door testament, wanneer aan het nieuwe verbond met de gemeente van Christus wordt gedacht, Matt. 26:28, Mark. 14:24, Luk. 22:20, 1 Cor. 11:25, 2 Cor. 3:6, (14), Hebr. 12:24, 13:20, ofschoon in dit laatste geval toch om voor de hand liggende redenen het woord verbond is behouden in Hebr 7:22; 8:6v., Openb. 11:19. Aan dit verschil in vertaling ligt de gedachte ten grondslag, dat het begrip van verbond meer past op de bedeling van het Oude, en dat van testament meer op die van het Nieuwe Testament9. Nadat het verbond met het vleselijk Israël werd verbroken, is daarvoor in de plaats getreden het geestelijk Israël, dat naar Gods verkiezing vergaderd wordt uit alle volken, dat de goederen van het heil als bij testamentaire beschikking van de Zoon ontvangt, in kindschapsverhouding tot God staat en de hemelse zaligheid als een erfenis verwacht, Luk. 22:29, Rom. 8:16, Gal. 3:15-17, Hebr. 9:15-17, 1 Joh. 3:1-2; 1 Petr. 1:4.

1 Wellhausen, Gesch. Israëls 1434 v. Smend, Altt. Theol. 116 v., en vooral Kraetzschmar in het boven aangehaalde werk.

2 Verg. G. Vos, Recent criticism of the early prophels, Presb. and Ref. Review April 1898 bl. 214-218, en Strack in zijn recensie van Kraetzschmar’s boek, Theol. Lil, Blatt 1898 n. 5.

3 Zo niet alleen Lotz, Vos, Davidson, maar ook Giesebrecht, t.a.p., König, Gesch. des Reiches Gottes bis auf Jezus Christus 1908 bl. 62 v. Id., Die religionsgesch. Bedeuting der Patriarchen, Glauben und Wissen 1900 bl. 361-377. Max Löhr, Altt. Religionsgesch. 1906 bl. 30. 32. Wildeboer, Het Oude Testament van hist. standpunt toegelicht 1908 bl. 59 enz.

4 Kraetzschmar, t.a.p. bl. 245. Davidson in Hastings D. B. I 509, die ook opmerkt, dat het woord wel 300 malen in het Oude Testament voorkomt.

5 Kraetzschmar, t.a.p. bl. 29. 30. 39-41.

6 Verg. Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 39 De bestemming van de mens; 295 v.

7 Deismann, Das Licht vom Osten. Tübingen 1908 bl. 243.

8 Vos, bij Hastings, Dict. of Christ. I 374, die ook aanhaalt Ramsay. Expositor Nov. 1898 bl. 321-330

9 Verg. Bengel, op Matth. 27:28.

x
This website is using cookies. Accept