Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

347. Bij de uitvoering van het pactum salutis in de tijd is echter wel te onderscheiden tussen het foedus gratiae in ruimere en in engere zin. De universele gedachte der heilsopenbaring komt niet tot haar recht, wanneer men bij de bespreking van het verbond van de genade in de tijd terstond tot Israël en tot de gemeente van het Nieuwe Testament overgaat. Immers, de Schrift gaat ook niet in eens van Adam tot Abraham over; zij laat de mensheid niet los, maar beschrijft in hoofdtrekken haar ontwikkeling tot de tijd van Abraham toe. Als uit de mensheid Abraham en Israël worden uitverkoren, wordt de band met die mensheid niet doorgesneden; Israël zweeft niet als een oliedrop op de volkeren, maar blijft in allerlei verband met die volken staan, en houdt ten einde toe de verwachting ook voor die volken vast. In de volheid van de tijd worden Jood en Heiden in de éne mens verzoend; de mensheid schaart zich rondom het kruis; en de gemeente, uit die mensheid verkoren, staat met die mensheid in het nauwste verband. Natuur en genade, schepping en herschepping zijn in die onderlinge relatie te stellen, waarin de Schrift ze plaatst. En dan verdient het opmerking, dat de eerste beloften van de genade, die na de val van Gods mond tot Adam en Eva uitgaan, heel universeel zijn en heel de mensheid aangaan. Vroeger is erop gewezen, dat alle straf, in Gen. 3 over de zonde uitgesproken, tegelijk te erkennen is als een openbaring van Gods genade. En die genade breidt daar zonder enige beperking tot de hele mensheid zich uit. Algemene en bijzondere genade stromen nog in één bedding. In de straf, welke God na de overtreding over de slang, de vrouw en de man uitspreekt is meer nog de barmhartigheid dan de toorn aan het woord; zij is straf en belofte tegelijk, zij is eine gnädige fröhliche Strafe (Luther). Daarom ligt in haar de oorsprong en waarborg van het voortbestaan, de uitbreiding en ontwikkeling, de strijd en de zegepraal van de mensheid. Religie en zedelijkheid, cultus en cultuur nemen daar hun aanvang. In de lange periode van Adam tot Noach ontwikkelen zich deze alle onder de invloed van Gods algemene en bijzondere genade. De oorspronkelijke krachten, door God bij de creatie in de verschillende schepselen gelegd, zijn wel gebroken, maar werken ook na de val nog lange tijd na.

Vooral komt dit uit in de sterkte en de veel grotere levensduur van de mensen vóór de zondvloed, Gen. 5:5v., en in de veel machtiger werking van de elementen van de natuur, die eerst na die tijd aan banden worden gelegd, Gen. 8:22. Deze historie van de Schrift wordt bevestigd door de traditie van de volken, die in haar gouden, zilveren, koperen en ijzeren eeuw van een langzaam verval van de mensheid gewaagt, en ook door de geologie, volgens welke aan deze onze periode een andere voorafging, waarin er over geheel de aarde een hogere temperatuur heerste, de jaargetijden nog niet waren begrensd, en vuur en water een veel grotere rol speelden dan tegenwoordig. Bij de overgang van de mesozoïsche tot de kainozoïsche periode hadden er toch allerlei gewichtige veranderingen plaats: een grote uitbreiding van het vasteland, door opheffing van uitgebreide stukken van de zeebodem boven het water; de formatie van de bergen, zoals de Alpen, Pyreneën, Karpaten, Himalaya, Cordilleros enz.; een sterke verandering in het klimaat; het uitsterven van de grote, prehistorische dieren en planten enz.1. In verband met dit alles is de grotere sterkte en de langere levensduur van de mensen in de periode van Adam tot Noach volstrekt niet onwaarschijnlijk; de eenvoudiger levenswijze, de minder inspannende arbeid, het geringer aantal kwaadaardige ziekten, de nawerking van de toestand vóór de val verklaren dit feit genoegzaam; zelfs komen thans bij wijze van uitzonderingen nog leeftijden van 120 tot 150 jaren voor; en er is geen fysische noodzakelijkheid te bedenken, waarom de menselijke levenskracht na 70 of 80 jaren uitgeput moet zijn2. Ook de religie bleef na de val bestaan en kreeg een vaste gestalte in offerande, Gen. 3:3, gebed en prediking, Gen. 4:26, de cultuur nam een aanvang met landbouw, veeteelt, stedenbouw enz., Gen. 4:2, 17; kunsten en wetenschappen kwamen tot ontwikkeling, Gen. 4:20v.

Maar deze eerste periode in de geschiedenis van de mensheid kenmerkte zich ook reeds spoedig door de verschrikkelijkste goddeloosheid; corruptio optimi pessima; de buitengewone krachten en gaven werden in de dienst van de zonde misbruikt. Met broedermoord werd deze periode ingeleid; de Kaïnieten scheidden van de Sethieten zich af, legde zich toe op de beheersching van de aarde, Gen. 4:20v., en zochten hun sterkte in het zwaard, Gen. 4:24. Maar eerst toen Sethieten en Kaïnieten zich vermengden, steeg de goddeloosheid ten top; de boosheid was menigvuldig op de aarde; het gedichtsel van de gedachten van ‘s mensen hart was te allen dage alleenlijk boos, Gen. 6:5; het was een periode zo vol ongerechtigheid, als er later nooit één geweest is en alleen in de toekomst van de Zoon des mensen terugkeren zal, Matt. 24:37. In de geweldige zondvloed gaat dit hele geslacht onder, behalve Noach’s gezin, dat dan de oorsprong van een tweede mensheid wordt. De periode na de vloed onderscheidt zich wezenlijk van de voorafgaande. Van Adam tot Noach droeg de natuur, de planten- en dierenwereld, de mensheid een geheel ander karakter dan na die tijd. Krachtig en rijk van gaven voorzien, werd de wereld als het ware voor een tijd aan zichzelf overgelaten; maar het bleek spoedig, dat, als God niet krachtig tussenbeide trad, de wereld in haar eigen goddeloosheid omkomen zou. Daarom begint er met Noach een andere periode. De genade, die terstond na de val zich openbaarde, treedt thans krachtiger op in de beteugeling van het kwaad. God sluit formeel een verbond met al zijn schepselen. Dit verbond met Noach, Gen. 8:21-22; 9:1-17, heeft wel in Gods genade zijn oorsprong; het staat ook met het eigenlijke foedus gratiae in het nauwste verband, omdat het dit draagt en voorbereidt; maar het is er niet identiek mee3. Het is veeleer een foedus longanimitatis, door God gesloten met alle mensen en zelfs met alle schepselen. De vloek over de aarde wordt er door beperkt; de natuur aan banden gelegd; haar verwoestende kracht beteugeld; het water wordt bedwongen in zijn ontzettend geweld; een geregelde wisseling van jaargetij de wordt ingevoerd; heel de redeloze natuur wordt aan ordinantiën onderworpen, die vastliggen in Gods verbond; en ten teken en onderpand wordt de regenboog in de wolken gesteld, Gen. 8:21-22; 9:9-17.

Er treedt thans ook een mensheid op, die, in vergelijking met de vorige, veel zachter is van aard, veel kleiner van kracht, veel korter van duur. De zegen van de vermenigvuldiging wordt uitdrukkelijk weer uitgesproken, Gen. 9:1, de vrees en verschrikking van de mens op alle dieren gelegd, Gen. 9:2, het groene kruid en het vlees aan de mens tot spijze gegeven, Gen. 9:3. Het leven van de mens wordt gewaarborgd door het bevel van de doodstraf op mensenmoord, en daarmee in beginsel door de instelling van de overheid Gen. 9:5-6; en als later de mensheid bij Babels torenbouw het plan vormt, om samen te blijven wonen en een wereldrijk te stichten, dan verijdelt God dat plan, doet de mensheid in volken en talen uiteengaan, en gaat ook op die wijze de ontwikkeling en de uitbarsting van de goddeloosheid te keer. De genade Gods treedt dus na de vloed veel krachtiger op dan vóór die tijd. Aan haar is te danken het bestaan en het leven van de mensheid, de uitbreiding en ontwikkeling van de volken, de staten en maatschappijen, die allengs zich gevormd hebben, de religie en zedelijkheid, die ook onder de verwilderdste volken niet geheel zijn teloor gegaan, de kunsten en wetenschappen, die zich hoog hebben verheven; alles, wat er na de val ook in de zondige mens nog aan goeds is op alle terrein, heel de justitia civilis, is vrucht van Gods algemene genade4. God liet de Heidenen wel wandelen op hun eigen wegen, Hand. 14:16, maar Hij onttrok zich hun niet; Hij liet zich aan hen niet onbetuigd, bepaalde hun woning, was niet ver van een iegelijk van hen, openbaarde zich hun in de werken van zijn handen, Hand. 14:16-17; 17:27-28, Rom. 1:19, Jak. 1:17. De Logos verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld, Joh. 1:9. De Heilige Geest is auteur van alle leven, kracht en deugd, ook onder de Heidenen, Gen. 6:17, 7:15, Ps. 33:6, 104:30, 139:2, Job 32:8, Pred. 3:19. Door deze genade, en onder de bedeling van dit foedus naturae is de mensheid vóór Christus geleid en voor zijn komst voorbereid5. Er valt inderdaad in goede zin te spreken van een opvoeding van het mensdom door God6. De vatbaarheid voor verlossing is gehandhaafd, de behoefte aan verlossing is gewekt7.

1 Pfaff, Schöpfungsgeschichte, Kap. 11-15. Haeckel, Nat. Schöpfungsgesch.5 bl. 520 v. Wossidlo, Leitfaden der Mineralogie und Geologie. Berlin, Weidmann 1889 bl. 196 v. En verg. verder over de geologische betekenis van de zondvloed, Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 36 De stoffelijke wereld; 274 v.

2 Fürer, Das Lebensalter des Mensen usw., Beweis des Glaubens 1868 bl. 97 v. 184 v. Zöckler, Die Lehre vom Urstand des Mensen 1879 bl. 244-288. Schanz, Das Alter des Menschengeschlechts. Freiburg 1896. Büchner, ‘s Mensen Levensduur. Holl. vert. door Schwencke. Amst. 1892.

3 Oudere literatuur over het Noachitisch verbond is te vinden bij M. Vitringa, Doet. IV 286.

4 Verg. hetgeen hierover reeds in het hoofdstuk over de Algemene Openbaring is gezegd, Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 10 Algemene Openbaring; 85 ev.

5 Over de late tijd van Christus’ komst zie men o.a. Bonaventura, Brevil. IV 4. Petavius, de incarn. II c. 17. Jansen, Prael. Theol. II 561.

6 Over de Goddelijke opvoeding van de mensheid kan men raadplegen de werken van Lessing, Herder, van Heusde, Hofstede de Groot, Lotze, Mikrok. III 20 v. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2 282 v.

7 Behalve de literatuur, die boven en ook al zie Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 10 Algemene Openbaring; 85 v. werd genoemd, komt voor de leer der algemene genade, de ontwikkeling en de betekenis van het Heidendom, de voorbereiding van Christus’ komst en de volheid der tijden, ook nog in aanmerking: Schelling, Werke II 4 bl. 74-118. A. Wuttke, Gesch. des Heidentums. Breslau 1852-53. Tholuck, Der sittliche Charakter des Heid., Werke VIII 1-91. Uhlhorn, Der Kampf des Christ. mit dem Heid. c. 1-2. D. Zahn, Die natürliche Moral. Gotha 1881. Hettinger, Apol. des Christ. II 7 52 v. Schanz, Apol. des Christ. II 1 v. Pfleiderer, Vorbereitung des Christ. in der griech. Philosophie. Halle 1904. Schucklebier, Ein Streifzug durch die antike Philosophie, als die Zeit erfüllet war, Neue Kirchl. Zeits. 1908 bl. 935-972. Wendland, Die hellenistisch-röm. Kultur in ihren Beziehungen zu Jud. und Christ. Tübingen 1907. Deissmann, Licht vom Osten 1908. J. Boehmer, Reichsgottesspuren in der Völkerwelt. Gütersloh 1906. Talbot, The preparation in history for Christ, in Gore’s Lux Mundi 1892 bl. 93-131. H. M. van Nes, De adventstijd. Rott. 1893.

x
This website is using cookies. Accept